Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3517

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.255.159/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 11 Wahv. De griffier van de rechtbank moet de indiener van het beroepschrift er niet alleen op wijzen dat het dossier kan worden ingezien, maar ook dat het mogelijk is daarvan een kopie te ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.255.159/01

CJIB-nummer

: 217069073

Uitspraak d.d.

: 13 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 5 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat in het beroep bij de kantonrechter is verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken en dat in het aanvullend beroep van 30 september 2018 erop is gewezen dat de dossierstukken nog niet waren toegezonden. De kantonrechter heeft vervolgens op het beroep beslist, waarmee gehandeld is in strijd met het bepaalde van artikel 11, vijfde lid, van de Wahv.

2. Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Wahv worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter neergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.

3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij brief van 26 september 2018 door de griffier van de rechtbank is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 25 oktober 2018. In deze brief wordt medegedeeld dat het dossier tot een week voor de zitting ter inzage ligt op de rechtbank.

4. Hoewel het verzoek van de gemachtigde om het toesturen van de op de zaak betrekking hebbende stukken in zijn beroepschrift van 3 september 2018 prematuur is en de griffier daar dus niet op hoefde te reageren, is in het aanvullend beroepschrift van 30 september 2018 aangegeven dat verzocht is om dossierstukken en dat deze nog niet zijn toegezonden. Omdat in de oproepingsbrief slechts is gewezen op de mogelijkheid het dossier bij de rechtbank in te zien, had de griffier van de rechtbank de gemachtigde naar aanleiding van het voornoemde ook moeten wijzen op de mogelijkheid om - eventueel tegen een vergoeding - kopieën op te vragen. Door dit na te laten, heeft de rechtbank in strijd met artikel 11 van de Wahv gehandeld. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen.

5. Het hof gaat er vanuit dat de gemachtigde inmiddels beschikt over de door hem verlangde stukken, aangezien hij daar in hoger beroep niet opnieuw over heeft geklaagd. Aan de orde is nu het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, die volgens de gemachtigde op juiste gronden is vernietigd.

6. Uit de beslissing van de kantonrechter volgt dat de beslissing van de officier van justitie is vernietigd, omdat de officier van justitie heeft overwogen dat het brondocument de basis is voor de sanctie terwijl niet aannemelijk is geworden dat er een brondocument aanwezig is.

7. Het hof is van oordeel dat het ten onrechte verwijzen naar het brondocument door de officier van justitie niet kan leiden tot het oordeel dat de motivering van diens beslissing niet voldoet aan de eis van artikel 7:26, eerste lid, van de Awb. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de officier van justitie dit heeft overwogen in reactie op de klacht van de gemachtigde dat in deze zaak een ambtsedige verklaring van de ambtenaar ontbreekt. De officier van justitie heeft dan ook terecht opgemerkt dat een proces-verbaal bij een Wahv-zaak niet vereist is, wat - gelet op vaste jurisprudentie van het hof hieromtrent - bij de gemachtigde als bekend wordt verondersteld. De beslissing van de officier van justitie kan daarom in stand blijven.

8. De overige bezwaren richten zich tegen de aan de betrokkene bij die beschikking opgelegde sanctie van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 mei 2018 om 14.44 uur op de Rondweg in Borne met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

9. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene ontkent dat hij aan het rijden was toen hij een mobiele telefoon vasthield; hij stond toen stil. De motor van het voertuig stond nog wel aan, maar het is niet verplicht het voertuig geheel uit te schakelen alvorens een mobiele telefoon vast te houden. De gegevens in het zaakoverzicht zijn onvoldoende concreet ten aanzien van deze specifieke situatie, omdat daarbij gebruik is gemaakt van standaard tekstblokken die vooraf worden ingevuld bij de onderhavige feitcode. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven.

10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: Samsung. (…)
Verklaring betrokkene: Ik werd gebeld.”

11. Door de advocaat-generaal is in hoger beroep een aanvullend proces-verbaal van 2 mei 2019 overgelegd, waarin de ambtenaar onder meer het volgende verklaart:
‘Wij kwamen deze bestuurder met zijn voertuig achterop terwijl hij op rijbaan 1 stilstond voor een verkeerslicht, waarbij wij ons dienstvoertuig op de 2e rijbaan opstelden. Hierna trokken hij en wij gezamenlijk op waarbij wij zagen dat deze bestuurder nog steeds zijn mobiele telefoon in zijn had.”

12. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen. Uit de aanvullende verklaring van de ambtenaar volgt duidelijk dat hij en een collega hebben waargenomen dat de betrokkene de telefoon nog steeds vasthad, nadat hij voor het verkeerslicht had stilgestaan. Aldus kan worden vastgesteld dat de betrokkene ook tijdens het rijden een mobiele telefoon heeft vastgehouden, zodat de gedraging is verricht.

13. Het voorgaande betekent dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond is.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.