Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3616

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
200.274.823/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikelen 18 en 62 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) en 6:162 jo. 3:13 BW; bijzetting urn in familiegraf; wijziging tenaamstelling na overlijden gerechtigde die te kennen had gegeven van zijn recht gebruik te willen maken; weigering door de nieuwe gerechtigde (zijn broer) vanwege conflicten in de familie. Misbruik van recht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.274.823/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 163231)

arrest van 13 april 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

bij de rechtbank: eiser

hierna: [appellant],

advocaat: mr. T. Bruinsma, die kantoor houdt te Lemmer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.M. Postma, die kantoor houdt te Joure.

Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland in Leeuwarden op 27 november 2019 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit

  • -

    de appeldagvaarding van 26 februari 2020

  • -

    de memorie van grieven van 19 mei 2020

  • -

    de memorie van antwoord van 28 juli 2020

  • -

    de akte van [appellant] van 22 september 2020

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 20 oktober 2020

1.2

Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

Waar gaat deze zaak over?

1.3

Het gaat er in deze procedure om dat [geïntimeerde] , op wiens naam het familiegraf staat waar zijn ouders en twee vooroverleden broers [C] en [D] zijn begraven, weigert eraan mee te werken dat de asresten van zijn broer [E] in dat graf worden bijgezet. Dat heeft de volgende achtergrond.

1.4

[E] is [in] 2017 overleden. Hij was ongetrouwd en kinderloos, en heeft de kinderen van zijn overleden broer [F] tot erfgenamen benoemd. Een van hen, [appellant] , is benoemd tot executeur.

1.5

In zijn testament heeft [E] de wens uitgesproken dat zijn urn in het graf van zijn ouders wordt bijgezet. Ten tijde van zijn overlijden was hij ook rechthebbende op dat graf. Kort daarna, medio april 2017, is het grafrecht echter op verzoek van [geïntimeerde] op diens naam overgeschreven. [appellant] heeft hem gevraagd met de bijzetting van de urn van [E] in te stemmen, maar dat heeft [geïntimeerde] geweigerd. Geen van de broers van [geïntimeerde] is nog in leven. Zijn enige nog levende zuster, [G] , heeft op 8 oktober 2018 schriftelijk verklaard dat ook zij niet akkoord is met het bijzetten van de urn van [E] .

1.6

[appellant] heeft gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om eraan mee te werken dat de graven op naam van [appellant] worden gezet, althans dat [geïntimeerde] eraan meewerkt (toestaat) dat de asresten van [E] in het familiegraf kunnen worden bijgezet. Dit alles op straffe van een dwangsom.

1.7

De rechtbank heeft die vordering afgewezen. Het hoger beroep van [appellant] heeft - zo begrijpt het hof uit de dagvaarding in het hoger beroep - de strekking dat deze alsnog wordt toegewezen.

Het oordeel van het hof

1.8

Het hof stelt voorop dat artikel 18 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) bepaalt dat de lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dit redelijkerwijs niet gevergd kan worden. Verder voorziet artikel 62 van de Wlb in de mogelijkheid om een asbus bij te zetten in een particulier graf als daarvoor toestemming is gegeven door de rechthebbende op het graf.

1.9

In zijn eerste grief voert [appellant] aan dat het niet belangrijk is het grafrecht op zijn naam te krijgen, en al helemaal niet het bezit of eigendom ervan te verkrijgen, maar wel om de mogelijkheid de laatste wens van [E] te respecteren en uit te voeren. Daarvoor is volgens hem voldoende de toestemming van degene op wiens naam de grafrechten staan vermeld. Het hof kan hierin geen grond voor vernietiging van het vonnis lezen. Ook de rechtbank is er immers vanuit gegaan dat de rechthebbende toestemming moet geven voor het bijzetten van de urn van [E] in het familiegraf, en heeft zijn beoordeling daarop gebaseerd. Dat [geïntimeerde] na het overlijden van [E] de rechthebbende is geworden, wordt niet bestreden.

1.10

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het de rechthebbende in beginsel vrij staat naar eigen inzicht die toestemming te weigeren, maar dat deze vrijheid niet onbeperkt is: zij vindt haar begrenzing in hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW) en in het wettelijke verbod een bevoegdheid uit te oefenen op een wijze waartoe, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet kan worden gekomen (artikel 3:13 lid 2 BW). Hiervan zal slechts in uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn.

1.11

Tegen dit uitgangspunt is ook geen bezwaar gemaakt. In zijn tweede, derde en vierde grief voert [appellant] wel aan dat de rechtbank bij de te maken afweging heeft miskend dat de grafrechten op naam van [E] stonden toen deze zijn testament opmaakte, en dat zijn broer [geïntimeerde] daarvan op de hoogte was of moet zijn geweest. Zoals [appellant] aan de hand van diverse producties heeft onderbouwd, was geen sprake van een ernstig verstoorde relatie binnen de familie – ook niet tussen [E] , [geïntimeerde] en hun zus. Over de tenaamstelling werden ook nooit problemen gemaakt. [E] hoefde er dan ook niet voor beducht te zijn dat zijn wens niet gerespecteerd zou worden. Toch heeft [geïntimeerde] er nagenoeg onmiddellijk na het overlijden van [E] voor gezorgd dat de tenaamstelling van de grafrechten werd veranderd. De ware beweegreden daarvoor, en voor de latere weigering, is volgens [appellant] dat [geïntimeerde] en zijn zus niet door [E] tot erfgenaam zijn benoemd.

1.12

Aan de vordering van [appellant] ligt dus de stelling ten grondslag

  • -

    dat [geïntimeerde] wist (moest weten) dat [E] rechthebbende op het graf was toen de tenaamstelling werd gewijzigd

  • -

    dat [geïntimeerde] toen ook wist dat [E] van dat recht gebruik wilde maken door bijzetting van zijn urn en

  • -

    dat [geïntimeerde] de tenaamstelling heeft veranderd en vervolgens als nieuwe rechthebbende toestemming heeft geweigerd, omdat hij niet tot erfgenaam van [E] was benoemd.

1.13

Als dat allemaal zou vaststaan, zou [geïntimeerde] inderdaad misbruik maken van zijn recht de bijzetting van de as van zijn broer in het familiegraf te weigeren. Het staat echter niet vast: het is gemotiveerd bestreden, en er is niet op alle onderdelen bewijs van aangeboden. Op die constatering moet het hoger beroep stranden. Voor de duidelijkheid voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

1.14

[geïntimeerde] heeft uitgebreid uiteengezet dat [E] hemzelf, zijn vrouw en andere familieleden veel verdriet heeft gedaan: oom [geïntimeerde] , met wie hij lange tijd samenwoonde, heeft hij continu vernederd, gekleineerd en uitgescholden. Ook tegen zijn inwonende broers [C] en [D] viel hij vaak uit. De spanningen die dat veroorzaakte, hebben bijgedragen aan het overlijden van [C] in 1995. Toen ook [D] in 2010 overleed, werden diens asbus en die van [C] in het familiegraf bijgezet. [E] wilde echter niet dat [G] en [geïntimeerde] daarbij aanwezig zouden zijn. Om ruzie op het kerkhof te voorkomen, hebben zij daar vervolgens van afgezien. [G] heeft dat schriftelijk bevestigd: ook zij is niet akkoord gegaan met de bijzetting van de as van [E] , en spreekt in haar brief eveneens over plagerijen, bedreigingen en andere misdragingen van [E] . Dat zij niet bij de bijzetting van de as van [C] en [D] aanwezig kon zijn, heeft naar haar zeggen veel impact op haar gehad; “Dat soort dingen kun je maar 1 maal in je leven doen en dat werd me ontnomen”.

1.15

Gelet op dit alles is het onaannemelijk dat de familieverhoudingen tot aan de dood van [E] goed waren, zoals [appellant] beweert. Ook een door [appellant] overgelegd mutatierapport van 3 mei 2017 maakt melding van ruzie binnen de familie en sterk onderling wantrouwen.
De stelling van [appellant] dat van ruzie geen sprake was, is daartegenover onvoldoende onderbouwd.

De conclusie

1.16

Het belang dat [appellant] erbij heeft om uitvoering te geven aan de laatste wens van [E] is op zichzelf te respecteren. Daar staat echter tegenover de evenzeer te respecteren wens van [geïntimeerde] als rechthebbende op het graf om daarin niet een urn te begraven met de asresten van een familielid dat voor hem en zijn zuster de nagedachtenis bezwaart aan de andere familieleden die in dat graf zijn begraven. Om die reden kan het hoger beroep niet slagen.

1.17

Omdat partijen familie van elkaar zijn en het geschil uit de familieverhoudingen voortvloeit, zullen de kosten bij de rechtbank en van het hoger beroep worden ‘gecompenseerd’. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

De beslissing

Het hof:

1. Vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland in Leeuwarden van

27 november 2019 voor zover [appellant] daarin in de proceskosten is veroordeeld;

2. Bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

3. Bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen van de procedure in eerste aanleg en van dit hoger beroep;

4. wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, M.E.L. Fikkers en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

13 april 2021