Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3508

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
21-004991-19
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2020:10986
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft diverse personen, waaronder medewerkers van twee banken, bedreigd met de dood, zware mishandeling en brandstichting. De bewezenverklaarde feiten kunnen niet aan verdachte worden toegerekend. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar (artikel 37 Sr oud) opgelegd. Miv 1 januari 2020 is de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) in werking getreden en is de mogelijkheid om de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen komen te vervallen. Het hof heeft ogv artikel 5:19, tweede lid, Wvggz de officier van justitie verzocht een verzoekschrift voor een zorgmachtiging voor te bereiden. Omdat niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg ex artikel 3:3 Wvggz kan het hof geen zorgmachtiging afgeven. De advocaat-generaal heeft gevorderd de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. Het hof overweegt dat de deskundigen de kans op fysiek gewelddadig gedrag nihil dan wel gericht achten. Verder zijn er voldoende aanwijzingen dat het gevaar op nieuwe verbale bedreigingen niet acuut is. Gelet hierop en gelet op de andere omstandigheden van het geval is het hof van oordeel dat in dit geval de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet eist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004991-19

Uitspraak d.d.: 13 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 23 september 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-952773-18 en 08-770068-19, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1971,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 juli 2020, 13 november 2020 en 30 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. V.P.J. Tuma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het niet tot oplegging van een maatregel komt. Daarom zal het hof opnieuw rechtdoen.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Zowel het door verdachte in zaak 08-952773-18 gevoerde verweer dat hij zich ten tijde van de tenlastegelegde feiten in het buitenland bevond en dat daarom de Nederlandse strafwet niet toepasselijk is als het verweer dat het onder 1 tenlastegelegde feit is verjaard, vindt geen steun in het recht en wordt daarom verworpen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:


Zaak met parketnummer 08-770068-19:

1.
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 18 mei 2018 tot en met 2 september 2018, te Eindhoven en/of te Enschede, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, door die [slachtoffer 1] , eenmaal dan wel meermaals, dreigend de woorden toe te voegen:

- dat die [slachtoffer 1] op straat een kogel zal krijgen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat die [slachtoffer 1] de doodstraf zal krijgen, welke op straat zal worden uitgevoerd, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) van die [slachtoffer 1] een stuk van zijn lichaam zal afsnijden, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat die [slachtoffer 1] zijn huis in de fik zal staan, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 1] voor zijn kop zal rammen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 1] zal opeten en/of zijn vlees als voer aan de varkens zal geven, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 1] in precies 66 stukken zal snijden, en/of het bloed van die [slachtoffer 1] zal drinken en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] zal snijden, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte)het een millimeter bloed van die [slachtoffer 1] zal nemen, voor elke euro, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 1] zal pakken en/of zijn bloed zal drinken en/of zijn adem zal nemen en/of die [slachtoffer 1] net als Jesus het licht in de ogen zal geven, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

2.
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 18 mei 2018 tot en met 2 september 2018, te Eindhoven en/of te Enschede, in ieder geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] , in zijn tegenwoordigheid en/of telefonisch en/of door het inspreken van de voicemail van die [slachtoffer 1] , mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen:

"Je bent een vieze neus christen en ik moet jou mijn geld hebben overgedragen, wie denk je dat jij bent hond. Ik ga jou adem nemen vieze muis. Net als Jezus ga ik jou licht in de ogen geven, vieze kankerkop.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Zaak met parketnummer 08-952773-18 (gevoegd):

1.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 oktober 2017 tot en met 16 oktober 2017, te Enschede, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 2] (in zijn hoedanigheid als vestigingsdirecteur van de Rabobank ) en/of [slachtoffer 3] en/of de Coöperatieve Rabobank U.A . heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door [slachtoffer 4] [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] , in ieder geval een medewerker van de Rabobank , eenmaal dan wel meermaals, dreigend de woorden toe te voegen:

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 2] met een paar leuke vrienden gaat ophalen als hij (verdachte) zijn geld niet binnen een week heeft, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij (verdachte) die [slachtoffer 2] laat afmaken door een aantal Russen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) dat hij die [slachtoffer 2] laat afmaken indien hij het geld niet terug krijgt, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij ook weet wie die [slachtoffer 3] is en zij ervoor moet zorgen dat het geld binnen 3 dagen op zijn rekening staat, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of daarbij met zijn (verdachtes) vinger(s) naar zijn (verdachtes) ogen dan wel gezicht te wijzen en/of daarna met zijn (verdachtes) vinger(s) naar die [slachtoffer 3] (haar gezicht) te wijzen;

2.
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 5 september 2018, te Hengelo, in ieder geval in Nederland, de ING Groep N.V. heeft bedreigd, met

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen, en/of

- brandstichting,

door de ING Bank N.V., althans een of meerdere medewerker(s) van de ING Bank N.V. (waaronder [slachtoffer 6] ), eenmaal dan wel meermaals, dreigend de woorden toe te voegen:

- dat het ING gebouw in Hengelo in de fik gaat, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij (verdachte) en/of hij (verdachte) met zijn vrienden ING -kantoren in het centrum van Almelo in de fik gaat/gaan steken, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat indien hij (verdachte) niet vandaag de beschikking over zijn geld heeft elke week een ING -kantoor in de fik gaat, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

3.
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 7 september 2018, te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 7] en/of de ING Bank N.V. heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, Door die [slachtoffer 7] , dan wel [slachtoffer 8] , in ieder geval een medewerker van de ING Bank N.V. , eenmaal dan wel meermaals, dreigend de woorden toe te voegen:

- dat die [slachtoffer 7] niet meer zal leven indien die [slachtoffer 7] geen contact opneemt met verdachte, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) indien hij (verdachte) vandaag zijn rekening niet krijgt die [slachtoffer 7] voor maandag niet meer zal ademen en/of dat de familie en kinderen van die [slachtoffer 7] voor maandag niet meer zullen ademen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij die [slachtoffer 7] komt ophalen en/of zijn bloed zal drinken en/of die [slachtoffer 7] in stukken zal snijden en/of die [slachtoffer 7] aan de ratten zal voeren, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij die [slachtoffer 7] gaat pakken en/of dat die [slachtoffer 7] zal stoppen met ademen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij (verdachte) die [slachtoffer 7] bloed gaat drinken en/of die [slachtoffer 7] `gaat doen’ en/of die [slachtoffer 7] een kogel in zijn hoofd schiet, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 08-770068-19 feiten 1 en 2

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit het dossier niet althans onvoldoende blijkt dat degene die gebeld heeft en de bedreigingen heeft geuit, zou hebben gebeld met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Daarbij is ook van belang dat er bij deze feiten volgens de raadsman geen sprake is van een positieve stemherkenning.

Het hof overweegt het volgende.

Verdachte heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat zijn telefoonnummer [telefoonnummer] is, dat hij sinds 2011 van dit telefoonnummer gebruik maakt en dat hij niet van telefoonnummer is veranderd, “Ook niet na dit”, waarmee verdachte met “dit” kennelijk het oog heeft op het tenlastegelegde. Voorts heeft verdachte verklaard dat het bankrekeningnummer [rekeningnummer] van hem is en dat daar grote sommen geld op zouden hebben gestaan die zouden zijn verduisterd.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat verdachte reeds jaren geleden en voor de in de tenlastelegging genoemde periode bij hem aan de deur is geweest, waarbij hij zich heeft voorgesteld als [verdachte] . [slachtoffer 1] kreeg een kaartje te zien waarop zijn ( [slachtoffer 1] ) ING bankrekeningnummer stond. [verdachte] deelde mee dat er op dit nummer een miljoenenprijs was gevallen en dat [slachtoffer 1] dat bedrag aan hem moest overmaken. Uit nadere informatie bij de ING bank bleek dat zij wisten om welke man dit ging. De man die [slachtoffer 1] bedreigt, noemt zich in latere voicemailberichten [verdachte] . [slachtoffer 1] heeft een usb-stick aan de politie overhandigd met daarop de betreffende voicemailberichten waarin bedreigingen en beledigingen zijn ingesproken. Het gaat om voicemailberichten ingesproken op 18 mei 2018, 31 augustus 2018 en 2 september 2018. Van deze voicemailberichten bevindt zich ook een schriftelijke uitwerking in het dossier. [slachtoffer 1] heeft eerst in mei 2018 aangifte gedaan. In september 2018 heeft hij aangifte gedaan van de bedreigingen die in de latere voicemailberichten zijn gedaan. Dit betreft voicemailberichten van 31 augustus 2018 en 2 september 2018. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] in de periode mei 2018 tot en met 2 september 2018 gebeld en bedreigd zijn huis in brand te zullen steken. Het telefoonnummer van die [verdachte] dat toen door [slachtoffer 1] is genoteerd is [telefoonnummer] . In een van de dreigtelefoontjes die door [slachtoffer 1] is ontvangen, zegt de gebruiker van dit telefoonnummer dat hij eigenaar is van “ [telefoonnummer] ” en dat dit nummer sinds 1962 van [slachtoffer 1] was. De beller wil het geld terug dat van hem is afgepakt. De aangever is pastoor en in een voicemailbericht van 2 september 2018 wordt hij in die hoedanigheid bedreigd. Degene die de bedreigingen uit, heeft ook telefonisch contact opgenomen met de secretaresse van parochie [parochie] , gevestigd in [plaats] . Dit is de parochie van pastoor [slachtoffer 1] . De secretaresse herinnert zich een aantal maal door dezelfde verwarde persoon te zijn gebeld. Dit was in mei 2018. Zij heeft het telefoonnummer van de beller opgeslagen in haar telefoon. Dit betrof het nummer [telefoonnummer] . [slachtoffer 1] heeft [verdachte] herkend op de televisie in een aflevering van het programma Opgelicht als dezelfde persoon die bij hem aan de deur was geweest. Tijdens die televisie-uitzending kwam ook zijn - door [slachtoffer 1] in verband met de perikelen rond [verdachte] reeds opgeheven - bankrekeningnummer [rekeningnummer] prominent in beeld.

De verklaringen van [slachtoffer 1] vinden steun in het proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2018 betreffende het beluisteren van de drie geluidsfragmenten die op de door [slachtoffer 1] afgegeven usb-stick staan alsmede in het proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2019 betreffende het telefonisch contact met de secretaresse van de parochie [parochie] , die ook melding maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] .

Op de terechtzitting in hoger beroep op 13 november 2020 heeft verdachte verklaard dat hij ooit een keer bij [slachtoffer 1] is langs geweest en dat de naam van [slachtoffer 1] in een stuk van de ING bank stond.

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte degene is die [slachtoffer 1] in de periode van 18 mei 2018 tot en met 2 september 2018 telefonisch heeft bedreigd met de dood en met brandstichting en hem heeft beledigd en acht het in de zaak met parketnummer 08-770068-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 08-952773-18 feit 1

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er weliswaar camerabeelden voorhanden zijn, maar dat deze camerabeelden niet zijn voorzien van geluid. Derhalve kunnen de camerabeelden niet aan het bewijs voor de tenlastegelegde bedreiging bijdragen.

Het hof overweegt het volgende.

Namens [slachtoffer 2] , werkzaam bij Rabobank te Enschede, is aangifte gedaan door

[aangever] , eveneens werkzaam bij de Rabobank . Aangever meldt dat [slachtoffer 2] zich ernstig bedreigd heeft gevoeld door de uitlatingen die verdachte op 16 oktober 2017 heeft gedaan in de vestiging van de Rabobank op de locatie het [adres] in Enschede.

Verdachte heeft toen aan bankmedewerkster [slachtoffer 3] gevraagd of zij [slachtoffer 2] kent. Verdachte stelde dat [slachtoffer 2] zijn miljoenen had verduisterd. Verdachte heeft aangegeven dat hij binnen enkele dagen het geld dat hij had overgemaakt terug wilde ontvangen. Als dit niet zou gebeuren dan zou hij [slachtoffer 2] laten afmaken door een aantal Russen. Bij het verlaten van de bank heeft verdachte nogmaals geroepen dat [slachtoffer 2] afgemaakt wordt indien hij het geld niet terugkrijgt. Nadat verdachte deze bedreigingen had geuit, zei hij op een dreigende toon tegen bankmedewerkster [slachtoffer 3] : “Ik weet nu ook wie jij bent en ik zou er maar voor zorgen dat het geld binnen drie dagen op mijn rekening staat.” Op het moment dat verdachte deze woorden sprak, wees hij met twee vingers naar zijn eigen ogen en vervolgens met beide vingers naar het gezicht van [slachtoffer 3] . Zij heeft dit als een bedreiging ervaren.

Uit het proces-verbaal van het bekijken van de in de bank gemaakte camerabeelden blijkt dat er een man, geïdentificeerd als verdachte, het filiaal van de Rabobank komt in lopen, naar de balie loopt en papieren uit zijn tas haalt. Kennelijk toont hij die aan de persoon die achter de balie staat. Verdachte maakt daarbij ook nog diverse handgebaren. Naar het oordeel van het hof ondersteunen de camerabeelden hetgeen door [slachtoffer 2] (tegen [aangever] ) en [slachtoffer 3] is verklaard. Dat er bij deze beelden geen geluid te horen is, maakt dit niet anders. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Op de terechtzitting in hoger beroep op 13 november 2020 heeft verdachte erkend dat hij in de betreffende vestiging van de Rabobank in Enschede is geweest en daar een document heeft getoond waarover hij vragen had. Ook heeft verdachte erkend dat hij de naam [slachtoffer 2] heeft genoemd.

Op grond van het vorenstaande acht het hof de bedreigingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in de bank bewezen. Daarbij overweegt het hof nog dat de woorden die verdachte [slachtoffer 3] heeft toegevoegd en de gebaren die hij daarbij in haar richting maakte, gelet op de bedreiging die hij even daarvoor aan het adres van [slachtoffer 2] had geuit, in ieder geval als een bedreiging met zware mishandeling kan worden opgevat.

Een aantal dagen eerder, op 13 oktober 2017, is door verdachte telefonisch contact opgenomen met het klantencontactcentrum van de Rabobank . Hij is toen te woord gestaan door een andere medewerkster van de Rabobank . In dit gesprek werd door verdachte gezegd dat [slachtoffer 2] , directeur [locatie] , 2,4 miljoen euro van hem had gestolen. Indien hij dat geldbedrag niet binnen één week zou hebben, zou hij [slachtoffer 2] ophalen met een paar hele leuke vrienden en dit zou de laatste waarschuwing voor [slachtoffer 2] zijn. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hem uit het verslag van de contactmomenten tussen het klantcontactcentrum en klanten is gebleken dat verdachte op 13 oktober 2017 telefonisch identieke bedreigingen jegens hem heeft geuit.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de telefonische dreigementen qua strekking overeenkomen met de bedreigingen op 16 oktober 2017 en zij dienen, mede bezien in de context van het gesprek dat vervolgens op 16 oktober 2017 plaatsvond, als onderdeel van de strafbare bedreiging van [slachtoffer 2] beschouwd te worden.

Ten aanzien van parketnummer 08-952773-18 feiten 2 en 3

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ook van deze feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het dossier geen (objectief) bewijs bevat voor de aanname van de ING bank dat degene die de telefonische bedreigingen heeft geuit, heeft gebeld met het nummer [telefoonnummer] . De twee processen-verbaal van stemherkenning kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. De betreffende verbalisanten beschikken niet over bijzondere deskundigheid op het gebied van stemherkenning. Zij menen de stem van verdachte te herkennen op basis van een verhoor dat zij één jaar eerder met verdachte hebben gehad. De raadsman stelt dat dit verhoor te lang geleden is om tot een positieve stemherkenning te kunnen komen. Voorts hebben deze verbalisanten de positieve stemherkenning onvoldoende onderbouwd nu zij geen, althans onvoldoende specifieke onderscheidende kenmerken in de stem van verdachte hebben benoemd.

Het hof overweegt het volgende.

Blijkens de aangifte van de ING Bank is de bank in de periode van 31 augustus 2018 tot

6 september 2018 diverse malen telefonisch benaderd door de hun bekende ex- ING klant

[verdachte] . Sinds juli 2011 claimde [verdachte] dat hij houder was van het rekeningnummer [rekeningnummer] en dat op deze rekening grote sommen geld zouden staan die van hem waren. Genoemd rekeningnummer stond echter niet op naam van verdachte maar op naam van de eerder, in de zaak met parketnummer 08-770068-19 genoemde [slachtoffer 1] . Deze rekening is op 15 november 2011 op verzoek van [slachtoffer 1] door ING opgeheven.

Op 5 september 2018 heeft ING medewerker [slachtoffer 6] verdachte te woord gestaan. In dit gesprek dreigde verdachte ING bankkantoren in brand te (laten) steken. Ook is die dag een voicemailbericht ingesproken waarin werd gedreigd het ING gebouw in Hengelo in brand te steken. De ING Bank heeft in de aangifte een overzicht verstrekt van het telefoonnummer waarmee is gebeld door de degene die de bedreigingen heeft geuit. Dit betreft het nummer [telefoonnummer] . Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze informatie te twijfelen. Zoals hierboven in de zaak met parketnummer 08-770068-19 al is overwogen kan dit telefoonnummer aan verdachte worden toegeschreven.

De ING bank heeft geluidsfragmenten van het voicemailbericht en het telefoongesprek met [slachtoffer 6] aan de politie overgedragen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de geluidsfragmenten beluisterd en hebben de stem van verdachte herkend.

Namens de ING heeft medewerker [slachtoffer 9] aangifte gedaan van bedreiging op 7 september 2018. Hij heeft verklaard dat er die dag een voicemailbericht met bedreigende inhoud is ingesproken op het telefoonnummer van ING -medewerker [slachtoffer 7] . In verband met de vakantie van [slachtoffer 7] is dat voicemailbericht beluisterd door diens collega [slachtoffer 8] . [slachtoffer 9] heeft het betreffende voicemailbericht ook beluisterd en herkende de stem als van de hem bekende [verdachte] . Dit voicemailbericht is ook aan de politie overgedragen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben ook dit geluidsfragment beluisterd en daarin de stem van verdachte herkend.

Het hof heeft de geluidsfragmenten beluisterd en is van oordeel dat deze van voldoende kwaliteit zijn om daarop een betrouwbare herkenning te kunnen baseren. Mede gelet op de specifieke kenmerken die beide verbalisanten noemen en het persoonlijke contact dat zij met verdachte hebben gehad, heeft het hof geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisanten. Dat niet is gebleken dat verbalisanten deskundigen zijn op het gebied van stemherkenning doet hieraan niets af. Het verweer van de raadsman om de processen-verbaal van stemherkenning voor het bewijs uit te sluiten wordt verworpen.

Modus operandi

Het dossier bevat opgenomen en afgeluisterde voicemailberichten afkomstig van het telefoonnummer [telefoonnummer] van verdachte. Dat het verdachte is die deze berichten heeft ingesproken, leidt het hof af uit een combinatie van gegevens: het noemen van de naam [verdachte] , het telefoonnummer waar gebruik van is gemaakt, het herhaalde vermelden van het bankrekeningnummer bij de ING Bank eindigend op “ [telefoonnummer] ”, de vermelding dat geld van de beller is weggenomen, en de bewoordingen die worden gebezigd bij de bedreigingen, zoals: stukken uit het lichaam te zullen snijden, de bedreigde zal op straat een kogel krijgen, diens vlees zal als voer aan de varkens/ratten worden gegeven en dat hij het bloed zal worden gedronken van degene die wordt bedreigd.

Het hof betrekt daarbij ook dat de inhoud van de berichten sterke overeenkomst vertonen met die in de zaak met parketnummer 08-770068-19.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 08-952773-18 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-770068-19 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-952773-18 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 08-770068-19:

1.
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 18 mei 2018 tot en met 2 september 2018, te Eindhoven en/of te Enschede, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting, door die [slachtoffer 1] , eenmaal dan wel meermaals, dreigend de woorden toe te voegen:

- dat die [slachtoffer 1] op straat een kogel zal krijgen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat die [slachtoffer 1] de doodstraf zal krijgen, welke op straat zal worden uitgevoerd, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) van die [slachtoffer 1] een stuk van zijn lichaam zal afsnijden, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat die [slachtoffer 1] zijn huis in de fik zal staan, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 1] voor zijn kop zal rammen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 1] zal opeten en/of zijn vlees als voer aan de varkens zal geven, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 1] in precies 66 stukken zal snijden, en/of het bloed van die [slachtoffer 1] zal drinken en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] zal snijden, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) het een millimeter bloed van die [slachtoffer 1] zal nemen, voor elke euro, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 1] zal pakken en/of zijn bloed zal drinken en/of zijn adem zal nemen en/of die [slachtoffer 1] net als Jesus het licht in de ogen zal geven; althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

2.
hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 18 mei 2018 tot en met 2 september 2018, te Eindhoven en/of te Enschede, in ieder geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] , in zijn tegenwoordigheid en/of telefonisch en/of door het inspreken van de voicemail van die [slachtoffer 1] , mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen:

"Je bent een vieze neus christen en ik moet jou mijn geld hebben overgedragen, wie denk je dat jij bent hond. Ik ga jou adem nemen vieze muis. Net als Jezus ga ik jou licht in de ogen geven, vieze kankerkop.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Zaak met parketnummer 08-952773-18

1.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 oktober 2017 tot en met 16 oktober 2017, te Enschede, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer 2] (in zijn hoedanigheid als vestigingsdirecteur van de Rabobank ) en/of [slachtoffer 3] en/of de Coöperatieve Rabobank U.A . heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door [slachtoffer 4] [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] , in ieder geval een medewerker van de Rabobank eenmaal dan wel meermaals, dreigend de woorden toe te voegen:

- dat hij (verdachte) die [slachtoffer 2] met een paar leuke vrienden gaat ophalen als hij (verdachte) zijn geld niet binnen een week heeft, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij (verdachte) die [slachtoffer 2] laat afmaken door een aantal Russen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) dat hij die [slachtoffer 2] laat afmaken indien hij het geld niet terug krijgt, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij ook weet wie die [slachtoffer 3] is en zij ervoor moet zorgen dat het geld binnen 3 dagen op zijn rekening staat, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of daarbij met zijn (verdachtes) vinger(s) naar zijn (verdachtes) ogen dan wel gezicht te wijzen en/of daarna met zijn (verdachtes) vinger(s) naar die [slachtoffer 3] (haar gezicht) te wijzen;

2.
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 5 september 2018, te Hengelo, in ieder geval in Nederland, de ING Bank N.V. heeft bedreigd, met

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen, en/of

- brandstichting,

door de ING Bank N.V., althans een of meerdere medewerker(s) van de ING Bank N.V. (waaronder [slachtoffer 6] ), eenmaal dan wel meermaals, dreigend de woorden toe te voegen:

- dat het ING gebouw in Hengelo in de fik gaat, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij (verdachte) en/of hij (verdachte) met zijn vrienden ING -kantoren in het centrum van Almelo in de fik gaat/gaan steken, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat indien hij (verdachte) niet vandaag de beschikking over zijn geld heeft elke week een ING -kantoor in de fik gaat, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking;

3.
hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 7 september 2018, te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, die [slachtoffer 7] en/of de ING Bank N.V. heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling,

door die [slachtoffer 7] , dan wel [slachtoffer 8] , in ieder geval een medewerker van de ING Bank N.V. , eenmaal dan wel meermaals, dreigend de woorden toe te voegen:

- dat die [slachtoffer 7] niet meer zal leven indien die [slachtoffer 7] geen contact opneemt met verdachte, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) indien hij (verdachte) vandaag zijn rekening niet krijgt die [slachtoffer 7] voor maandag niet meer zal ademen en/of dat de familie en kinderen van die [slachtoffer 7] voor maandag niet meer zullen ademen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij die [slachtoffer 7] komt ophalen en/of zijn bloed zal drinken en/of die [slachtoffer 7] in stukken zal snijden en/of die [slachtoffer 7] aan de ratten zal voeren, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij die [slachtoffer 7] gaat pakken en/of dat die [slachtoffer 7] zal stoppen met ademen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking, en/of

- ( vervolgens) dat hij (verdachte) die [slachtoffer 7] bloed gaat drinken en/of die [slachtoffer 7] `gaat doen’ en/of die [slachtoffer 7] een kogel in zijn hoofd schiet, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 08-770068-19 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, bedreiging met zware mishandeling of bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 08-770068-19 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Het in de zaak met parketnummer 08-952773-18 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 08-952773-18 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen en bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 08-952773-18 onder 3 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte hebben E. Kuiper, arts-assistent in opleiding tot psychiater, onder supervisie van M.J. van Haaren, psychiater, en E.J. Muller, klinisch psycholoog, allen verbonden aan het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), op 18 juli 2019 een Pro Justitia rapport uitgebracht.

In het rapport concluderen de deskundigen dat bij verdachte in diagnostische zin sprake is van een chronisch psychotische stoornis met vooral paranoïde overtuigingen en grootheidsideeën en een preoccupatie met geld- en bankzaken. Uit de groepsobservaties komt naar voren dat verdachte daar volledig door in beslag wordt genomen. De deskundigen concluderen dat deze chronische psychotische stoornis met wanen en grootheidsideeën ook aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Verdachte werd ten tijde van het ten laste gelegde gevangen in zijn psychotische overtuigingen en was niet meer in staat zijn gedragsalternatieven te overwegen. De deskundigen concluderen dat zijn handelen in het geheel niet aan verdachte kan worden toegerekend.

De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich in zoverre aangesloten bij deze conclusies van de deskundigen.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen over en is evenals de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 08-770068-19 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-952773-18 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van maatregel

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal strafbare feiten. Hij heeft pastoor [slachtoffer 1] met de dood, zware mishandeling en brandstichting bedreigd. Ook heeft hij hem op grove wijze beledigd. Daarnaast heeft verdachte medewerkers van de Rabobank en de ING bank met de dood en brandstichting bedreigd. De slachtoffers hebben voor hun leven gevreesd en de impact van de bedreigingen was groot. Het personeel van de Rabobank heeft enige tijd beveiliging gekregen.

Omdat het bewezenverklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend, kan aan verdachte geen straf worden opgelegd. Straffen zijn alleen op hun plaats als verdachten verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun daden. Hier heeft verdachte echter zijn daden volledig onder invloed van zijn geestesziekte gepleegd. Wel kan het hof aan verdachte een maatregel opleggen. Een maatregel is bedoeld om anderen en de samenleving in het algemeen te beschermen tegen nieuwe strafbare feiten van de verdachte. Dit gebeurt door de verdachte te plaatsen in een beveiligde omgeving en hem te behandelen. Die behandeling heeft tot doel het herhalingsgevaar te verminderen. Bij de beantwoording van de vraag of een maatregel is aangewezen, kan de rechter niet alleen aan het belang van de veiligheid betekenis toekennen, maar ook aan de duur en de mate waarin een maatregel inbreuk maakt op de vrijheden van de verdachte.

De rechtbank heeft aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

voor de duur van één jaar ex artikel 37 Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud) opgelegd. Binnen een dergelijke maatregel werd de veroordeelde een jaar lang behandeld, in beginsel binnen de reguliere geestelijke gezondheidszorg (hierna: GGZ). Met ingang van 1 januari 2020 is echter de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) in werking getreden en met ingang van deze datum is de mogelijkheid om de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op te leggen komen te vervallen. Als gevolg van het overgangsrecht kan de maatregel, die de deskundigen van het PBC hadden geadviseerd, na 1 januari 2020 niet langer worden opgelegd. Wel zou het hof een andere strafrechtelijke maatregel kunnen opleggen en/of op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (hierna: Wfz) een zorgmachtiging kunnen afgeven als bedoeld in de Wvggz. Ook op grond van een zorgmachtiging kan een persoon verplicht worden behandeld binnen de reguliere GGZ.

Het hof heeft bij tussenarrest van 31 juli 2020 op grond van artikel 5:19, tweede lid, van

de Wvggz, de officier van justitie verzocht een verzoekschrift voor een zorgmachtiging in de zin van deze wet voor te bereiden, omdat het hof het noodzakelijk achtte de mogelijkheden voor het afgeven van een zorgmachtiging nader te doen onderzoeken.

Op 6 november 2020 heeft de officier van justitie bericht dat zij de resultaten van het

onderzoek door de geneesheer-directeur van Mediant heeft ontvangen. De medische

verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur zijn beide negatief. De officier van justitie heeft aangekondigd daarom geen verzoekschrift voor een zorgmachtiging in te

dienen.

In een memo van 9 november 2020 heeft de officier van justitie de beslissing om geen

verzoekschrift voor een zorgmachtiging in te dienen nader toegelicht. Volgens de officier van justitie is een zorgmachtiging niet aangewezen indien niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg zoals genoemd in artikel 3:3 Wvggz of de doelen van verplichte zorg, zoals genoemd in artikel 3:4 Wvggz, niet bereikt kunnen worden. Hierbij heeft de officier van justitie benadrukt dat het voorkomen van recidive niet benoemd is als één van de doelen van verplichte zorg. Dat in deze zaak de mogelijkheid van een zorgmachtiging is onderzocht in het kader van artikel 2.3 Wfz maakt dit volgens de officier van justitie niet anders.

De officier van justitie concludeert op basis van de medische verklaring en de bevindingen

van de geneesheer-directeur dat er bij verdachte geen actueel psychiatrisch toestandsbeeld is

waargenomen waarvoor (thans) een behandeling nodig is. Er is wel een psychiatrische stoornis vastgesteld op basis van het beschikbare dossier, maar er is op dit moment geen sprake van ernstig nadeel als bedoeld in de wet. Dit beeld wordt bevestigd door de medewerkers van PI Almelo, waar verdachte op dat moment verbleef. De officier van justitie concludeert dat er daarom niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg zoals bedoeld in artikel 3:3 Wvggz.

Uit onder meer voornoemd rapport van het PBC blijkt dat de verdachte in het verleden vaker is behandeld voor zijn problematiek, al dan niet met een machtiging op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz), die is vervangen door de Wvggz. Actuele psychotische symptomen kunnen worden bestreden, maar de wanen van de verdachte zijn niet blijvend verdwenen door de eerdere ondergane behandelingen. De deskundigen van het PBC merken in hun advies op dat psychiatrische behandeling is aangewezen gelet op de chronische pathologie en ter vermindering van het recidivegevaar en dat de behandeling zich zal moeten richten op het beïnvloeden van waanovertuigingen en het tot stand brengen van enige vorm van samenwerking met zijn behandelaars. Volgens de officier van justitie beogen de deskundigen van het PBC met een psychiatrische behandeling blijkbaar een behandeling die gericht is op het verminderen van recidive, maar het verminderen van recidive is geen doel van verplichte zorg zoals bedoeld in de Wvggz.

De officier van justitie heeft de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer

directeur met een beroep op de geheimhoudingsverplichting niet aan het hof verstrekt.

Op de terechtzitting van het hof van 13 november 2020 is de inhoudelijke behandeling voortgezet.

De advocaat-generaal heeft op deze zitting gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd. Omdat de door het PBC geadviseerde maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is komen te vervallen en er niet is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg bij gebreke van het bestaan van ernstig nadeel, blijven er volgens de advocaat-generaal twee afdoeningsopties open: hetzij een kaal ontslag van alle rechtsvervolging, waarbij de verdachte in vrijheid wordt gesteld zonder verplichte behandeling en begeleiding, hetzij ontslag van alle rechtsvervolging in combinatie met de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Gelet op de hardnekkige problematiek bij de verdachte en het grote recidivegevaar acht de advocaat-generaal een kaal ontslag van alle rechtsvervolging geen juiste afdoening. De chronische psychotische stoornis is nog steeds aanwezig en verdachte heeft tot dusver geen behandeling gehad. Er is nog steeds sprake van een gebrek aan ziektebesef en -inzicht. Gelet op de door het PBC aangewezen verplichte behandeling in een forensisch kader met een matig tot hoog beveiligingsniveau was de advocaat-generaal van oordeel dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege passend en geboden is.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet langer de conclusie is

gerechtvaardigd dat de verdachte in een juridisch (dwang)kader klinisch moet worden

behandeld. De uitkomst van het onderzoek door GGZ-instelling Mediant is dat er bij de

verdachte geen actueel psychiatrisch toestandsbeeld is waargenomen waarvoor nu een

behandeling nodig is. Ook is er op dit moment geen sprake van ernstig nadeel. Dit laatste

wordt bevestigd door de medewerkers van de PI waar de verdachte momenteel verblijft.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat, in geval de tenlastegelegde feiten bewezen worden verklaard, het gaat om feiten die beperkt zijn gebleven tot een verbale bedreiging. Dergelijke feiten zijn niet dusdanig dat zij de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling rechtvaardigen. Oplegging van deze maatregel dient een ultimum remedium te zijn en reeds uit het feit dat de aanvraag van de zorgmachtiging is stopgezet maakt dat niet alle, minder ingrijpende, maatregelen zijn geprobeerd. De verdediging acht het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling niet passend en heeft daarbij nog aangevoerd dat niet aan alle wettelijke vereisten voor het opleggen van deze maatregel wordt voldaan. Daarom heeft de raadsman verzocht om te volstaan met de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Aan de verdachte is toestemming gevraagd de medische stuken in de strafzaak met het hof te delen, maar hij heeft deze toestemming geweigerd.

Bij tussenarrest van 27 november 2020 heeft het hof overwogen dat het openbaar ministerie

ten onrechte de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur niet aan het onderhavige dossier heeft toegevoegd. Daarom heeft het hof het onderzoek heropend en de advocaat-generaal opgedragen de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur alsnog aan het dossier toe te voegen. Het hof heeft deze stukken begin december 2020 ontvangen. In het tussenarrest heeft het hof daarnaast beslist de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen. Kort gezegd lag hieraan ten grondslag dat deze hechtenis al zeer lang duurde en het gevaar voor herhaling kon worden beperkt door het stellen van voorwaarden.

Tijdens de voortzetting van de inhoudelijke behandeling op 30 maart 2021 heeft de advocaat-generaal de vordering om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen gehandhaafd. Subsidiair heeft de advocaat-generaal verzocht om een nieuw onderzoek door een psychiater en een psycholoog te doen verrichten, teneinde de vraag te beantwoorden op welke wijze verdachte veilig in de maatschappij kan terugkeren en of een terbeschikkingstelling met voorwaarden een passende maatregel kan zijn.

De raadsman heeft, uiteindelijk, bepleit de vordering van de advocaat-generaal tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege alsmede het verzoek om een nieuwe dubbelrapportage af te wijzen en te volstaan met het ontslag van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daarbij ook gewezen op het voortgangsverslag toezicht van de reclassering van 23 maart 2021. Daaruit komt naar voren dat het sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis per 4 december 2020 al een aantal maanden goed gaat met de terugkeer van verdachte in de maatschappij. Verdachte wil een kans om zijn leven te kunnen voortzetten. Hij heeft de afgelopen maanden laten zien dat hij dat kan. Hierdoor kan een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege helemaal niet meer aan de orde zijn.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof wijst het door de advocaat-generaal gedane verzoek om een nieuw onderzoek door een psychiater en een psycholoog te laten verrichten af omdat de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken. De deskundigen van het PBC hebben reeds een uitvoerig rapport uitgebracht en daarin zijn alle vragen beantwoord die naar het oordeel van het hof beantwoording behoeven. Het hof acht zich dan ook voldoende voorgelicht.

Over het afgeven van een zorgmachtiging overweegt het hof dat volgens de medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur er bij verdachte wel een psychiatrische stoornis kan worden vastgesteld op basis van het beschikbare dossier. Bij het onderzoek van de onafhankelijke psychiater uit de reguliere GGZ, kon echter geen actueel psychiatrisch toestandsbeeld worden waargenomen waaruit gedrag voortvloeit dat een ernstig nadeel veroorzaakt als bedoeld in de wet. Aldus is niet voldaan aan de criteria voor verplichte zorg zoals bedoeld in artikel 3:3 Wvggz en kan het hof geen zorgmachtiging afgeven.

Vervolgens is de vraag of een terbeschikkingstelling dient te worden opgelegd. De wettelijke vereisten voor opleggingen van een terbeschikkingstelling zijn ruimer dan voor het afgeven van een zorgmachtiging op grond van de Wvggz. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Voorts betreffen de door verdachte begane feiten - voor zover hier van belang - de misdrijven omschreven in de artikelen 285, eerste lid, Sr. In artikel 37a Sr worden deze feiten afzonderlijk genoemd als feiten waarvoor een terbeschikkingstelling kan worden opgelegd. Ten slotte hebben de deskundigen van het PBC de kans op recidive van verbale bedreigingen ingeschat als hoog.

Toch zal het hof niet overgaan tot oplegging van deze maatregel.

Een terbeschikkingstelling met voorwaarden heeft naar het oordeel van het hof geen kans van slagen. Uit het rapport van het PBC, maar ook een rapport van de reclassering volgt dat het verdachte ontbreekt aan ziekte-inzicht en behandelmotivatie en zich daarom naar verwachting niet aan de gestelde voorwaarden zal kunnen houden. Voor een eventuele behandeling is daarom een dwingender kader nodig, zoals een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Verdachte zou dan worden behandeld binnen een gesloten, hoog beveiligde setting gedurende een termijn die van tevoren niet vaststaat.

Het hof stelt vast dat de deskundigen van het PBC geen aanwijzingen zien voor escalatiegevaar, waarbij verdachte daadwerkelijk van bedreigingen zal overgaan naar fysiek agressief gedrag. Hierbij hebben de deskundigen onder andere in aanmerking genomen dat verdachte niet bekend is met fysieke agressie.

Verder is verdachte sinds 4 december 2020 onder voorwaarden geschorst uit voorlopige hechtenis. Uit het voortgangsverslag van de reclassering van 23 maart 2021 blijkt dat verdachte stabiel functioneert. Hoewel dit niet kan afdoen aan het door de deskundigen vastgestelde herhalingsgevaar voor verbale bedreigingen, is dit wel een aanwijzing dat dit gevaar zich niet onmiddellijk verwerkelijkt.

Het hof wil niet afdoen aan de hiervoor genoemde ernst van de bewezenverklaarde feiten. Zoals hiervoor overwogen, zijn de gevolgen voor de slachtoffers groot geweest en hebben de door verdachte geuite bedreigingen de gang van zaken bij een aantal zakelijke instellingen danig verstoord.

Bij de oplegging van een maatregel wordt echter niet alleen gekeken naar de ernst van het feit, maar met name naar het gevaar dat uitgaat van een verdachte en de wijze waarop dit gevaar kan worden ingeperkt. De kans op fysiek gewelddadig gedrag in de toekomst wordt door de deskundigen van het PBC nihil dan wel zeer gering wordt geacht, bij welke inschatting het hof zich aansluit. Verder zijn er voldoende aanwijzingen dat het gevaar op nieuwe verbale bedreigingen niet acuut is. Gelet hierop en gelet op de andere omstandigheden van het geval is het hof van oordeel dat in dit geval de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet eist.

Het vorenstaande brengt met zich dat het hof verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging van verdachte en hem geen maatregel zal opleggen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-770068-19 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-952773-18 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-770068-19 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 08-952773-18 onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis van verdachte.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. J.A.W. Lensing en mr. A. van Waarden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Broersma, griffier,

en op 13 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A. van Waarden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.