Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3673

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
21-003916-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben van 209 hennepplanten in woning. Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een taakstraf van 120 uren. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – al dan niet in vereniging - hennep heeft geteeld. Het hof overweegt daartoe dat - bij gebrek aan bewijs dat verdachte enige handeling heeft verricht die als teelt kan worden gekwalificeerd – deze leemte in de bewijsconstructie niet kan worden gedicht met het feit dat verdachte niet heeft willen verklaren ten aanzien van de identiteit van overige bij de kwekerij betrokken personen. Daarbij overweegt het hof dat van een situatie als bedoeld in EHRM 8 februari 1996, LJN AC0232, NJ 1996/725 (Murray/Verenigd Koninkrijk), bij deze stand van de resultaten van het opsporingsonderzoek geen sprake is geweest, bij gebrek aan onder meer ‘a case consisting of direct evidence’ met betrekking tot de teelt. Er is in deze zaak nog ruimte voor alternatieve scenario’s die ook zonder de verklaring van verdachte niet zonder meer ongeloofwaardig dan wel onwaarschijnlijk zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003916-19

Uitspraak d.d.: 15 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 19 juli 2019 met parketnummer 16-000975-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. R.A. van der Horst, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte op 19 juli 2019 ter zake van (kort gezegd) het telen van hennep en diefstal van elektriciteit veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 januari 2018 tot en met 4 april 2018 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 209, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst;

1. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 31 januari 2018 tot en met 4 april 2018 te [plaats] met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 209, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstip(pen), gelegen in de periode van 31 januari 2018 tot en met 4 april 2018 te [plaats] , meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor die teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2. primair
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 november 2017 tot en met 4 april 2018 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam] N.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 november 2017 tot en met 4 april 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededaders en/of aan verdachte, waarbij die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 november 32017 tot en met 4 april 2018 te [plaats] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door het ter beschikking stellen van haar woning voor die diefstal.

Het hof beschouwt het ontbreken van de nadere aanduiding van de ‘in de Opiumwet behorende lijst’ in het onder 1 primair ten laste gelegde, in samenhang bezien met het hetgeen hierover onder het 1 subsidiair ten laste gelegde is opgenomen, als een kennelijke omissie en leest deze verbeterd door de toevoeging ‘II’.

Door deze verbeterde lezing wordt verdachte niet in haar verdedigingsbelang geschaad. Eventuele overige taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn verbeterd. De verdachte is daardoor evenmin geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Verdachte heeft haar betrokkenheid bij het onder 2 ten laste gelegde ontkend en van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat vrijspraak van dit feit dient te volgen.

Naar het oordeel van het hof is op basis van dit strafdossier niet vast te stellen dat verdachte op enige manier betrokkenheid heeft gehad bij de diefstal van elektriciteit. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1

Verdachte wordt onder feit 1 kort gezegd verweten het al dan niet medeplegen van het telen van hennep, dan wel het al dan niet in vereniging aanwezig hebben van hennepplanten in haar woning.

De politierechter heeft wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep. De politierechter heeft daarbij overwogen dat, gezien de minimale verklaring die verdachte heeft afgelegd over de in haar ogen voor de kwekerij verantwoordelijke persoon, welke niet verifieerbaar is, zij het ervoor houdt dat verdachte het feit alleen heeft gepleegd.

De advocaat-generaal heeft bevestiging van deze uitspraak gevorderd.

Van de zijde van de verdediging is bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte hennep heeft geteeld, ook niet als medepleger.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat zij door iemand wiens naam zij niet wil noemen, is benaderd om een hennepkwekerij in de door haar bewoonde woning op te richten. Daarmee zou zij haar financiële problemen kunnen oplossen. Zij heeft een van haar sleutels aan anderen overhandigd om de kwekerij te kunnen opbouwen en te verzorgen. Verdachte heeft verklaard dat de deur die toegang gaf tot de kwekerij was afgesloten, maar dat zij wel beschikte over een sleutel voor eventuele calamiteiten. Volgens verdachte strekte haar bemoeienis met de kwekerij zich niet verder uit dan tot het voorgaande. Ze heeft verder verklaard dat de personen die de planten verzorgden, op vaste tijdstippen langskwamen en dat zij er dan voor zorgde dat zij ergens anders was.

Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – al dan niet in vereniging - hennep heeft geteeld. Het hof overweegt daartoe dat - bij gebrek aan bewijs dat verdachte enige handeling heeft verricht die als teelt kan worden gekwalificeerd – deze leemte in de bewijsconstructie niet kan worden gedicht met het feit dat verdachte niet heeft willen verklaren ten aanzien van de identiteit van overige bij de kwekerij betrokken personen. Daarbij overweegt het hof dat van een situatie als bedoeld in EHRM 8 februari 1996, LJN AC0232, NJ 1996/725 (Murray/Verenigd Koninkrijk), bij deze stand van de resultaten van het opsporingsonderzoek geen sprake is geweest, bij gebrek aan onder meer ‘a case consisting of direct evidence’ met betrekking tot de teelt. Er is in deze zaak nog ruimte voor alternatieve scenario’s die ook zonder de verklaring van verdachte niet zonder meer ongeloofwaardig dan wel onwaarschijnlijk zijn. Niet in de laatste plaats zij daarbij gewezen op het herhaalde bezoek aan de woning door een manspersoon met meerdere antecenten op het gebied van de Opiumwet, zoals door verbalisanten gerelateerd.

Het hof is van oordeel dat wel wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode opzettelijk 209 hennepplanten in haar woning aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.primair
zij op de periode van 31 januari 2018 tot en met 4 april 2018 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van in totaal 209 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bewezenverklaard is dat verdachte in de periode van 31 januari 2018 tot en met 4 april 2018 in haar woning een hoeveelheid van 209 hennepplanten aanwezig heeft gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennep een stof is die, eenmaal in het verkeer gebracht, schadelijk kan zijn en risico's meebrengt voor de gezondheid van gebruikers en mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving veroorzaakt. Daarom wordt verdachte dit feit zwaar aangerekend.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 maart 2021 is verdachte niet eerder onherroepelijk tot straffen en/of maatregelen veroordeeld.

De politierechter heeft verdachte ter zake van het telen van hennep en diefstal van elektriciteit veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. De straf die door de advocaat-generaal is gevorderd sluit hierbij aan.

Het hof zal, nu verdachte wordt vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit, een straf opleggen voor enkel het aanwezig hebben van hennepplanten.

Dat het hof anders dan de politierechter geen hennepteelt, maar enkel het aanwezig hebben van hennepplanten bewezen heeft verklaard, maakt niet noodzakelijkerwijs dat verdachtes rol minder strafwaardig moet worden geacht. Haar aandeel bij het proces van illegale hennepteelt is immers van groot gewicht geweest: door haar woning beschikbaar te stellen en de kwekerij/hennepplanten in haar woning aanwezig te hebben, is het mogelijk geweest om hennep te doen kweken en oogsten. Van enige verzachtende omstandigheid ter zake – extern dan wel in haar persoon en/of persoonlijke situatie - is het hof niet gebleken.

In de landelijk geldende oriëntatiepunten voor straftoemeting wordt voor de aanwezigheid van tussen de 100 en 500 hennepplanten, waarbij het gaat om een first offender, als uitgangspunt gehanteerd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf van 120 uren. Dit oriëntatiepunt ziet niet mede op diefstal van elektriciteit. Het hof zal dit oriëntatiepunt als uitgangspunt nemen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen voor enkel het bewezenverklaarde feit passend en noodzakelijk acht en deze zal opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M. Aksu, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 15 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.