Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3779

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
200.201.694
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2020:2328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. Deel vermogen van erflaatster is erfenis van vader onder de last van fideicommis de residuo. Wat heeft erflaatster bedoeld te regelen met het schenken onder opschortende voorwaarde van haar overlijden van tegoeden (die onder die last vallen) op bepaalde bankrekeningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.201.694

(zaaknummer rechtbank Overijssel 182919)

arrest van 20 april 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.C. de Bakker,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.H. Hoeksma.

en

[C] ,

wonende te [B] ,

in hoger beroep opgeroepen op voet van artikel 118 Rv,

hierna: [C] ,

advocaat: mr. A.C. de Bakker,

en

[D] ,

wonende te [E] ,

in hoger beroep opgeroepen op voet van artikel 118 Rv,

hierna: [D] ,

niet verschenen,

en

1 [F] ,

hierna: [F] ,

2. [G] ,

hierna: [G] ,

3. [H] ,

hierna: [H] ,

4. [I] ,

hierna: [I] ,

wonende te [B] ,

in hoger beroep opgeroepen op voet van artikel 118 Rv,

hierna samen ook: de kleinkinderen,

advocaat: mr. A.C. de Bakker.

[appellant] , [C] , [D] en de kleinkinderen worden hierna samen ook wel de andere deelgenoten genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 17 maart 2020 een vierde tussenarrest gewezen.

1.2

Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- het proces-verbaal van getuigenverhoor op 15 oktober 2020;

- de memorie na enquête van [geïntimeerde] ;

- de antwoordmemorie na enquête van de andere deelgenoten (behoudens [D] ), met een productie;

- een journaalbericht van mr. Hoeksma van 12 januari 2021.

1.3

Vervolgens is arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Mr. Hoeksma heeft bezwaar gemaakt tegen de bij antwoordmemorie in het geding gebrachte productie (productie 11), en heeft verzocht hierop geen acht te slaan dan wel zich hierover nog te mogen uitlaten. Het hof gaat aan dit verzoek voorbij, gelet op het navolgende (rov. 2.10).

2.2

Het hof heeft in het arrest van 17 maart 2020 [geïntimeerde] toegelaten om door getuigen te bewijzen dat het de bedoeling van [geïntimeerde] en [J] was dat [J] al haar banktegoeden op het moment van haar overlijden aan [geïntimeerde] schonk, ongeacht bij welke bank deze tegoeden zouden staan (akte naar aanleiding van de comparitie van 4 september 2019).

2.3

Op 15 oktober 2020 zijn als getuigen gehoord notaris J.G.A. Kuhlmann (hierna: de notaris), [de bankmedewerker] (hierna: de bankmedewerker), [de partner] (hierna: de partner van [geïntimeerde] ), en [geïntimeerde] . Van een vijfde getuige is afgezien, en ook van tegengetuigenverhoor is afgezien.

2.4

De notaris heeft als getuige het volgende verklaard.

(…) U vraagt mij naar de schenkingsovereenkomst van [J] en of ik weet wat haar bedoeling was. Ik heb hier niet veel herinneringen aan. Ik heb wel het dossier geraadpleegd en daarin een e-mail aangetroffen die denk ik van belang is. Vooraf wellicht goed te zeggen dat ik me goed kan herinneren dat ik het destijds een lastige taak vond om die akte op te maken. Er bestond twijfel, ook bij mij destijds, hoe het nu precies zat met dat fideï-commissaire vermogen. De vraag was; mag ze nu alleen aan [geïntimeerde] schenken of moet het ook naar de rest. Toen hebben we simpel geredeneerd: dat het waarschijnlijk wel mag omdat in het testament niet staat dat dit niet mag. Ik citeer u de email van 18 oktober 2011 (aangehecht aan dit proces-verbaal). Ik heb op diezelfde dag een ontwerpakte gestuurd naar [J] . [J] heeft op 28 oktober 2011 gereageerd en dit lees ik u voor (…).

U vraagt mij of ik nog weet of wij gesproken hebben over andere bankrekeningen dan de in de akte genoemde. Ik heb wel uitvoerig met de heer [de bankmedewerker] contact gehad en wij hebben het enkel over deze bankrekeningen gehad. Ik heb concreet de bankrekeningen en de waarde genoemd omdat ik bang was dat de schenking anders niet voldoende bepaalbaar zou zijn. Als u me vraagt naar de bedoeling van [J] ; dan bedoelde zij alle bankrekeningen die zij had.

U vraagt mij naar haar beweegredenen van de schenking. Haar doel was dat al haar bezittingen naar [geïntimeerde] gingen. Ze kon over haar eigendommen niet vrijelijk beschikken in verband met het testament van de vader.

U vraagt mij of [J] nog is teruggekomen op haar bedoeling. Nee. De reden dat het proces van de akte opmaken en tekenen zo lang heeft geduurd is dat [J] ziek was. Ik heb hier een handgeschreven aantekening van (…), medewerker van mijn kantoor, en ik lees u deze voor (aangehecht aan dit proces-verbaal). De laatste aanpassing in de akte is het bedrag geweest.

U vraagt mij of de schenking al aan de orde was bij het opmaken van het testament van 2010. Ja, [J] wilde dat alles wat ze had naar [geïntimeerde] ging. Zij maakte geen onderscheid tussen het fiduciair vermogen en het privé vermogen. Dat onderscheid maakte alleen ‘die moeilijke notaris’. Ze moest wel in staat zijn om dat eenzijdig terug te trekken, want ze was bang dat ze anders te kort zou kunnen komen. Ze had weinig inkomsten meen ik me te herinneren, dus ze moest er ook van leven.

Op de vragen van mr. Hoeksma antwoord ik als volgt:

U vraagt mij naar de reden van deze schenking en vraagt mij of de relatie tussen [J] en haar zussen behalve met [geïntimeerde] slecht was. Ja dit klopt. Ik kan me niet herinneren of ze letterlijk gezegd heeft dat haar eigendommen niet naar de andere broers en zussen mochten gaan. [J] wilde dat alles, ook haar onroerende goederen, naar [geïntimeerde] gingen. Omdat de huizen zich in Spanje bevonden kon ik dat niet zelf regelen, daarvoor moest ze naar een Spaanse notaris. U vraagt mij of ik met de heer [de bankmedewerker] heb gesproken over de bedoeling van [J] . Het lijkt me aannemelijk, maar ik kan me dit niet zo herinneren. U vraagt mij of het klopt dat [geïntimeerde] bij u (hof: mij) is geweest om de schenking te aanvaarden. Dat staat in de akte, daar heeft ze een handtekening onder gezet.

Op de vragen van mr. De Bakker antwoord ik als volgt:

U zegt mij dat ik de taak heb de cliënt de akte te beleren voor passering en vraagt mij hoe ik dit heb gedaan. Ik heb haar een e-mail gestuurd met een ontwerpakte en gewezen op de gevolgen van de schenkingsovereenkomst. Deze email van 19 oktober 2011 lees ik u voor (aangehecht aan dit proces-verbaal). Ik heb haar ook gewezen op de herroepingsmogelijkheid. En ik heb haar bij het ondertekenen van de akte nogmaals uitgelegd wat er in de akte staat, dit kan ik me niet zo letterlijk herinneren, maar dit doe ik altijd.
U houdt mij voor dat ik mij heb beperkt tot de saldi van de ABN AMRO bank. Ik kan me dit niet meer herinneren. Zij wilde een rechtsgeldige schenkingsovereenkomst en daarmee wil je voldoen aan het bepaalbaarheidsvereiste. Wellicht heb ik haar gezegd dat als ze gelden overboekt naar andere rekeningen dat het dan mogelijk niet meer onder de schenking valt, maar ik kan me dat niet meer herinneren. U houdt mij voor dat ik ervoor heb gekozen de bedoeling niet in deze akte te omschrijven. Ik doe dit eigenlijk nooit, zeker niet bij schenkingen.

2.5

Uit de e-mailcorrespondentie tussen de notaris en [J] van 19 oktober 2011 en 28 oktober 2011, waarnaar de notaris in zijn verklaring verwijst en die aan het proces-verbaal is gehecht, blijkt dat de notaris de concept-schenkingsakte met uitleg over de aard van de schenking en de herroepingsmogelijkheid naar [J] heeft gestuurd. [J] heeft daarop gereageerd met (voor zover hier relevant) de mededeling dat zij het bedrag uit de akte van schenking verwijderd wil hebben en in plaats daarvan dat het zegt dat het gehele saldo van de Amro-bankrekeningen en andere bankrekeningen in haar naam bij haar overlijden naar [geïntimeerde] gaat.

2.6

De bankmedewerker heeft het volgende verklaard.

(…) U houdt mij mijn e-mail van 4 november 2010 (productie III) voor aan [J] , waarin ik haar heb geadviseerd over Estate planning. Zij bankierde bij ons kantoor in Twente. Zij had regelmatig contact met haar private banker. Dat was ik niet, maar mijn collega (…). Wanneer er behoefte was aan gespecialiseerd advies dan haalde hij mij erbij. Dan had ik met [J] contact via de telefoon en via de e-mail. Ik weet vrijwel zeker dat ik haar nooit in persoon heb ontmoet.

U vraagt mij of ik nog weet wat voor advies zij mij vroeg. Ja, ze heeft mij een brief gestuurd waarin ze dit helder uit een heeft gezet. Deze brief is van 17 oktober 2010 en ik lees u hierbij de brief voor (aangehecht aan dit proces-verbaal). Ze komt daarin met een vraag over een schenking onder opschortende voorwaarde. Ze schrijft ook haar redenen voor deze schenking in deze brief. Samengevat had dat te maken met de waardering voor het feit dat [geïntimeerde] al 14 jaar voor haar zieke moeder heeft gezorgd. En dat haar vader dat ook had gewaardeerd. De brief is ondertekend.

U houdt mij voor dat het hier vandaag over de omvang van de schenking gaat en vraagt mij of ze hier met mij over gesproken heeft. [geïntimeerde] zou haar bankvermogen krijgen. Het geval was dat [J] leefde van dit vermogen, vandaar de opschortende voorwaarde. U vraagt mij wat er wordt bedoeld met bankvermogen. Zij had effecten, beleggingen, spaarrekeningen. Het ging in ieder geval om het vermogen wat zij bij onze bank had. Ik weet niet of dat het haar ook ging om vermogen op andere rekeningnummers. We hebben hier niet zo letterlijk over gesproken. Het ging erom dat ze al haar vermogen aan [geïntimeerde] wilde schenken, met uitzondering van het huis in Spanje. Mijn indruk was wel dat ze maximaal aan [geïntimeerde] wilde schenken. Dit ontleende ik aan de brief en er ging aan nog een reminder vooraf; ze was er erg echt mee bezig die wens te realiseren. We hebben hier ook telefonisch contact over gehad, en dit zal dezelfde toonzetting gehad hebben. In totaal denk ik dat wij maximaal twee keer telefonisch contact hebben gehad. De juridische vastlegging is allemaal via een notaris verlopen.

U vraagt mij naar de aanleiding van de schenking. Ik denk dat zij destijds bezig was met het testament, en toen tegen de blokkade opliep van haar vaders testament. Vervolgens is gekeken naar de alternatieven en toen zijn wij uitgekomen bij die schenking. U vraagt mij of nog aan bod is gekomen wat er zou gebeuren met vermogen wat buiten ABN AMRO ondergebracht zou zijn. Hier hebben we niet over gesproken, het ging in onze contacten enkel over het vermogen wat bij de ABN AMRO bank stond. Ik denk niet dat zij verder nog veel had, het grootste deel van haar vermogen stond bij ABN AMRO, maar dit kan ik niet met zekerheid verklaren.


Op de vragen van mr. Hoeksma antwoord ik als volgt:

U houdt mij de e-mail voor van 4 november 2010, hoofdstuk 1, en citeert hieruit. U vraagt mij naar de zin waarin ik aangeef dat ze haar volledige vermogen aan [geïntimeerde] wilde nalaten en schenken. Dit is hoe ik haar bedoeling heb begrepen; zij wilde alles aan [geïntimeerde] nalaten en schenken.


U vraagt mij of [J] een slechte verhouding had met de familie, behalve met [geïntimeerde] ? Die indruk had ik wel. Dit vind ik een lastige vraag omdat de verhoudingen met neefjes of nichtjes wellicht weer anders waren, maar ik had wel de indruk dat de verhoudingen niet geweldig waren. De verhouding met [geïntimeerde] was heel goed. (…) Ik had wel de indruk dat de verhoudingen niet best waren, maar de term gebrouilleerd gaat wel wat ver.

Op de vragen van mr. De Bakker antwoord ik als volgt:
U vraagt mij of ik vooraf de concept versie van de notariële akte heb ingezien. Dit kan ik niet met zekerheid zeggen. Ik kan dus ook niet zeggen of ik deze inhoud vooraf heb doorgenomen met [J] . Dit proces is begeleid door notaris Kuhlmann en met dit proces heb ik me niet bemoeid.


U vraagt mij naar de e-mail van 4 november 2010, waarin ik aangeef dat de notaris een paar opmerkingen heeft gemaakt over de akte. U vraagt mij of ik nog weet welke opmerkingen er toen zijn gemaakt. Ja, dat is de brief van 10 augustus 2010, die ik van [J] heb ontvangen (aangehecht aan dit proces-verbaal). Ik lees u deze brief voor. Dat zijn denk ik de opmerkingen waar ik naar verwijs. Verder zit er nog een ander stuk bij van notaris Kuhlmann van 5 oktober 2010, dat ik ook van [J] heb ontvangen. Ik lees u dit bericht voor (aangehecht aan dit proces-verbaal). Ook dit is een opmerking die daar betrekking op heeft.

U houdt mij voor dat ik in 2010 mijn adviezen heb uitgebracht en pas in 2012 de schenkingsakte is getekend. Ik weet niet waarom dit zolang heeft geduurd. U vraagt mij of ik in 2012 nog contact heb gehad met [J] . Ik kan me dit niet herinneren en dit blijkt ook niet uit mijn dossier.

U vraagt mij of ik, in de periode dat ik betrokken ben geweest, heb uitgelegd hoe [J] de schenkingsovereenkomst had kunnen herroepen? Nee, wij hebben alleen in algemene zin over de herroepingsmogelijkheid gesproken. (…)

2.7

De brief van 10 augustus 2010 die de bankmedewerker noemt betreft een mail van de notaris aan [J] betreffende het schenken onder opschortende voorwaarde van overlijden en de herroepelijkheid daarvan. De brief van [J] aan de bankmedewerker van 17 oktober 2010, waarnaar de bankmedewerker verwijst, bevat haar persoonlijke gegevens, een opsomming van haar bezittingen - waaronder “een kapitaal bij de ABNAMRO Bank in Enschede en “een minimal bedrag voor levensonderhoud bij de Bank Santander, Santa Eulalia, Ibiza, Spanje” - en een aantal opmerkingen, onder meer over de internationale en fiscaalrechtelijke aspecten van haar vermogen en de beweegredenen van [J] . In die brief staat dat zij het afwijken van haar vaders testament ziet als een erkenning en dankbaarheid omdat “zij al 14 jaar voor mijn zieke oude moeder (89) zorgt en ik geloof mijn vader zou dat ook gewaardeerd hebben”. In zijn mail van 4 november 2010 aan [J] vat de bankmedewerker ook haar wens samen: “Je wilt het geërfde vermogen volledig ten goede laten komen aan je zus [geïntimeerde] ”. Deze stukken bevestigen wat de notaris en de bankmedewerker hebben verklaard.

2.8

De (ongehuwde en ongeregistreerde) partner van [geïntimeerde] heeft verklaard:

(…) U vraagt mij wat mij over die schenkingen destijds bekend is. Ik heb [J] leren kennen in mei 2012, via [geïntimeerde] . [J] heeft ons toen bezocht om die schenking te regelen. Zij verbleef dan s ’avonds bij ons in huis, toen in [B] . Ze was speciaal daarvoor naar Nederland gekomen, want zij woonde toen in Spanje. Ze bezocht Nederland dan ook om haar moeder te bezoeken. Die gesprekken over de schenking vonden plaats aan de eettafel, daar was ik bij aanwezig. Bijna elke avond ging het daarover, zij is 3 á 4 avonden bij ons verbleven. Ze had de wens dat haar vermogen bij [geïntimeerde] terecht kwam. Ik heb geen stukken met betrekking tot die schenking gezien destijds. Zij heeft alleen over haar vermogen gesproken, in de bewoordingen ‘alles van mij gaat naar [geïntimeerde] ’. Ze heeft het dus niet over de omvang daarvan, bankrekeningen en dergelijke gehad. Ik wist niet om welke bedragen het ging. Daar kende ik haar denk ik ook te kort voor, dat ging mij ook niet aan. Toen [J] in het najaar van 2012 voor de tweede keer in Nederland was, namelijk voor de uitvaart van haar moeder, heeft zij na de plechtigheid nog gezegd dat ze blij was dat ze het, de schenking aan [geïntimeerde] , geregeld had omdat geen van de broers en de andere zus op die uitvaart aanwezig was. Ik weet niet of ze toen de akte heeft getekend, ik weet wel dat ze samen met [geïntimeerde] notaris Kuhlmann ging bezoeken om zaken te regelen.(…)

2.9

[geïntimeerde] heeft als partijgetuige verklaard:

(…) U vraagt mij hoe ik weet dat [J] al haar tegoeden op rekeningen aan mij wilde schenken, en niet enkel de tegoeden op de ABN AMRO rekeningen. Zij heeft mij gezegd dat ze ‘alles’ aan mij wilde schenken. Hier hebben wij over gesproken na het overlijden van mijn jongste broer, [K] , en ook bij de uitvaart van mijn moeder. We hebben hier niet over gesproken waar mijn moeder bij was (…) Zij was eigenlijk toch wel bang voor haar familie in [B] , met name voor zus [D] . Haar echtgenoot was ook bang voor de twee broers en zus. Ze heeft wel eens gezegd dat mochten ze ooit op Ibiza komen, dat ze met een stok klaar zou staan. [J] was een hippie, zo zag de familie haar ook. Haar broers en zus hadden weinig contact met haar. Alleen mijn zus, [D] , heeft haar bedreigd met de dood via telefoon en e-mail. Haar echtgenoot heeft telefonisch bericht ontvangen van [D] dat ze naar Ibiza zou komen en ‘hem koud zou maken’, na het overlijden van [J] . Hier is ook melding van gemaakt bij de politie. Dit heeft [L] , de echtgenoot van [J] , mij verteld.

[J] wilde alles aan mij gegeven, mede omdat ik de zorg voor mijn moeder op me heb genomen. Ik heb dit aan mijn vader op zijn sterfbed beloofd. [J] was hier dankbaar voor omdat ze zelf mijn moeder niet kon verzorgen in verband met de afstand.

U vraagt mij in hoeverre ik betrokken ben geweest bij de totstandkoming van de akte. [J] heeft mij gevraagd mee te gaan naar (de notaris). Daar hebben wij ons eerst laten informeren en (de notaris) heeft daarbij ook zijn advies gegeven. Daarna heeft zij informatie ingewonnen bij (de bankmedewerker). Bij mijn weten is aan de hand daarvan de schenking tot stand gekomen. In 2010 heeft zij al informatie ingewonnen bij (de notaris), toen ben ik mee geweest. Bij het opstellen van het testament was ik niet aanwezig. In 2012, bij het tekenen van de schenkingsakte, ben ik wel aanwezig geweest. U vraagt mij waarom het lang duurde voor de akte werd getekend. [J] was destijds ziek, ze had darm- en maagklachten, daarvoor is ze ook opgenomen geweest. Daarom wilde ze niet graag reizen. Ik weet niets van contact wat tussendoor nog plaats zou hebben gevonden tussen [J] en (de bankmedewerker) of (de notaris).

U vraagt mij of [J] met mij heeft gesproken over de bankrekeningen. Nee, ik was destijds niet op de hoogte of er nog andere bankrekeningen waren. Ze woonden natuurlijk allang op Ibiza dus ik nam wel aan dat ze daar wel iets van een rekening voor gas, licht en water en leefgeld moest hebben. Later, na haar overlijden, kwam ik er achter dat die rekeningen er waren. Ik kan weinig zeggen over de drie rekeningen die in de akte staan. Ik weet niet wanneer ze de andere rekeningen heeft geopend. Na haar overlijden heb ik wel gezien dat ze ook andere rekeningen dan bij ABN AMRO had.

U vraagt mij of [J] nog gesproken heeft over het herroepingsrecht. Zij leefde daarvan en als ze te kort zou krijgen dan moest de schenking herroepen kunnen worden. Dit was logisch. Maar alles wat er over was, wilde zij aan mij schenken. Ik moest hierbij wel beloven dat ik haar echtgenoot goed verzorgd zou achterlaten en waar nodig zou helpen. Er lag een toelage vast, maar ook mondeling heb ik haar die belofte gedaan. In 2013 ben ik nog samen met de weduwe van mijn overleden broer op Ibiza geweest om daar zijn as uit te strooien en toen hebben wij het er destijds nog wel even over gehad; namelijk dat [J] blij was dat het zo goed geregeld was voor mij.

U vraagt mij of [J] plotseling is overleden. Ja, ze heeft een hartstilstand gehad.

Op de vragen van mr. Hoeksma antwoord ik als volgt:

U houdt mij voor dat ik stel veelvuldig met [J] gesproken te hebben over de schenking, en vraagt mij of er ooit één keer is gezegd dat er een beperking zou gelden, namelijk alleen de gelden die bij de ABN AMRO stonden. Nee, hier is nooit over gesproken. Ook niet door (de notaris). Haar wens was om mij alles te schenken, haar complete vermogen. Ze heeft dat nog eens bekrachtigd in een Spaans testament.

U houdt mij voor dat ik heb verteld dat [J] , ook al ging ze door het leven als hippie, ze heel secuur en accuraat was bij haar hebben en houwen. Ja, ze wilde graag zekerheid en daarom heeft ze alles zo laten vastleggen. Die zekerheid gold voor haar levensonderhoud, maar ook voor wat er na haar dood met haar vermogen moest gebeuren.


U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat [J] destijds, in 2010, dit onderwerp heeft aangesneden en dat op papier wilde zetten, en dat ik toen heb aangegeven dat dit ook later kon. Ze was daar heel resoluut in, ze wilde perse dat dit werd vastgelegd. Dat was na het overlijden van mijn broer, zij zei op mijn opmerking dat wij nog zo jong waren: ‘Het kan zo gebeurd zijn’.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard gedurende deze procedure contact te hebben opgenomen met (de notaris) en vraagt mij wat hij mij toen gezegd heeft. Hij vond het jammer dat de wens van [J] op deze wijze niet gerespecteerd zou worden. Dat was spijtig, zei hij. Hij bedoelde hiermee dat [J] alles in het werk had gesteld om alles te regelen en dat het nu dan toch zo verloopt.

Op de vragen van mr. De Bakker antwoord ik als volgt:

U vraagt mij of ik het concept vooraf heb ontvangen van de notaris. Nee dit heb ik niet ontvangen. U vraagt mij of ik weet of [J] dit concept vooraf heeft ontvangen. Ik neem aan van wel maar met zekerheid kan ik dit niet zeggen.

U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik ben mee geweest met het tekenen van de schenkingsakte, en vraagt mij of de notaris de akte toen nog heeft uitgelegd. Ja, de notaris heeft ons toen nog de akte voorgelezen. U vraagt mij of wij nog vragen hadden. Nee, het was ons duidelijk. U vraagt mij of [J] op dat moment in staat was om te kunnen begrijpen wat er gebeurde. Ja zeker.

U houdt mij voor dat we uit het dossier weten dat na het passeren van de akte er bedragen zijn overgeboekt naar andere rekeningen. Ik was daar niet van op de hoogte, zij hoefde daar ook geen verantwoording voor af te leggen. Ik kan niet verklaren waarom ze dit heeft gedaan.

2.10

Uit de verklaringen van de notaris en de bankmedewerker, en uit de correspondentie waarnaar zij verwijzen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat het de bedoeling van [J] was dat na haar overlijden al haar vermogen naar [geïntimeerde] zou gaan, inclusief het fiduciaire vermogen (ook wel genoemd fideicommissair vermogen) voor zover dat mogelijk was. Ook de verklaringen van [geïntimeerde] en haar partner onderschrijven dat het de bedoeling van [J] was dat alles naar [geïntimeerde] zou gaan. [appellant] , [C] , en de kleinkinderen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zelf ook getuigen te laten horen. Als productie 11 bij de memorie na enquête hebben zij alleen een ongedateerde en niet ondertekende reactie overgelegd van [M] en [C] op de getuigenverklaring van [geïntimeerde] ten aanzien van de familieverhoudingen, op de brief van [J] aan de bankmedewerker van 17 oktober 2020 en enkele opmerkingen over het bestedingspatroon van [J] . Het hof ziet in de inhoud van deze reactie geen aanleiding om te twijfelen aan de bedoeling van [J] zoals deze uit de verklaringen van met name de notaris en de bankmedewerker, en hun correspondentie met [J] duidelijk naar voren komt. [geïntimeerde] is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs.

2.11

In de antwoordmemorie na enquête voeren [appellant] , [C] en de kleinkinderen voorts argumenten aan met betrekking tot de vraag of de bedoeling van het testament nader moet worden uitgelegd. Het hof heeft echter die vraag al in het tussenarrest van 17 maart beantwoord, en ziet geen aanleiding om daarop terug te komen. Voor zover zij los van de getuigenverklaringen nog nieuwe argumenten op dat punt aanvoeren geldt dat alle argumenten/grieven bij het eerste stuk in hoger beroep moeten worden ingebracht, en voor zover dat toen niet gedaan is, het nu daarvoor te laat is.

2.12

Het hof heeft in het tussenarrest van 17 maart 2020 al overwogen dat, indien [geïntimeerde] slaagt in het bewijs, de fideicommissaire nalatenschap bestaat uit de banktegoeden die in overweging 2.11 onder b-k van dat arrest zijn opgesomd, met een totaal van € 239.418,12. De schuld die voortvloeit uit de schuldigerkenning uit vrijgevigheid van

24 mei 2012 is dan ook € 239.418,12, zodat het saldo van de fideicommissaire nalatenschap nul is. Het hof zal dan ook de verdeling vaststellen door de banktegoeden toe te delen aan [geïntimeerde] onder de verplichting de schuld uit de schuldigerkenning over te nemen onder vrijwaring van de andere deelgenoten.

2.13

Omdat [appellant] , [C] en de kleinkinderen in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof hen veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

3.1

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) van 7 september 2016;

3.2

stelt de verdeling van de fideicommissaire nalatenschap vast en deelt de volgende banktegoeden toe aan [geïntimeerde] :

- een bankrekening bij Deutsche Bank (Spanje) [00000] saldo op 26 september 2014 € 28.646,24

- een deposito bij Deutsche Bank (Spanje) [00001] saldo op 26 september 2014 € 25.000

- een effectenrekening bij Deutsche Bank (Spanje) [00002] waarde op 26 september 2014 € 102.476

- een rekening bij Banco Santander (Spanje) [00003] saldo op 17 juni 2014 € 2.298,18

- een rekening bij Banca March (Spanje) [00004] saldo op 16 oktober 2014 € 1.058,25

- een rekening bij Banca March (Spanje) [00005] saldo op 16 oktober 2014 € 50.000

- een betaalrekening bij ABN AMRO Bank [00006] saldo op 8 juli 2014 € 250

- een kapitaalmarktindex rekening bij ABN AMRO Bank saldo op 8 juli 2014 € 676,90

- direct kwartaal sparen bij ABN AMRO Bank [00007] saldo € 152,14

- een vermogensspaarrekening bij ABN AMRO Bank [00008] saldo op 8 juli 2014 € 28.860,41,

aldus van een totaal van € 239.418,12, onder de verplichting de schuld uit de schuldigerkenning ter zake van schenking ter waarde van dat zelfde bedrag over te nemen onder vrijwaring van de andere deelgenoten;

3.3

veroordeelt [appellant] , [C] en de kleinkinderen in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 763,- aan verschotten (€ 718,- voor griffierecht en € 45 getuigentaxe) en op € 12.186,- (6 punten tarief IV) voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, aldus totaal € 12.949,-;

3.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en R.E. Brinkman en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 april 2021.