Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3448

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
21-000456-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens diefstal in vereniging tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Voorts heeft het hof de vordering benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 800,- aan immateriële schade, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000456-19

Uitspraak d.d.: 12 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 17 januari 2019 met parketnummer 18-173217-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 800,- vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. M.G.C. van Riet, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ter zake van het tenlastegelegde medeplegen van een diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. Voorts heeft de politierechter de vordering benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 800,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 september 2017, te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scheermachine, accu-oplader met snoer en/of een adapter met snoer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 september 2017, te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scheermachine, accu-oplader met snoer en een adapter met snoer, geheel toebehorende aan [benadeelde partij] BV.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor winkeliers veel hinder en schade oplevert. Vervolgens heeft hij het gestolen goed via internet doorverkocht. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de desbetreffende winkelier.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 februari 2021 - in het verleden onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, onder meer voor diefstal.

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsvrouw betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak het volgende. Namens verdachte is op 29 januari 2019 hoger beroep ingesteld. Onderhavig arrest van het hof dateert van 12 april 2021. Het hof stelt vast dat daarmee de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer twee maanden is overschreden. Gelet op de duur van de op te leggen straf zal het hof geen strafvermindering toepassen. De geconstateerde verdragsschending is voldoende gecompenseerd met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, zoals ook was opgelegd door de politierechter, passend en geboden. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door de verdediging ter zitting van het hof naar voren zijn gebracht geen reden om een kortere gevangenisstraf op te leggen of voor een andere strafmodaliteit te kiezen. Het hof zal voornoemde straf dan ook aan verdachte opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 800,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De benadeelde partij heeft € 1.000,- aan materiële schade gevorderd, bestaande uit € 749,- voor de kosten van de gestolen scheermachine en € 251,- aan kosten die gemaakt zijn vanwege het uitkijken en aanleveren van de camerabeelden.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat niet duidelijk is of het bedrag van € 749,- inclusief of exclusief BTW is. Omdat de benadeelde partij de BTW kan verrekenen kan volgens de raadsvrouw maximaal een bedrag ter hoogte van € 650,52 worden toegekend.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof zal voor de schadepost van de gestolen scheermachine een bedrag van € 650,62 toewijzen, nu de vordering in zoverre niet is betwist. Het hof overweegt dat het gevorderde bedrag voor het bestuderen van de camerabeelden niet nader is onderbouwd. Het hof zal dit bedrag matigen en acht een totaalbedrag van € 800,- ter vergoeding voor de scheermachine en het bestuderen van de camerabeelden billijk en voor toewijzing vatbaar.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 16 (zestien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 september 2017.

Aldus gewezen door

mr. A.H. toe Laer, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Veenbaas, griffier,

en op 12 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Foppen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.