Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3773

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
11-08-2022
Zaaknummer
200.282.325
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz, vervolg op HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213

Beroep werkgever op buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog werknemer bij aangaan arbeidsovereenkomst slaagt. De gevolgen daarvan voor de op grond van de arbeidsovereenkomst verrichte prestaties worden in dit geval beheerst door het bepaalde in de artikelen 6:203 en 6:210 BW over onverschuldigde betaling. ‘Werkgever’ is door de prestatie van ‘werknemer’ niet verrijkt en ‘werknemer’ wordt veroordeeld tot terugbetaling van het netto loon.

Artt. 3:44, 3:53, 6:203 en 6:210 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0921
JAR 2022/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.282.325

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, 334055

zaaknummer gerechtshof ’s-Hertogenbosch 200.237.215

zaaknummer Hoge Raad 18/04977)

beschikking van 19 april 2021

in de door de Hoge Raad naar dit hof verwezen zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,

hierna: [verzoekster],

advocaat: mr. K.J. Breedijk,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats1] ,

verweerder in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoeker, tevens verweerder in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,

hierna: [verweerder],

procederend in persoon.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de tussenbeschikking van 25 januari 2021 van dit hof.

2
2. De verdere beoordeling in hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad


De procedure bij het hof Arnhem-Leeuwarden

2.1

Deze procedure is het vervolg op een uitspraak van de Hoge Raad van 7 februari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:213). [verweerder] is bij voormelde tussenbeschikking van 25 januari 2021 van dit hof in de gelegenheid gesteld om zijn verweer zoals hij dat op de zitting (formeel genaamd: mondelinge behandeling) van 11 december 2020 bij dit hof heeft gevoerd, met een schriftelijke toelichting aan te vullen uiterlijk op 8 februari 2021. [verweerder] heeft dit niet gedaan.

De beslissing

2.2

Het hof zal [verweerder] veroordelen tot terugbetaling van het aan hem door [verzoekster] betaalde nettoloon van € 16.819,98 en hem veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof legt deze beslissing hierna uit.

Kern van het geschil

2.3

Samengevat gaat de zaak om het volgende. In november 2016 heeft [verweerder] onder bijvoeging van zijn CV gesolliciteerd naar de functie van Psychotherapeut bij [verzoekster] . [verzoekster] heeft vervolgens aan [verweerder] verzocht om ook te solliciteren op de functie van Directeur Zorg. [verweerder] is bij aandeelhoudersbesluit van 1 december 2016 met ingang van 1 januari 2017 benoemd tot statutair bestuurder van [verzoekster] Psychologie Beheer B.V. (hierna: [verzoekster] Beheer), de bestuurder en aandeelhouder van [verzoekster] . Op 9 januari 2017 is [verweerder] als Directeur Zorg voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [verzoekster] op basis van een op 5 december 2016 tussen [verzoekster] en [verweerder] gesloten arbeidsovereenkomst. Onder meer heeft hij werkzaamheden verricht als psychotherapeut.

2.4

Bij [verzoekster] is het vermoeden ontstaan dat [verweerder] onjuiste informatie over zijn werkervaring, door hem gevolgde opleidingen en zijn lidmaatschap van diverse verenigingen in zijn CV heeft vermeld toen hij solliciteerde naar de functie van statutair directeur. Omdat daardoor een vertrouwensbreuk is ontstaan heeft [verzoekster] Beheer in een algemene vergadering van aandeelhouders van 2 juni 2017 [verweerder] ontslagen als directeur. [verzoekster] is bevestigd in haar vermoeden doordat een door [verweerder] in zijn CV genoemde oud-werkgever meedeelde dat [verweerder] daar niet heeft gewerkt en door mededelingen van enkele verenigingen en opleidingsinstituten.

2.5

In een niet in de procedure overgelegde e-mail van 28 juli 2017 heeft de advocaat van [verzoekster] Beheer en [verzoekster] het aandeelhoudersbesluit van 1 december 2016 en de arbeidsovereenkomst met [verweerder] vernietigd wegens bedrog en het aan [verweerder] betaalde salaris teruggevorderd.

2.6

Bij openbaar gemaakt besluit van 20 maart 2018 heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna IGJ) [verweerder] een aanwijzing gegeven. Die komt kort gezegd hierop neer dat [verweerder] per 20 maart 2018 geen functies mag vervullen waarbij hij individuele zorg aan patiënten biedt en waarvoor een BIG-registratie als GZ-psycholoog, als psychotherapeut of als klinisch psycholoog is vereist. In een brief van 20 maart 2018 van IGJ aan [verweerder] wordt vermeld dat gebleken is dat [verweerder] nooit in het BIG-register ingeschreven is geweest en dat hij in ten minste vier sollicitatieprocedures aan zorgaanbieders onjuiste informatie heeft verschaft over werkervaring, opleidingen en BIG-registraties.

2.7

[verzoekster] heeft in rechte onder meer verzocht om [verweerder] te veroordelen het aan hem betaalde nettoloon over de periode van januari tot en met mei 2017 ter hoogte van € 16.819,98 aan haar terug te betalen op grond van onverschuldigde betaling. De rechtbank heeft dit verzoek van [verzoekster] afgewezen omdat buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst alleen mogelijk is als de arbeidsovereenkomst na ontdekking van het bedrog geheel nutteloos blijkt te zijn. In hoger beroep is nog slechts het verzoek van [verzoekster] tot terugbetaling van het salaris aan de orde. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft de bestreden beschikking bekrachtigd (Hof ’s-Hertogenbosch 30 augustus 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3640). Daartoe heeft het onder meer overwogen dat op grond van de vaststaande feiten geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat sprake is van bedrog van de zijde van [verweerder] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst maar dat niet vast staat dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is geweest. [verzoekster] is in cassatie gegaan van deze beschikking en [verweerder] is voorwaardelijk incidenteel in cassatie gegaan.

2.8

Voor zover van belang voor de beoordeling van de verwezen zaak heeft De Hoge Raad in cassatie overwogen:

‘Indien een werknemer een werkgever ertoe beweegt een arbeidsovereenkomst tot stand te doen komen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep, is bedrog aanwezig en kan de werkgever zich beroepen op de (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst. In een dergelijk geval beschermt art. 3:44 lid 3 in verbinding met lid 1 BW de werkgever tegen de gevolgen van de onredelijke invloed die de werknemer heeft uitgeoefend op de wil van de werkgever. Het wettelijk stelsel van het ontslagrecht staat daaraan niet in de weg, omdat dat niet strekt tot bescherming van een werknemer die bedrog pleegt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

Daarbij verdient opmerking dat a) de rechter ingevolge art. 3:53 lid 2 BW desgevraagd aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking kan ontzeggen als de reeds ingetreden gevolgen van de arbeidsovereenkomst bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, en b) de in geval van vernietiging toepasselijke afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW(…) ertoe strekt de wederzijdse verplichtingen tot ongedaanmaking van hetgeen onverschuldigd is betaald, toe te snijden op de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.’

2.9

Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat uit artikel 3:44 lid 3 BW niet de eis volgt dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, zodat het kunnen slagen van een beroep op (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog daarvan niet afhankelijk mag worden gesteld. Indien de arbeidsovereenkomst voordeel heeft opgeleverd voor de werkgever, kan daarmee rekening worden gehouden bij de toepassing van artikel 3:53 lid 2 BW en van de regeling vervat in de afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW, aldus nog steeds de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft vervolgens de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

2.10

In het hoger beroep luidt grief 3 van [verzoekster] : “Ten onrechte komt de rechtbank tot het oordeel dat een arbeidsovereenkomst – zoals in het onderhavige geval – niet door een buitengerechtelijke vernietiging kan eindigen, omdat dit in strijd is met het systeem van de wet.”

Uit de beschikking van de Hoge Raad, zoals hiervoor aangehaald, volgt dat deze grief van [verzoekster] slaagt.

2.11

Omdat de beschikking van hof Den Bosch is vernietigd moet dit hof met inachtneming van de beschikking van de Hoge Raad beoordelen:

1) of [verzoekster] beroep op (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog slaagt, en zo ja,

2) wat dit betekent voor de reeds ingetreden gevolgen van de arbeidsovereenkomst.

Ad 1):Het beroep op buitengerechtelijke vernietiging wegens bedrog slaagt

2.12

Het hof legt hierna uit waarom [verzoekster] beroep op buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog slaagt.

2.13

Uit de hiervoor vermelde samenvatting van de zaak en de in de vernietigde beschikking van hof ’s-Hertogenbosch onder 3 vermelde vaststaande feiten, die dit hof eveneens als vaststaande feiten aanmerkt, volgt dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat sprake is van bedrog van de zijde van [verweerder] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft [verzoekster] willens en wetens en in strijd met de waarheid in de veronderstelling gebracht dat hij een BIG-registratie heeft (gehad), dat hij een basisopleiding en opleiding tot supervisor bij de Vereniging EMDR Nederland heeft gevolgd, dat hij lid is van de Vereniging voor Gedrags- en Cognitieve therapieën (VGCt) en dat hij als manager zorg/klinisch psycholoog/psychotherapeut heeft gewerkt bij GGZ Delfland/Leiden. Door deze onjuiste mededelingen in zijn CV heeft [verweerder] [verzoekster] bewogen tot het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

2.14

Artikel 3:49 BW bepaalt dat vernietiging van een vernietigbare rechtshandeling kan plaatsvinden door een buitengerechtelijke verklaring.

Het hof oordeelt dat [verzoekster] zo’n buitengerechtelijke verklaring heeft gedaan. [verweerder] heeft redelijkerwijs moeten begrijpen dat de verklaring tot buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] afkomstig was en tot hem gericht. [verweerder] heeft dit betwist, maar voor zover [verweerder] dit al niet moest begrijpen uit de hiervoor vermelde e-mail van 28 juli 2017 dan moet hem dat in ieder geval duidelijk zijn geworden door de brief van 27 juni 2018 waarin [verzoekster] , na kennisneming van de onder 2.6 bedoelde informatie, de arbeidsovereenkomst wegens bedrog heeft vernietigd voor zover dat niet reeds rechtsgeldig is gebeurd. Deze brief is door [verzoekster] overgelegd in het hoger beroep en onvoldoende bestreden door [verweerder] . Enkel heeft hij op dat punt betoogd dat de arbeidsovereenkomst niet geheel nutteloos is geworden maar dat betoog is na de beschikking van de Hoge Raad niet langer relevant (zie 2.9).

Ad 2): De reeds ingetreden gevolgen van de arbeidsovereenkomst

2.15

De vraag is wat de gevolgen zijn van de buitengerechtelijke vernietiging voor de reeds verrichte prestaties op grond van de arbeidsovereenkomst. De in de beschikking van de Hoge Raad genoemde wettelijke bepalingen zijn daarbij van belang.

Artikel 3:53 lid 1 BW bepaalt dat de vernietiging terugwerkt tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. En lid 2 van dit artikel bepaalt dat de rechter desgevraagd geheel of ten dele aan een vernietiging de werking kan ontzeggen indien de reeds ingetreden gevolgen van de rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden.

Titel 4, afdeling 2 van Boek 6 BW bevat bepalingen over onverschuldigde betaling. De artikelen 6:203 (leden 1 en 3) en 6:210 lid 2 BW van die afdeling bepalen dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Als het gaat om een prestatie van een andere aard dan de betaling van een geldsom heeft degene die die prestatie heeft verricht jegens de ontvanger recht op ongedaanmaking daarvan.

Als de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt, voor zover dit redelijk is, vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst daarvoor in de plaats: (i) indien de ontvanger door de prestatie is verrijkt, (ii) indien het aan hem is toe te rekenen dat de prestatie is verricht of (iii) indien hij erin had toegestemd een tegenprestatie te verrichten.

2.16

Voor de op grond van de arbeidsovereenkomst verrichte prestaties geldt in dit geval het volgende.

[verzoekster] heeft aan [verweerder] loon betaald en zij verzoekt in deze procedure te bepalen dat zij dit netto loon onverschuldigd aan [verweerder] heeft voldaan. Deze prestatie van [verzoekster] is op geld waardeerbaar en daarmee jegens haar door [verweerder] ongedaan te maken door terugbetaling van een gelijk (netto loon)bedrag (zie artikel 6:203, leden 1 en 2 BW). [verzoekster] heeft overigens desgevraagd verklaard dat zij geen schade (meer) heeft als gevolg van afdracht van sociale premies en pensioenpremie.

2.17

De aard van de door [verweerder] geleverde feitelijke prestatie, te weten het beschikbaar stellen van zijn arbeidskracht, brengt met zich dat deze prestatie onmogelijk ongedaan is te maken. Voor zover in de stellingen van [verweerder] gelezen moet worden dat hij bepleit aan de vernietiging wegens bedrog de werking te ontzeggen, stuit dat reeds af op deze onmogelijkheid, hetgeen iets anders is dan ‘bezwaarlijk’. Dit betekent dat artikel 3:53 lid 2 BW niet aan de orde is, zodat aan de vernietiging niet de werking kan worden ontzegd. Maar bovenal zou het hof in dit geval ook geen reden hebben gezien om ten nadele van [verzoekster] de terugwerkende kracht van vernietiging te beperken of ontzeggen.

Wel geldt voor de prestatie van [verweerder] het bepaalde in de artikelen 6:203 leden 1 en 3 en 6:210 lid 2 BW.

De situaties van artikel 6:210 lid 2 BW als genoemd onder 2.15 onder (ii) en (iii) doen zich niet voor, nu sprake is van bedrog van de zijde van [verweerder] en van een toerekenen van of instemmen met zijn arbeidsprestatie daarmee niet aan de orde is. Kernvraag is daarom of [verzoekster] door de prestatie is verrijkt (i).

Het hof komt tot de conclusie dat [verzoekster] door de prestatie van [verweerder] niet is verrijkt. Het baseert dit op het volgende.

- BIG-registratie

2.18

Op zichzelf heeft [verweerder] tijd beschikbaar gesteld aan [verzoekster] en zich ingezet voor [verzoekster] , maar [verzoekster] had in de vacaturetekst voor de door [verweerder] vervulde functie een bijzondere kwaliteit gevraagd, die [verweerder] wel aan [verzoekster] heeft voorgespiegeld, maar die hij niet bleek te hebben. [verweerder] heeft in eerste instantie gesolliciteerd op de functie van Psychotherapeut en daarna, op uitnodiging van [verzoekster] , op de functie van Directeur Zorg. Beide functies vereisen een BIG-registratie. De beroepen van psychotherapeut, gezondheidszorg psycholoog en klinisch psycholoog zijn beschermd op grond van de Wet BIG. Het vereiste van een BIG-registratie voor deze functies volgt ook uit de brief van 20 maart 2018 van IGJ. Op pagina 8 daarvan wordt vermeld dat voor zowel de functie van Directeur Zorg als voor de functie van Klinisch Psycholoog een BIG-registratie is vereist omdat deze functies de rol van regiebehandelaar omvatten.

2.19

[verweerder] heeft op de zitting bij het hof aangevoerd dat hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst aan [verzoekster] heeft meegedeeld dat hij niet over een BIG-registratie beschikte en via een andere manier dan het volgen van een opleiding zijn BIG-registratie zou organiseren. [verzoekster] heeft daarover op zitting aangedragen dat zij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst wist dat [verweerder] niet over een actuele BIG-registratie beschikte. Volgens [verzoekster] had [verweerder] daarover gezegd dat hij zo’n registratie wel had gehad maar dat er iets verkeerd was gegaan in de verlenging van de registratie. Omdat dit wel vaker gebeurde was dit een plausibel verhaal volgens [verzoekster] .

Op grond van de onvoldoende gemotiveerd betwiste brief van IGJ gaat het hof ervan uit dat [verweerder] nooit een BIG-registratie heeft gehad. Niet is dan ook gebleken dat [verweerder] die registratie op een andere manier dan via het volgen van een opleiding zou kunnen verkrijgen. In het verlengde daarvan heeft [verweerder] eveneens onvoldoende onderbouwd dat hij gelet op zijn ervaring een traject voor verlenging van de registratie kon doorlopen. Daarvoor is immers minst genomen vereist dat hij eerder geregistreerd is geweest en dat hij de daarvoor vereiste opleiding heeft gevolgd. Dat laatste is in deze procedure niet gebleken.

2.20

[verzoekster] heeft gesteld dat het gevolg van het ontbreken van iedere BIG-registratie is geweest dat de door [verweerder] uitgevoerde behandelingen van cliënten van [verzoekster] niet adequaat zijn geweest en grotendeels door andere beroepsbeoefenaars opnieuw moesten worden gestart. Voor het hof staat vast dat [verweerder] de behandelingen, voor zover ze zijn doorgegaan, onbevoegd heeft gegeven en dat die behandelingen door [verzoekster] opnieuw gedaan moesten worden. Voorts stelt [verzoekster] dat zij de door [verweerder] als psychotherapeut verrichte handelingen niet in rekening heeft kunnen brengen. [verweerder] heeft de door [verzoekster] gestelde gevolgen niet betwist.

Dat [verweerder] maar voor een klein deel van zijn werkzaamheden een BIG-registratie nodig zou hebben omdat zijn werkzaamheden met name waren gericht op het managen van de zorg, zoals hij op zitting bij het hof heeft aangevoerd, doet aan het vorenstaande niet af. Voor dat kleine deel was de BIG-registratie immers wel een onvoorwaardelijk vereiste. Datzelfde geldt voor het verweer van [verweerder] dat hij in de paar maanden dat hij in dienst is geweest maar een paar diensten heeft uitgevoerd.

- Vereniging EMDR Nederland

2.21

Verder is gebleken dat [verweerder] in strijd met de waarheid op zijn CV heeft vermeld dat hij de basisopleiding en de opleiding tot supervisor bij de Vereniging EMDR Nederland heeft gevolgd. [verzoekster] is hierop afgegaan maar [verweerder] bleek die opleidingen helemaal niet te hebben gevolgd. Dat hij kennelijk bij het Nederlands EMDR Instituut in 2006 een training heeft gevolgd, zoals lijkt te volgen uit bijlage 1 van het verweerschrift van [verweerder] in hoger beroep, doet daar niet aan af. Een enkele training is immers niet vergelijkbaar met een basisopleiding en een vervolgopleiding tot supervisor EMDR. Dat [verweerder] op het vlak van EMDR therapie, welke [verzoekster] naar eigen zeggen hanteert bij traumaverwerking, een (op geld waardeerbare) bijdrage heeft kunnen leveren valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, dan ook niet in te zien gelet op het gebrek aan de daarvoor vereiste kwalificaties.

- Visiedocument en managen van de zorg

2.22

[verweerder] heeft aangevoerd dat hij op grond van de arbeidsovereenkomst met name gericht is geweest op het managen van de zorg. [verweerder] heeft op zitting bij het hof daarover verklaard dat hij ervoor heeft gezorgd dat een aantal teams ging draaien en functioneel ging communiceren met het management. Verder heeft [verweerder] naar de inhoud van de documenten van [verzoekster] gekeken die de basis moesten vormen voor een door hem op te stellen visiedocument, met de verschillende teams contact gehad over wat de staat daarvan was en vervolgens met de teams en de directie gekeken waar [verzoekster] staat en waar het naar toe moet. In dat verband heeft [verweerder] ook veel aandacht besteed aan de reuring in de teams, aldus nog steeds [verweerder] .

[verzoekster] heeft op de zitting bij het hof het volgende uiteengezet. [verweerder] was niet zozeer manager maar directielid en in die hoedanigheid moest hij zich bezighouden met het spanningsveld dat bestond tussen de zelfstandige professionals en de organisatie alsook met het maken van een visiedocument ten behoeve van certificering. Weliswaar hebben therapeuten teruggekoppeld dat zij het fijn vonden dat [verweerder] hen hielp, maar zij hebben daarbij vertrouwd op zijn deskundigheid en die bleek hij niet te hebben. Toen zij daar bij het vertrek van [verweerder] achter kwamen heeft dat niet bijgedragen aan de werksfeer. Het door [verweerder] gemaakte visiedocument heeft uit niet meer bestaan dan knip- en plakwerk uit de door haar aangeleverde documenten die bedoeld waren als leeswerk en was als visiedocument niet bruikbaar, aldus nog steeds [verzoekster] .

2.23

Het hof stelt vast dat niet ter discussie staat dat [verweerder] tijd en aandacht heeft besteed aan reuring in verschillende teams van de organisatie. Volgens [verzoekster] heeft [verweerder] met een aantal therapeuten ook gesprekken gehad over hoe ze met cliënten om moesten gaan, waarbij de therapeuten aan [verzoekster] terugkoppelden dat ze het fijn vonden om er met [verweerder] over te praten en dat het hen hielp. Toch kan dit niet leiden tot de conclusie dat [verzoekster] door deze prestatie is verrijkt omdat de betreffende therapeuten en teams er bij die gesprekken van zijn uitgegaan dat [verweerder] de door hem voorgewende opleiding en ervaring had en zij dus uitgingen van zijn gezag op dat gebied, maar [verweerder] miste nu juist die statuur. [verzoekster] heeft onbetwist aangevoerd dat dit in de organisatie spanning heeft opgeleverd toen de therapeuten hier achter kwamen na het vertrek van [verweerder] . Zo de door [verweerder] gevoerde gesprekken al tot enig op geld waardeerbaar effect hebben geleid, is dat met deze ontwikkeling teniet gedaan.

2.24

In het licht van de stelling van [verzoekster] dat het visiedocument uit niet meer heeft bestaan dan knip- en plakwerk, had het op de weg van [verweerder] gelegen om nader te onderbouwen dat en/of hoe hij de bij de behandelaars opgehaalde informatie met de door [verzoekster] aangereikte informatie heeft gecombineerd en tot een visiedocument heeft verwerkt. Dit heeft [verweerder] nagelaten. Het hof houdt het er daarom voor dat het visiedocument geen toegevoegde waarde heeft voor [verzoekster] en dat [verzoekster] niet is verrijkt door de inspanningen van [verweerder] met betrekking tot vervaardiging van dat document.

Conclusie

2.25

Het hof komt tot de conclusie dat het bedrog geheel en al in het domein van [verweerder] ligt. Voor zover zijn werkzaamheden op het moment waarop hij deze verrichtte enige positieve waarde voor [verzoekster] hadden, is die waarde omgeslagen in het tegendeel toen bleek dat [verweerder] ten onrechte professioneel vertrouwen had genoten. [verweerder] heeft ook niet duidelijk kunnen maken dat [verzoekster] per saldo door zijn prestatie is verrijkt. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:210 lid 2 BW, zodat geen vergoedingsplicht voor [verzoekster] bestaat. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekster] om [verweerder] uit hoofde van onverschuldigde betaling te veroordelen tot terugbetaling van het netto loon van € 16.819,98 kan worden toegewezen.

Met het slagen van grief 3, dat leidt tot toewijzing van dit verzoek van [verzoekster] , is het belang ontvallen aan een behandeling van de overige grieven. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.

3 De slotsom

Grief 3 slaagt en de overige grieven blijven buiten behandeling. De bestreden beschikking in eerste aanleg zal, voor zover het de beslissing in het tegenverzoek betreft, worden vernietigd, behoudens de proceskostenveroordeling. [verzoekster] is in het tegenverzoek in de proceskosten veroordeeld, welke kosten zijn begroot op nihil en [verzoekster] is hiertegen in hoger beroep niet opgekomen. [verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot terugbetaling van het netto loon en zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente als verzocht. De kosten worden in hoger beroep inclusief de procedure bij het hof ’s-Hertogenbosch aan de zijde van [verzoekster] als volgt vastgesteld:

€ 726,- griffierecht

€ 4.376,- salaris advocaat (twee punten tarief II vóór 1 februari 2021 en twee punten tarief II na 1 februari 2021).

4 De beslissing

Het hof, beschikt in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van 12 januari 2018 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, handelsrecht, locatie Breda voor zover het de beslissing in het tegenverzoek betreft en met uitzondering van de proceskostenveroordeling in het tegenverzoek;

en beslist opnieuw:

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen het bedrag van € 16.819,98;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 726,- aan griffierecht en € € 4.376,- salaris advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van voldoening daarvan;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Hoogland, M.E.L. Fikkers en A.E.F. Hillen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.