Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3594

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
200.287.509
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezamenlijk gezag (artikel 1:251a BW) en vaststelling hoofdverblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.287.509

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 506199)

beschikking van 13 april 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.H.M. Helleman te Bussum,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.T.M. Bredius te Bussum.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

De Jeugd- en Gezinsbeschermers,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 december 2020;

  • -

    het verweerschrift met productie;

  • -

    een journaalbericht van mr. Bredius van 1 maart 2021 met producties B en C;

  • -

    een brief van mr. Helleman van 1 maart 2021 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Bredius van 2 maart 2021 met producties D en E;

  • -

    een brief van mr. Helleman van 4 maart 2021 met één productie, en

  • -

    een brief van mr. Helleman van 5 maart 2021 met één productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 maart 2021 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

  • -

    de moeder in persoon bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader in persoon bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    [B] namens de GI, en

  • -

    [C] namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

  • -

    [de minderjarige1] (roepnaam [de minderjarige1] ), geboren [in] 2013 te [D] , en

  • -

    [de minderjarige2] (roepnaam [de minderjarige2] ), geboren [in] 2015 te [A] ,

over wie zij, tot de bestreden beschikking, gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenden.

3.3

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] (verder ook: de kinderen) zijn door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 15 mei 2017 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 15 augustus 2017. Vervolgens zijn de kinderen definitief onder toezicht gesteld tot 24 mei 2018. Deze ondertoezichtstelling is nadien niet verlengd.

3.4

De kinderen zijn door de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 25 september 2019 opnieuw onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, laatstelijk tot 20 juli 2021.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, het gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en bepaald dat voortaan alleen de vader het ouderlijk gezag heeft over de kinderen, alsmede dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Het verzoek van de vader over de zorgregeling is afgewezen wegens gebrek aan belang.

4.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief heeft betrekking op de beslissingen over het gezag en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

De moeder verzoekt het hof, voor zover nodig en mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, kosten rechtens.

4.3

De vader voert verweer en verzoekt het hof, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad, de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans haar verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of niet bewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure, begroot op € 2.161,95.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling overwogen en beslist dat de bij voormelde brieven van mr. Helleman van 1 en 5 maart 2021 overgelegde schriftelijke toelichtingen van de moeder buiten beschouwing worden gelaten. Het hof heeft daarbij verwezen naar de zogeheten tweeconclusieregel (artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 362 Rv). Deze regel houdt in dat partijen hun standpunt in één schriftelijke stuk moeten uiteenzetten. Het toelichten van standpunten in nadere stukken is in beginsel niet mogelijk, tenzij door het hof daarvoor uitdrukkelijke toestemming is verleend die ziet op een gerechtvaardigde uitzondering. In dit geval is niet gebleken van een gerechtvaardigde uitzondering op de tweeconclusieregel.

5.2

Nu de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.

5.3

Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.4

Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt is dat ouders na hun scheiding gezamenlijk belast blijven met het gezag over hun kinderen. Daarvoor is echter wel nodig dat de ouders beiden voldoende kunnen inschatten wat nodig is voor de kinderen en daarover met elkaar kunnen overleggen. Het hof stelt vast dat uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vader en de moeder diepgaand van inzicht verschillen over wat de kinderen nodig hebben en hierover geen enkele overeenstemming kunnen bereiken. Door het verloop van de situatie de afgelopen jaren is er geen enkele samenwerking en constructieve communicatie meer tussen hen mogelijk.

Vast staat dat de moeder problemen met haar emotieregulatie en andere psychische problemen heeft gehad. De kinderen hebben de afgelopen jaren heel veel onrust ervaren door de problemen tussen de ouders en de heftige emotionele reacties van de moeder. De problemen tussen de ouders hebben zelfs geleid tot een tijdelijke uithuisplaatsing van de kinderen bij de broer van de vader en een verbod (zowel civiel als strafrechtelijk) voor de moeder om in de buurt van de vader en de kinderen te komen. De moeder heeft zich daar niet aan gehouden. Dat de moeder wilde laten weten aan de kinderen dat zij hen niet was vergeten, is tot op zekere hoogte begrijpelijk maar geen goede reden om het straatverbod te negeren. Ook staat vast dat de moeder in het verleden onvoldoende heeft meegewerkt aan de inzet van hulpverlening.

5.5

Sinds de bestreden beschikking is er meer rust gekomen in het leven van de kinderen volgens de vader. De jeugdbeschermer heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat de kinderen tot rust komen. De kinderen kunnen zich veilig hechten aan de vader, de vader overlegt met de GI en praat met de kinderen respectvol over de moeder.

De jeugdbeschermer heeft toegelicht dat zij de moeder steeds moest begrenzen in het contact en dat zij de moeder daarom heeft geadviseerd hulp te zoeken. Sinds de moeder therapie heeft, oefent zij minder druk uit op de vader en op de GI en zoekt zij de discussie minder op. De kinderen hebben thans eenmaal per vier weken begeleid contact met de moeder bij [E] . De begeleidster bij de omgang geeft aan dat de moeder weinig leerbaar is en niet veel zelfinzicht heeft, aldus de jeugdbeschermer.

5.6

De vader heeft recente verslagen van [F] overgelegd betreffende diagnostiek van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Dit onderzoek is verricht op verzoek van de GI in overleg met de ouders.

In het verslag over [de minderjarige2] wordt vermeld dat [de minderjarige2] zich over het algemeen leeftijdsadequaat ontwikkelt. De ingrijpende gebeurtenissen in het verleden lijken wel in negatieve zin van invloed te zijn op zijn gevoel van basisvertrouwen, van waaruit hij zich wantrouwend en zelfbepalend opstelt in contact met vreemden. Ook de gewelddadige spelletjes en de soms optredende ongeremdheid, kunnen vermoedelijk in dit licht worden bezien. Het is belangrijk dat [de minderjarige2] nu de tijd krijg om te aarden bij de vader, om zich veilig te gaan voelen in de nieuwe situatie en voldoende stabiliteit en veiligheid te ervaren. Op termijn kan traumabehandeling worden overwogen. Het is goed dat ouderbegeleiding van de vader doorgaat. Tot slot wordt psycho-educatie KOPP (kinderen van ouders met psychische problemen) voor [de minderjarige2] geadviseerd.

In het verslag over [de minderjarige1] wordt vermeld dat [de minderjarige1] cognitief lijkt voor te lopen en sociaal emotioneel ouder oogt. In het contact komt ze alert over, deelt ze weinig en is ze voorzichtig. Mogelijk is sprake van een posttraumatische stressstoornis, maar de signalen zijn onvoldoende om dat op dit moment te kunnen vaststellen. De huidige problemen bij [de minderjarige1] worden verklaard vanuit de ouderkind-relatieproblemen en ouderlijke relatieproblemen. Het is belangrijk [de minderjarige1] te volgen en wanneer ze klachten heeft deze te delen met de betrokken hulpverleners. Op termijn, wanneer [de minderjarige1] voldoende vertrouwen heeft in de hulpverleners en haar trauma’s deelt, kan traumabehandeling overwogen worden. Net als bij [de minderjarige2] wordt opgemerkt dat de inzet van ouderbegeleiding voor de vader goed is als ondersteuning en het advies van [F] is [de minderjarige1] eveneens aan te melden voor het KOPP-project.

Gelet op de inhoud van bovenvermelde verslagen vindt het hof het niet begrijpelijk dat de moeder op grond daarvan concludeert dat er geen sprake is van enig probleem bij de kinderen en dat zij verwacht dat de situatie snel zal normaliseren wanneer de kinderen weer liefdevol door haar verzorgd kunnen worden. Het hof leest in de verslagen dat de kinderen beschadigd zijn door hetgeen zich de afgelopen jaren in hun leven heeft afgespeeld en daarom adviseert [F] ook een KOPP-traject in te zetten voor beide kinderen.

5.7

De vertegenwoordiger namens de raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep benoemd dat vast staat dat de kinderen veel hebben meegemaakt door de problemen tussen de ouders op het relationele vlak en omdat de moeder onvoorspelbaar was. De vader was niet opgewassen tegen het gedrag van de moeder en kon haar onvoldoende begrenzen. Het is meerdere keren voorgekomen dat hulpverlening niet of pas na het verkrijgen van vervangende toestemming kon worden ingezet, omdat de moeder onvoldoende medewerking verleende. De raad adviseert de beslissingen in de bestreden beschikking te bekrachtigen, omdat gezamenlijk gezag zal leiden tot nieuwe spanningen en stress.

5.8

Het hof is van oordeel dat de moeder met haar stelling dat de kinderen weer deels bij haar kunnen wonen, voorbijgaat aan het feit dat de kinderen de afgelopen jaren veel wijzigingen van woonplek en verzorgers hebben meegemaakt en dat een verandering van woonomgeving weer een nieuwe wijziging voor ze betekent. De kinderen wonen sinds juli 2020 bij de vader en in het advies van [F] wordt benadrukt dat [de minderjarige2] zich nu veilig bij de vader moet kunnen hechten. Daar komt nog bij dat het contact tussen de moeder en [de minderjarige1] pas in december 2020 is hersteld. De eerste contacten zijn volgens de moeder goed verlopen, maar deze situatie is nog pril en fragiel. Op grond van deze eerste contacten kunnen nog geen uitspraken over de mogelijkheden in de relatie tussen de kinderen en de moeder in de toekomst worden gedaan.

De moeder stelt verder dat haar situatie is verbeterd en dat zij zich de laatste maanden ook op de achtergrond heeft gehouden, ook al is dat voor heel moeilijk omdat zij haar kinderen mist. De vader heeft daar een aantal omstandigheden tegenover gesteld, waaruit volgens hem volgt dat er sprake is van een wankele situatie, dat de moeder nog steeds snel over grenzen heen gaat en waaruit volgt dat de moeder ook nog steeds hoopt op hereniging van het gezin.

Het hof stelt op grond van het vorenstaande vast dat de moeder vaak vanuit haar eigen perspectief en wensen kijkt naar de kinderen. Zij heeft veel liefde voor de kinderen, maar legt adviezen van deskundigen naast zich neer en is niet altijd voldoende in staat is om te beoordelen wat de kinderen objectief gezien nodig hebben. Dit maakt dat het voor de vader en de GI niet goed mogelijk is om over belangrijke aangelegenheden in goed overleg met de moeder beslissingen te nemen voor de kinderen. Te verwachten is dat dergelijk overleg tot belastende situaties voor de vader en de kinderen zal leiden, terwijl de kinderen behoefte hebben aan een rustige en stabiele situatie.

5.9

Op grond van het hiervoor overwogene komt het hof tot dezelfde beslissing als de kinderrechter over het gezag en de hoofdverblijfplaats. Daarom zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

5.10

Het hof zal het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, omdat hij de afgelopen jaren door de moeder genoodzaakt wordt om veel kosten voor juridische procedures te maken, afwijzen en de proceskosten compenseren. Partijen zijn gewezen echtgenoten en deze procedure betreft de uit die relatie geboren kinderen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 september 2020;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.B. de Groot en H. Phaff, bijgestaan door de griffier, en is op 13 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.