Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3605

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
200.290.671/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoeken tot schorsing 360 lid 2 Rv en tot het treffen van een voorlopige voorziening 223 Rv, partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.290.671/02

(zaaknummer rechtbank Gelderland 364132)

beschikking van 13 april 2021 op het verzoek tot schorsing en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H J.M. van Arkel-van Gasselt te Heilig Landstichting

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.E.M. Messink te Wijchen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 15 januari 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking). Bij deze uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vastgesteld op:

  • -

    € 1.567,- per maand met ingang van 1 november 2019;

  • -

    € 1.606,- per maand met ingang van 1 januari 2020; en

  • -

    € 1.654,- per maand met ingang van 1 januari 2021,

vanaf de datum van die beschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot de verzoeken tot schorsing en tot het treffen van een voorlopige voorziening

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing en tot het treffen van een voorlopige voorziening met producties, ingekomen op 22 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing, met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Arkel-van Gasselt van 3 maart 2021, met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. van Arkel-van Gasselt van 19 maart 2021 met productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 29 maart 2021 plaatsgevonden. In verband met het coronavirus heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden door middel van een telefonische (beeld)verbinding (telehoren). Via deze verbinding waren partijen en hun advocaten aanwezig.

3 De motivering van de beslissing

3.1

Aan de orde zijn de verzoeken van de man om primair schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking en subsidiair bij wege van een voorlopige voorziening de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) voorlopig op nihil te stellen met ingang van 1 november 2019, althans met ingang van de datum die het hof juist acht. De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.

Schorsing

3.2

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

3.3

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.

a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

3.4

Het hof stelt vast dat de rechtbank de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad niet heeft gemotiveerd, zodat het hof het schorsingsverzoek zal beoordelen aan de hand van de hiervoor onder a. en b. genoemde maatstaven.

3.5

Bij de beoordeling van het schorsingsverzoek staat vast dat de vrouw behoefte heeft aan de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie, zodat haar belang bij (verdere) tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking is gegeven. De man heeft aangevoerd dat zijn belang bij schorsing van de werking van die beschikking zwaarder weegt, omdat hij onvoldoende draagkracht heeft voor de vastgestelde bijdrage en in een financiële noodsituatie dreigt te komen indien de beschikking ten uitvoer wordt gelegd.

Gelet op de hiervoor onder b. genoemde maatstaf, dient in beginsel te worden uitgegaan van de door de rechtbank vastgestelde draagkracht van de man. De man voert onder meer aan dat hij zijn salaris heeft moeten verlagen als gevolg van een omzetdaling door de coronacrisis, de stikstofmaatregelen en PFAS-maatregelen. De rechtbank heeft deze stelling echter al meegewogen in haar beoordeling van de draagkracht van de man en het hof ziet in wat de man heeft aangevoerd geen aanleiding om bij de beoordeling van het schorsingsverzoek af te wijken van het oordeel van de rechtbank. Dat geldt ook voor de stellingen van de man dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de aflossing van de rekening-courantschuld en met de kosten voor de jongste zoon van partijen. Dat op deze punten ook anders beslist kan worden, maakt niet dat sprake is van een kennelijke misslag en leidt er ook niet toe dat het hof – in afwijking van het uitgangspunt – voorbijgaat aan de door de rechtbank vastgestelde draagkracht. De stelling van de man dat rekening moet worden gehouden met extra woonlasten gedurende twee maanden ten tijde van de aankoop van zijn huidige woning is door de rechtbank niet (expliciet) meegenomen. Gelet op de beperkte periode waarin deze lasten invloed zouden kunnen hebben op de draagkracht van de man, gaat het hof hieraan echter voorbij.

3.6

Nu niet is gebleken dat de man onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde partneralimentatie te voldoen en in een financiële noodsituatie dreigt te komen indien de beschikking ten uitvoer wordt gelegd, weegt zijn belang bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking niet zwaarder dan het belang van de vrouw bij het (blijven) ontvangen van die partneralimentatie. Het hof zal het schorsingsverzoek van de man daarom afwijzen.

Voorlopige voorziening

3.7

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Deze bepaling is ook van toepassing in een verzoekschriftprocedure.

3.8

Een voorlopige voorziening is een tijdelijke beslissing die slechts geldt voor de duur van de procedure. De verzoeker moet in die zin belang hebben bij het verzoek dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht.

3.9

De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening om voorlopige nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 1 november 2019 of een datum die het hof juist acht. Nu niet is gebleken dat de man onvoldoende draagkracht heeft om de vastgestelde partneralimentatie te voldoen en in een financiële noodsituatie dreigt te komen indien de beschikking onverkort ten uitvoer wordt gelegd en de vrouw behoefte heeft aan die partneralimentatie, zal het hof ook dit verzoek afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

wijst de verzoeken van de man af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 13 april 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. R. Feunekes in tegenwoordigheid van de griffier.