Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3641

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
21-003813-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte wegens het gezamenlijk aanwezig hebben van 39 hennepplanten en 720 hennepstekjes tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, onder verwerping van een strafmaatverweer ten aanzien van het verschil in economische waarde tussen hennepplanten en hennepstekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003813-18

Uitspraak d.d.: 14 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2018 met parketnummer 18-088294-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,
mr. J.M. Keizer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 14 maart 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van ongeveer 39, althans een aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of 720 hennepstekjes, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 14 maart 2017 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van 39 hennepplanten en 720 hennepstekjes, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf gerekend moet worden met de aangetroffen negenendertig moederplanten en dat de aangetroffen zevenhonderdtwintig hennepstekken in dat verband buiten beschouwing gelaten moeten worden. Er bestaat immers een groot verschil tussen hennepstekken en volgroeide hennepplanten. Het gaat volgens de raadsman slechts om stekken, die per stek een netto opbrengst van ongeveer € 1,75 zouden opleveren. De totale opbrengst van de aangetroffen stekken zou daarom slechts ongeveer € 1.260,00 bedragen. Daar staat tegenover dat zevenhonderdtwintig volgroeide hennepplanten, die elk ongeveer dertig gram hennep zouden opleveren en samen dus goed zouden zijn voor ruim eenentwintig kilo hennep, een totale waarde zouden vertegenwoordigen van ongeveer € 88.000,00 euro.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn stelling dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met de economische waarde van de planten zoals die ten tijde van de ontdekking bestond. Hennepstekken hebben immers de potentie om uit te groeien tot volwassen hennepplanten, met de daarbij behorende opbrengst aan hennep per plant. Het in artikel 3 Opiumwet neergelegde verbod en de daaraan in artikel 11 Opiumwet gekoppelde strafbaarstelling zien op de bescherming van de volksgezondheid. Tegen die achtergrond bestaat er geen basis om (bij de strafoplegging) verschil te maken tussen hennepstekken of hennepplanten. De wet kent dat onderscheid ook niet. In richtlijnen en oriëntatiepunten wordt om die reden ook geen onderscheid gemaakt tussen stekken of volgroeide planten. Het hof passeert daarom dit strafmaatverweer.

Verdachte heeft, samen met haar medeverdachte, op 14 maart 2017 een grote hoeveelheid hennepplanten, te weten negenendertig moederplanten en zevenhonderdtwintig hennepstekken, in haar woning aanwezig gehad. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Daarbij komt dat de handel in hennep ook overigens de samenleving bezwaart door de criminaliteit die daardoor wordt gegenereerd of bestendigd. Het hof rekent het verdachte aan dat zij daaraan heeft bijgedragen.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2021 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Waar het hof, anders dan de politierechter, het medeplegen van het aanwezig hebben van de hennepplanten bewezen verklaart, ligt in beginsel oplegging van een zwaardere straf in de rede.

Het hof acht echter, gelet op het blanco strafblad van verdachte, het tijdsverloop en de omstandigheid dat verdachte inmiddels werk heeft, de door de politierechter opgelegde taakstraf voor de duur van zestig uren een passende bestraffing. Het hof zal deze straf dan ook opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. E.M.J. Brink raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,

en op 14 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.