Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3676

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
21-002108-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van mishandeling (bij de keel grijpen) veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Voorts is de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis bevolen.

Het hof heeft rekening gehouden met de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002108-20

Uitspraak d.d.: 15 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 1 juli 2020 met parketnummer 18-054281-20 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-036009-18, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met een proeftijd van 2 jaren alsmede tenuitvoerlegging van de aan verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 mei 2018 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. H.A. Jonker-van Dijk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is ter zake van mishandeling door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 1 juli 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken waarvan 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden deelname aan een gedragsinterventie en een meldplicht.

Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft haar vordering niet gehandhaafd zodat deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde is.

De politierechter heeft verder de tenuitvoerlegging bevolen van de taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, verdachte opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 mei 2018, parketnummer 18-036009-18.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 januari 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij]

- bij de keel te grijpen, in elk geval tegen de keel te duwen en/of

- een klap tegen het achterhoofd te geven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De voor het bewijs gebezigde verklaringen van de getuigen zijn grotendeels eensluidend. De omstandigheid dat de verklaringen op onderdelen niet met elkaar overeenkomen doet daaraan niet af. Voorts maakt de enkele omstandigheid dat de getuigen [getuige1] en [getuige2] de persoon die naar de keel werd gegrepen in eerste instantie niet herkenden als aangever niet dat deze verklaringen ongeloofwaardig zijn.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 januari 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] bij de keel te grijpen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 12 januari 2020 schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [benadeelde partij] , door hem bij de keel te grijpen Aangever heeft hierdoor pijn en enig letsel in de vorm van een milde zwelling en roodheid ondervonden.

Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 maart 2021. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld is voor het plegen van strafbare feiten, waaronder soortgelijke.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door hem en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft aangegeven dat hij een webshop in kleding begonnen is, dat hij daarnaast werkt als timmerman en zijn eigen woning verbouwt. Hij gebruikt nagenoeg geen alcohol. Uit een en ander leidt het hof af dat verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat dient te leiden tot strafvermindering. Daartoe is aangevoerd dat de verbalisanten niet op correcte wijze aan waarheidsvinding hebben gedaan. Er zijn geen camerabeelden opgevraagd terwijl deze wel voorhanden hadden kunnen zijn. Hierdoor is verdachte in zijn verdedigingsbelang geschaad en is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Het hof verwerpt het verweer. Het hof is van oordeel dat het niet opvragen van camerabeelden in de onderhavige zaak niet valt onder de definitie van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Door de politie is niet gehandeld in strijd met een strafrechtelijk voorschrift door geen camerabeelden op te vragen en er is geen sprake van schending van verdachtes recht op een eerlijk proces. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen het geheel van onderzoekshandelingen zoals uit het proces-verbaal van politie naar voren komt, waaronder de verhoren van meerdere getuigen, alsmede het feit dat op verzoek van de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ook nog een getuige is gehoord. Voorts is van belang dat geenszins vaststaat dat het opvragen van camerabeelden relevante beelden zou hebben opgeleverd.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat – gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit en de recidive – de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals hierna te melden passend en geboden is.

Met betrekking tot de bijzondere voorwaarden is het hof van oordeel dat de oplegging daarvan thans - gelet op de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gekomen - niet opportuun is.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 18-036009-18 bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 25 mei 2018 voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 mei 2018, parketnummer 18-036009-18, te weten van:

taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M.B. de Wit, voorzitter,

mr. F. van der Maden en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 15 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.