Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3851

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.265.300/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berm of groenstrook? Het onderhouden grasveld naast een parkeerhaven, met verhoogde trottoirband afgescheiden van de rijbaan, is kennelijk aangelegd om de parkeerhavens af te grenzen. Daarmee is sprake van een groenstrook en niet een berm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.265.300/01

CJIB-nummer

: 217885528

Uitspraak d.d.

: 20 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 25 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard, omdat de officier van justitie - naar het oordeel van de kantonrechter - terecht het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging.

2. In hoger beroep voert mr. Lagas aan dat wel degelijk (tijdig) een machtiging is ingebracht. Daarbij wordt aangevoerd dat dit stuk door de officier van justitie niet op de juiste wijze is verwerkt en is toegevoegd aan het dossier van een andere betrokkene die de hij eveneens als gemachtigde bijstaat.

3. Uit de stukken blijkt dat mr. Lagas bij brief van 9 augustus 2018 beroep heeft ingesteld tegen de aan de betrokkene opgelegde administratieve sanctie. Bij brief van 18 september 2018 heeft de officier van justitie mr. Lagas verzocht om binnen vier weken na dagtekening van die brief een schriftelijke machtiging over te leggen. Bij schrijven van 25 september 2018 heeft mr. Lagas een machtiging van [de betrokkene] N.V. ingebracht. Nog daargelaten de vraag of mr. Lagas vóór 25 september 2018 al een machtiging in deze zaak heeft overgelegd, volgt uit de stukken van dit dossier dat het geconstateerde verzuim tijdig is hersteld. Dit betekent dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kantonrechter heeft dit miskend. Beide beslissingen kunnen daarom niet in stand blijven. Gelet hierop behoeven de overige door de gemachtigde van de betrokkene tegen deze beslissingen aangevoerde bezwaren daarmee geen bespreking meer.

4. Ter beoordeling staat vervolgens de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie is opgelegd van € 95,- voor: “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 juni 2018 om 10:13 uur op de Jonge Abraham in Zaandam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

5. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene met het voertuig in de berm stond en niet in een groenstrook. Uit rechtspraak volgt dat gekeken moet worden naar de omstandigheden van het geval, de inrichting van de weg, het aanwezig zijn van bepaalde beplanting of verhoogde trottoirbanden en dergelijke. Daarbij wijst de gemachtigde op twee arresten van dit hof (ECLI:NL:GHARL:2015:7245 en ECLI:NL:GHARL:2015:407).

6. Niet in geding is dat het voertuig van de betrokkene ter plaatse stond geparkeerd. Beoordeeld moet worden of deze locatie als een park, plantsoen, openbare beplanting of groenstrook kan worden aangemerkt. Het daarin laten staan van een voertuig is namelijk strafbaar gesteld in de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Zaanstad (APV Zaanstad).

7. Er bestaat geen wettelijke definitie van de begrippen park, plantsoen, openbare beplanting of groenstrook. In een berm mag in principe worden geparkeerd, terwijl dat in een groenstrook doorgaans niet is toegestaan. Bij de bepaling of iets al dan niet als berm of groenstrook kan worden aangemerkt, is doorslaggevend hoe het terrein zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.

8. Het dossier bevat een aanvullende verklaring van 1 maart 2019 van de ambtenaar. Deze verklaring houdt - voor zover hier van belang - in:

“Op 9 juni 2018, op of omstreeks 10:13 uur, was ik samen met mijn collega aan het controleren op de Jonge Abraham te Zaandam. Daar aangekomen trof ik het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] aan. Betrokkene stond met twee wielen in het groen geparkeerd. Het is verboden om in het openbaar groen te parkeren op grond van art. 5:11 eerste lid van de APV. De berm (het hof begrijpt: de groenstrook) wordt door een trottoirband gescheiden van de weg. Daarnaast wordt het gras in de groenstrook door de gemeente gemaaid. Er is daarom sprake van een groenstrook. De voertuigen aan de achterzijde staan in een parkeervak geparkeerd.”

9. Verder bevat het dossier foto’s van de gedraging. Hierop is het voertuig van de betrokkene te zien. Het voertuig staat met twee wielen op de geasfalteerde rijbaan en voor het overige op een strook gras. Aan de passagierszijde van het voertuig bevindt zich een hekwerk met daar achter een grasveld. Achter het voertuig van de betrokkene staan verschillende voertuigen evenwijdig aan de rijbaan geparkeerd in een parkeerhaven. Op de plek waar het voertuig van de betrokkene staat geparkeerd wordt de strook gras van de geasfalteerde rijbaan afgescheiden door middel van verhoogde trottoirbanden. Het gras is rondom het voertuig kort, langs het hekwerk is het gras hoger. Daarnaast heeft de gemachtigde afbeeldingen afkomstig van Google Maps (Streetview) ingebracht. Hierop is te zien dat zowel de grasstrook als het hekwerk door loopt naar het terrein waar een fabriek is gevestigd. In de strook gras zijn straatlantaarnpalen geplaatst. Het grasveld achter het hekwerk lijkt deel uit te maken van het terrein van de fabriek. Het hof begrijpt uit deze afbeeldingen dat het voertuig van de betrokkene naast het laatste parkeervak in het gras stond geparkeerd.

10. Naar oordeel van het hof is de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond aan te merken als een groenstrook en niet als een berm of zijkant van de weg. Dit gelet op de omstandigheid dat de met gras bedekte strook een enigszins onderhouden indruk maakt, van de rijbaan wordt afgescheiden door een verhoogde trottoirband en het voor de gemiddelde weggebruiker duidelijk zal zijn dat de wegbeheerder heeft bedoeld de ter plaatse aanwezige (verharde) parkeerhaven af te grenzen met een strook gras en dat voertuigen in de parkeervakken worden gezet. De verwijzing van de gemachtigde naar de genoemde arresten van dit hof uit 2015 gaat dan ook niet op. Het verweer faalt.

11. Het voorgaande brengt mee dat het voertuig van de betrokkene in strijd met de APV Zaanstad stond geplaatst. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren. Aanleiding voor een proceskostenvergoeding is er daarom niet.

12. Het hof komt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.