Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3848

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
GEMW 200.271.784/01 en 200.271.785
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete overlast openbare ruimte. De APV Den Haag limiteert de locaties waarop straatmuziek ten gehore mag worden gebracht, maar stelt geen inhoudelijke beperkingen. De uitingsvorm is ook niet volledig onmogelijk gemaakt. Geen aanleiding om de APV-bepaling buiten toepassing te laten wegens strijd met artikel 7 van de Grondwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: GEMW 200.271.784/01 en 200.271.785

Uitspraak d.d.

: 20 april 2021

Arrest op het hoger beroep tegen de beslissingen van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2019, betreffende

[eiser] (hierna: eiser),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te 's-Gravenhage.

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van eiser ongegrond verklaard. Die waren ingesteld tegen twee beslissingen op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders in de gemeente Den Haag (hierna te noemen: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van twee bestuurlijke boetes aan eiser op grond van artikel 154b van de Gemeentewet met kenmerken 17.97.003238 en 17.97.003408. Verder heeft de kantonrechter het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissingen van de kantonrechter.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van eiser heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

Verweerder heeft daarop schriftelijk gereageerd.

De beoordeling

1. Bij de beschikkingen met voormelde kenmerken zijn aan eiser twee boetes van € 230,- opgelegd voor overtredingen van artikel 2:9, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Den Haag (APV Den Haag). Deze gedragingen zouden zijn verricht op 6 oktober 2017 en op 27 oktober 2017 op de Grote Marktstraat in Den Haag.

2. Artikel 2:9 van de APV Den Haag luidt als volgt:

“1. Het is verboden, op door de Burgemeester aangewezen wegen en tijden (Zie uitvoeringsbesluit) op of aan de weg als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.

2. Op andere dan de in het eerste lid vermelde plaatsen, is het verboden, zonder vergunning van de burgemeester als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.

3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing mits degene die voornemens is deze activiteiten te verrichten voor aanvang daarvan naam en adres heeft opgegeven bij het politiebureau waar de plaats van uitvoering onder ressorteert, indien

a. met ten hoogste drie personen wordt opgetreden;

b. er geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten, zoals trommels, bongo’s en dergelijke, worden gebruikt;

c. de activiteiten niet langer duren dan een half uur;

d. de activiteiten slechts worden verricht tussen 08.00 en 21.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 21.00 uur.

4. Indien op grond van dit artikel een vergunning is vereist, kan de burgemeester te dien aanzien de belangen in aanmerking nemen die zijn bedoeld in artikel 2:25, zesde lid.”

3. Het Uitvoeringsbesluit bedelarij en straatartiesten/straatmuzikanten, zoals dat gold ten tijde van de gestelde gedragingen, luidt, voor zover hier van belang:

“DE BURGEMEESTER [van Den Haag],

Besluit:

I. Te bepalen dat de aangewezen wegen en tijden als bedoeld in artikel 2:52 en in artikel 2:9, lid 1 van de APV zijn:

(…)

b. Korte Poten, Lange Poten, Plein, Binnenhof, Buitenhof, Plaats, Papestraat, Passage, Gravenstraat, Raamstraat, Hoogstraat, Noordeinde, Venestraat, Weversplaats, Nieuwstraat, Schoolstraat, Vlamingstraat, Spuistraat, Grote Markt, Grote Marktstraat, Wagenstraat, 1e Haagpoort, Kalvermarkt, Turfmarkt, Spuiplein, Spui, Gedempte Gracht, Voldersgracht, Bezemstraat en Rabbijn Maarsenplein”.

4. Vast staat dat eiser op 6 en 27 oktober 2017 als straatmuzikant elektronisch versterkte gitaarmuziek en zang ten gehore bracht op de Grote Marktstraat in Den Haag.

5. De gemachtigde van eiser betoogt dat aan eiser ten onrechte bestuurlijke boetes zijn opgelegd. Hij stelt zich op het standpunt dat eisers muzikale activiteiten vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Artikel 2:9 van de APV Den Haag maakt het eiser feitelijk onmogelijk om op enige in het oog springende plek in de binnenstad op deze wijze zijn mening te uiten. Daarmee voldoet dit verbod niet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, zodat de kantonrechter de bepaling onverbindend had moeten verklaren.

6. Het recht op vrijheid van meningsuiting is als volgt neergelegd in artikel 7, derde lid, van de Grondwet:

“Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.”

7. Eisers activiteiten als straatmuzikant zijn aan te merken als een vorm van meningsuiting en vallen daarmee onder het bereik van artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Dat brengt mee dat deze wijze van uiten niet aan een inhoudelijk censuur- of verlofstelsel mag worden onderworpen. Het recht op vrije meningsuiting staat er niet aan in de weg dat met regelgeving kaders worden gesteld met betrekking tot praktische aspecten van de uitoefening van dat recht, zolang dergelijke voorschriften niet zien op de inhoud van de uiting en zij niet (bepaalde) uitingsvormen volledig onmogelijk maken (vgl. ARRvS 19-01-1987, ECLI:NL:RVS:1987:AM9686).

8. Uit door verweerder overgelegde informatie blijkt dat de gemeente de activiteiten van straatmuzikanten aan regulering heeft onderworpen, teneinde onder meer verkapte bedelarij en doorstromingsproblemen als gevolg van samendrommend publiek tegen te gaan. De regulering bestaat enerzijds uit de aanwijzing van straten waarin in het geheel geen straatmuzikanten mogen optreden en anderzijds uit een meldings- c.q. vergunningsplicht ten aanzien van alle overige locaties.

9. Het hof constateert dat de gemeentelijke regelgeving ten aanzien van straatmuzikanten geen voorschriften stelt die de inhoud van deze uitingsvorm betreffen. Evenmin maakt de regelgeving de uitoefening van deze uitingsvorm volledig onmogelijk. Eiser had gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om in één van de niet in het Uitvoeringsbesluit genoemde straten na een voorafgaande melding onversterkte muziek ten gehore te brengen dan wel een vergunning kunnen aanvragen voor het ten gehore brengen van versterkte muziek. Voor het buiten toepassing laten van artikel 2:9, eerste lid, van de APV Den Haag is geen aanleiding.

10. Namens eiser is verder aangevoerd aan dat sprake is van ongelijke behandeling, omdat tegen andere personen en collectieven die ter plaatse optreden niet handhavend wordt opgetreden. Eerder in de procedure zijn door eiser foto’s overgelegd van evangelische ensembles die muziek ten gehore zouden hebben gebracht op de Wagenstraat en de Grote Marktstraat.

11. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof als volgt. Van schending van dit beginsel is sprake wanneer blijkt dat gelijke gevallen niet gelijk zijn behandeld, bijvoorbeeld wanneer verweerder in het nadeel van eiser is afgeweken van staand beleid. Aan de hand van een aantal raadsstukken heeft verweerder enig inzicht gegeven in het gemeentelijk handhavingsbeleid inzake straatmuzikanten. Na de inwerkingtreding van het Uitvoeringsbesluit is door de politie en gemeentelijke handhavingsteams gericht en gedoseerd toezicht gehouden op overlast als gevolg van straatmuziek. In eerste instantie zijn straatmuzikanten gewezen op de regelgeving. Gedurende die fase zijn nagenoeg alle ‘overlastgevende’ straatmuzikanten uit het straatbeeld verdwenen. Uit enquêtes blijkt dat het percentage bezoekers, ondernemers en bewoners van de binnenstad dat veel overlast ondervond van straatmuziek tussen 2012 en 2014 sterk afnam. Verweerder beschouwt het handhavingsbeleid daarmee als succesvol.

12. Het hof constateert dat het gemeentelijk handhavingsbeleid niet gericht is (geweest) op een specifieke categorie van straatmuzikanten. Evenmin is gebleken dat verweerder slechts tegen eiser handhavend optrad, terwijl andere straatmuzikanten werden gedoogd. De enkele omstandigheid dat op enig moment, om wat voor reden dan ook, niet (onmiddellijk) een boete is opgelegd aan twee door eiser gefotografeerde evangelische ensembles, kan die conclusie niet dragen. Ook op dit punt treft het beroep geen doel.

13. De gemachtigde heeft er tot slot terecht op gewezen dat de kantonrechter in zijn overwegingen het ten tijde van de gedragingen niet langer geldende Uitvoeringsbesluit APV Artikel 2:9 heeft aangehaald. Hiervoor onder 3. is de tekst uit het van toepassing zijnde besluit geciteerd. Deze misslag van de kantonrechter leidt niet tot een ander oordeel zodat de beslissing op dit punt verbeterd kan worden gelezen.

14. Op grond van de voorgaande overwegingen komt het hof tot de slotsom dat verweerder de bestuurlijke boetes op deugdelijke gronden aan eiser heeft opgelegd. De beslissingen van de kantonrechter kunnen dan ook worden bevestigd.

15. Nu eiser niet in het gelijk wordt gesteld, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.