Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3505

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
21-004180-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van diefstal met geweld tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering. Toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Het hof gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een taakstraf van 200 uren, subsidiair 180 dagen hechtenis. Bewijsoverweging. Het hof acht bewezen dat verdachte het horloge van aangever aan de feitelijke heerschappij van de aangever heeft onttrokken en zich daarover een zodanig feitelijke heerschappij heeft verschaft dat sprake is van wegneming in de zin van art. 310 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004180-19

Uitspraak d.d.: 13 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juli 2019 met parketnummer 16-024973-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-659382-17, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, behalve voor zover het de opgelegde straf betreft. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E. van Reydt, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juli 2019 ter zake van het primair ten laste gelegde, kortgezegd: diefstal met geweld, veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen. Tot slot heeft de rechtbank gelast in plaats van de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, en voor het overige deel van de vordering de proeftijd verlengd met één jaar.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 5 september 2018 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, een horloge (merk Rolex), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- voornoemde [benadeelde partij] (met zijn vuist) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] en/of

- voornoemde [benadeelde partij] te prikken en/of te steken met een sleutel, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of de buik, althans in het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] en/of

- voornoemde [benadeelde partij] te schoppen en/of te trappen tegen het lichaam;


subsidiair
hij op of omstreeks 5 september 2018 te [plaats] , in elk geval in Nederland, opzettelijk een horloge (merk Rolex), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als potentiële koper en/of als houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of hij op of omstreeks 5 september 2018 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld, door

- voornoemde [benadeelde partij] (met zijn vuist) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] en/of

- voornoemde [benadeelde partij] te prikken en/of te steken met een sleutel, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of de buik, althans in het lichaam van voornoemde [benadeelde partij] en/of

- voornoemde [benadeelde partij] te schoppen en/of te trappen tegen het lichaam.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het primair tenlastegelegde

Door en namens verdachte is ter zitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Hiertoe is aangevoerd dat:

- verdachte zich het horloge heeft toegeëigend op het moment dat hij het anders dan door misdrijf, namelijk in het kader van een mogelijke koop van dat horloge, onder zich had. Onder die omstandigheden is geen sprake van een diefstal (met geweld) maar van verduistering.

- niet kan worden bewezen dat verdachte met de tenlastegelegde geweldshandelingen het oogmerk heeft gehad zich het bezit van het horloge te verzekeren of de vlucht mogelijk te maken. Er is aldus geen sprake van de voor artikel 312 Sr vereiste directe relatie tussen de diefstal en het geweld.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Uit het dossier volgt dat verdachte op 5 september 2018 een afspraak had in een woning aan de [adres] in [plaats] . Op enig moment is verdachte, die zich als koper geïnteresseerd toonde in het Rolex horloge van aangever, de woning binnengekomen. Hij vroeg aan aangever of hij zijn horloge mocht zien. Hierop heeft aangever het horloge getoond, terwijl hij deze nog om zijn pols had. Vervolgens heeft aangever het horloge losgemaakt en het aan verdachte gegeven, zodat hij het horloge beter kon bekijken. Verdachte heeft het horloge om zijn eigen (linker)pols gedaan en is enkele seconden later met het horloge om zijn pols de woning uitgerend. Aangever is achter verdachte aangerend. Verdachte bleef wegrennen totdat hij werd ingehaald. Verdachte heeft aangever in zijn gezicht geslagen waarna een worsteling is ontstaan. Uiteindelijk is het aangever met de hulp van omstanders gelukt om het horloge van de pols van aangever te halen. Aangever heeft verdachte toen losgelaten. Verdachte, die nog werd vastgehouden door omstanders, heeft aangever vervolgens nog tegen het lichaam getrapt. Verdachte heeft zich losgerukt van de omstanders en is weggelopen. Het horloge dat op de grond was gevallen is snel opgeraapt door aangever.

Verdachte heeft verklaard dat hij het een mooi horloge vond, maar dat hij er geen geld voor had. Aangever had gezegd dat het horloge rond de € 20.000,- had gekost. Hij is in een spontane bui met het horloge om zijn pols weggerend. Hij erkent dat hij aangever heeft geslagen en dat hij hem nog een schop na heeft gegeven.

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van diefstal van een aan een ander toebehorend goed – een en ander als bedoeld in art. 310 Sr – onder meer is vereist dat de dader zich de feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat:

- aangever zijn horloge aan verdachte gaf omdat verdachte had aangegeven dat hij de Rolex mogelijk wilde kopen en het horloge zo beter kon bekijken,

- verdachte enkele seconden nadat hij het horloge om zijn pols had gedaan (zonder geld te geven) met het horloge om zijn (linker)pols wegrende,

- verdachte bleef wegrennen, ook toen aangever hem achtervolgde, en

- verdachte niet heeft geholpen bij het afdoen van het horloge, sterker nog, deze van zijn pols moest worden getrokken en hij ook nog een trap na heeft gegeven.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat deze vastgestelde feiten niet leiden tot de conclusie dat op het moment van toe-eigening van de Rolex verdachte dit horloge al onder zich had en daarover als heer en meester kon beschikken.

Het hof acht bewezen dat verdachte het horloge van aangever aan de feitelijke heerschappij van de aangever heeft onttrokken en zich daarover een zodanig feitelijke heerschappij heeft verschaft dat sprake is van wegneming in de zin van art. 310 Sr.

Evenals de rechtbank acht het hof bewezen dat verdachte genoemde geweldshandelingen heeft aangewend met het oogmerk om met het gestolene te ontkomen en zich het bezit van het gestolene te verzekeren. Dat geldt ook voor het natrappen door verdachte, nu deze trap werd gegeven op het moment dat de situatie nog niet geëindigd was. Verdachte werd op dat moment nog vastgehouden door omstanders.

De verweren worden verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 5 september 2018 te [plaats] , een horloge (merk Rolex), dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen voornoemde [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- voornoemde [benadeelde partij] met zijn vuist te slaan in het gezicht, en

- voornoemde [benadeelde partij] te trappen tegen het lichaam.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 5 september 2018 schuldig gemaakt aan een nare beroving van aangever [benadeelde partij] . Enkele seconden nadat verdachte het kostbare Rolex-horloge van aangever om zijn pols kreeg is hij daarmee weggerend en heeft hij geprobeerd om met het horloge om zijn pols te vluchten. Toen hij door aangever in zijn kraag werd gevat heeft hij hem geslagen en getrapt. Het is aangever uiteindelijk gelukt om zijn horloge van de pols van verdachte te trekken.

Het door verdachte gepleegde misdrijf wordt door slachtoffers in het algemeen als ingrijpend ervaren en heeft vaak nadelige psychische gevolgen. Dat dit voor het slachtoffer ook geldt blijkt uit stukken die zijn overgelegd in het kader van de voeging als benadeelde partij. Bovendien versterkt dergelijk openlijk gewelddadig optreden de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 17 februari 2021 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook feiten met een geweldsaspect. Dit weegt het hof in het nadeel van verdachte mee.

Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier, in het bijzonder het afloopbericht toezicht van [naam] van 13 oktober 2020 en het reclasseringsadvies van Fivoor van 25 maart 2019, en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Van belang is dat het afloopbericht bevestigt dat er hulp is opgestart, dat verdachte een ambulante behandeling heeft ondergaan en dat hij vrijwillig onder behandeling is gebleven bij [naam] . Verdachte heeft ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden ter zitting van het hof verklaard dat hij onder bewind staat en bezig is met het aflossen van zijn schulden. Hij heeft een baan als chauffeur en woont samen met zijn vriendin en hun kinderen. Verdachte is niet recent opnieuw met justitie in aanraking gekomen.

Oplegging van een (grotendeels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur is in beginsel een passende en noodzakelijke sanctie. Het hof heeft daarbij ook gelet op de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot zakkenrollerij, tasjesroof en straatroof, artikel 310 - 317 van het Wetboek van Strafrecht, waar in het geval van een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.

Alles afwegend acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Voor een andere, mildere strafmodaliteit, komt verdachte, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, niet in aanmerking. De op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden dient ook als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst weer schuldig zal maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit. Het hof ziet, gelet op het afloopbericht en hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard omtrent zijn persoonlijke omstandigheden, geen aanleiding om daaraan nog andere bijzondere voorwaarden te verbinden dan een meldplicht met reclasseringstoezicht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.079,36, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 8 augustus 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, onder parketnummer 16-659382-17. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Nu de proeftijd (ruimschoots) is verstreken kan deze niet meer worden verlengd.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van na te melden duur gelasten. Het hof ziet – anders dan de raadsman – in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om de vordering volledig af te wijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt

of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden

of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Inforsa op het adres Noordse Bosje 43, 1211 BE in Hilversum en zich zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dit nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.079,36 (duizend negenenzeventig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 654,36 (zeshonderdvierenvijftig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 425,00 (vierhonderdvijfentwintig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.079,36 (duizend negenenzeventig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 654,36 (zeshonderdvierenvijftig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 425,00 (vierhonderdvijfentwintig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 september 2018.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 augustus 2017 met parketnummer 16-659382-17, te weten: een gevangenisstraf van zes maanden, een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 180 (honderdtachtig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. F. van der Maden en mr. M.C. van Linde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 13 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.