Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3724

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.259.755/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dwangsom. Artikel 7:24 Awb. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de beslistermijn bij een te laat ingesteld beroep aanvangt op de datum dat het beroepschrift is ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.259.755/01

CJIB-nummer

: 210547963

Uitspraak d.d.

: 16 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:

- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-

- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.

Van geen van deze situaties is hier sprake. De officier van justitie heeft de inleidende beschikking vernietigd. Het beroep dient in beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat hij niet is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. De gemachtigde betoogt dat, nu er sprake is van een schending van het in artikel 12, eerste lid, van de Wahv vervatte beginsel van hoor en wederhoor, de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden.

3. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de betrokkene en diens gemachtigde niet op de openbare zitting zijn verschenen. Bij de stukken bevindt zich een aan de gemachtigde geadresseerde brief van 18 maart 2019, waarin de griffier van de rechtbank hem uitnodigt om op de zitting van 18 april 2019 te verschijnen. Niet blijkt echter dat deze brief daadwerkelijk is verzonden.

4. De rechtbank beschikt niet over een deugdelijke verzendadministratie. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de gemachtigde niet op de juiste wijze is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daarmee is het recht op toegang tot de rechter geschonden, wat het buiten toepassing laten van het appelverbod rechtvaardigt (vergelijk het arrest van het hof van 12 juli 2018, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2018:6402. Het hoger beroep van de betrokkene is dan ook ontvankelijk.

5. De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd wegens schending van artikel 12, eerste lid, van de Wahv. In beginsel dient het hof de betrokkene en de gemachtigde in de gelegenheid stellen om te worden gehoord op een nader te bepalen zitting van het hof, alvorens op het beroep te beslissen. Nu de gemachtigde heeft aangegeven dat een zitting bij het hof achterwege kan blijven, zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

6. De officier van justitie heeft bij de bestreden beslissing van 14 mei 2018 bepaald dat geen dwangsom verschuldigd is, omdat de door de gemachtigde verzonden ingebrekestelling prematuur was. De beslistermijn was nog niet verstreken.

7. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat niet tijdig is beslist op het administratief beroep. De inleidende beschikking is op 13 september 2017 verzonden, het administratief beroep is op 20 oktober 2017 geüpload in het zaaksysteem van de gemachtigde en op 21 oktober 2017 per post met ontvangstbewijs verzonden. Uit informatie van PostNL blijkt dat de zending op 24 oktober 2017 is afgeleverd bij de CVOM. De officier van justitie diende derhalve uiterlijk op 14 februari 2018 te beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Op 15 februari 2018 heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke heeft gesteld. Dit was dus niet prematuur. De officier van justitie heeft een dwangsom verbeurd. De officier van justitie dient indien hij de ontvangst van het administratief beroepschrift van 20 oktober 2017 betwist, de op 21 oktober 2017 verzonden enveloppe te verstrekken, aldus de gemachtigde.

8. Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) houdt, voor zover van belang, in:

“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”

9. Artikel 7:24 van de Awb houdt, voor zover hier van belang, in:

“1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. (…)

3. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

4. Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen. (…)”

10. Uit het dossier blijkt het volgende.
De inleidende beschikking is op 13 september 2017 verzonden aan de betrokkene.
Op 28 november 2017 is een eerste aanmaning verstuurd en op 5 december 2017 is de inleidende beschikking nogmaals verzonden aan de betrokkene.
Bij de stukken bevindt zich een administratief beroepschrift, voorzien van de datum 20 oktober. Dit beroepschrift is als bijlage gevoegd bij een brief van 8 december 2017 van de gemachtigde, die blijkens het geplaatste stempel op 14 december 2017 door de CVOM is ontvangen.

Bij brief van 15 februari 2018 heeft de gemachtigde de CVOM een ingebrekestelling gestuurd. Deze brief is op 16 februari 2018 door de CVOM ontvangen.

Bij brieven van 12 april 2018 en 19 april 2018 heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht een dwangsom vast te stellen wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep. Deze brieven zijn op respectievelijk 13 en 23 april 2018 ontvangen door de CVOM.

Bij brief van 7 mei 2018 heeft de officier van justitie de beslistermijn met tien weken verlengd.

Bij beslissing van 14 mei 2018 heeft de officier van justitie bepaald dat geen dwangsom verschuldigd is.

Bij beslissing op het administratief beroep van 18 mei 2018 heeft de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigd.

11. De stukken van het geding houden niets in waaruit zou kunnen blijken dat op of kort na 20 oktober 2017 een beroepschrift van de gemachtigde is ontvangen. Het hof stelt verder vast dat zich bij de door de gemachtigde overgelegde brief van 8 december 2017 een brief van 20 oktober (het hof begrijpt: 2017) bevindt. Deze brief is gericht aan de CVOM, Postbus 50.000, 3503 MJ Utrecht, met als onderwerp: voorlopige gronden, en referentienummer: 210547963. Daarnaast zijn stukken bijgevoegd waaruit blijkt dat er op 21 oktober 2017 een brievenbuspakje, met barcode [nummer] , met een gewicht van 278 gram, bij PostNL is aangeboden dat op 24 oktober 2017 bij de CVOM is bezorgd. Tot slot is bijgevoegd een afdruk van (kennelijk) het zaaksysteem van de gemachtigde, waarin onder de naam van de betrokkene enkele documenten worden vermeld, met daarachter de datum waarin het document laatstelijk is gewijzigd. In deze lijst staat onder meer vermeld dat er een pro forma administratief beroep (PDF en Word-versie) is dat voor het laatst is gewijzigd op 23 oktober 2017, dat er een verzendbewijs is dat voor het laatst is gewijzigd op 1 december 2017 en een PDF ‘verzonden naar CVOM’ van 20 oktober 2017.

12. Naar het oordeel van het hof is op grond van de inhoud van de door de gemachtigde overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk geworden dat verzending van het administratief beroepschrift van 20 oktober 2017 aan de CVOM heeft plaatsgevonden. Uit hetgeen de gemachtigde heeft overgelegd valt niet meer af te leiden dan dat de gemachtigde in oktober 2017 een administratief beroepschrift in de zaak van de betrokkene heeft aangemaakt en dat hij op 21 oktober 2017 stukken aan de CVOM heeft verzonden, die op 24 oktober 2017 zijn aangekomen. Niet kan worden vastgesteld dat het op 20 oktober gedateerde administratief beroepschrift deel uit heeft gemaakt van het verzonden brievenbuspakje dat op 24 oktober 2017 bij de CVOM is ingekomen.

Dat de officier van justitie de envelop behorend bij de door de CVOM op 24 oktober 2017 ontvangen stukken niet heeft overgelegd maakt dit niet anders, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat de brief van 20 oktober 2017 zich in de betreffende envelop bevond. Dit betekent dat moet worden uitgegaan van het op 14 december 2017 ontvangen beroepschrift.

13. Het hof heeft reeds meermalen geoordeeld dat het door het CJIB opnieuw verzenden van een beschikking waarvan de eerdere bekendmaking is vastgesteld, niet leidt tot het opnieuw aanvangen van de beroepstermijn (zie onder meer de arresten van het hof van 7 juli 2020, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2020:5221 en van 6 augustus 2020, gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2020:6210).

14. Nu de inleidende beschikking op 13 september 2017 aan de betrokkene is toegestuurd, eindigde de beroepstermijn op 25 oktober 2017. Binnen deze beroepstermijn is - zoals hiervoor is overwogen - geen beroep ingesteld. Anders dan de gemachtigde meent, is op 25 oktober 2017 dus niet de beslistermijn als genoemd in artikel 7:24, eerste lid, van de Awb aangevangen.

15. Een redelijke uitleg van artikel 7:24, eerste lid, van de Awb brengt mee dat indien een administratief beroepschrift na afloop van de beroepstermijn wordt ontvangen, de beslistermijn van zestien weken aanvangt op het moment van ontvangst van dat administratief beroepschrift. In dit geval is de beslistermijn dus aangevangen op 14 december 2017. Gelet hierop heeft de officier van justitie terecht overwogen dat de ingebrekestelling van 15 februari 2018 prematuur is en het verzoek om de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom vast te stellen op goede grond afgewezen.

16. Gelet hierop zal het hof het beroep ongegrond verklaren.

17. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.