Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3442

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
21-003452-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het rijden terwijl verdachte wist dat de bevoegdheid daartoe hem was ontzegd en voor het overschrijden van de maximumsnelheid. Alles afwegend acht het hof oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken passend en geboden. Daarnaast legt het hof verdachte ter zake van het rijden gedurende de rijontzegging een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden op, en ter zake van overschrijden van de maximumsnelheid een taakstraf voor de duur van dertig uren, te vervangen door vijftien dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003452-19

Uitspraak d.d.: 12 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2019 met parketnummer 96-170090-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en afdoening conform het vonnis waarvan beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. U. van Ophoven, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van drie weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden opgelegd. Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde heeft de politierechter een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis opgelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 28 februari 2017 te [plaats] , terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, [adres1] , een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;


2.
hij op of omstreeks 28 februari 2017 te [plaats] als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [adres1] , geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 159 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het rijden tijdens rijontzegging

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op het moment dat hij de auto op 28 februari 2017 bestuurde niet wist dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd.

Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.

Verdachte heeft op 1 maart 2017 bij de politie verklaard dat hij weet dat hij een fout heeft gemaakt om te rijden zonder rijbewijs. Hij heeft tevens verklaard dat hij de auto waarin hij reed had geleend van een kennis en dat hij tegen deze kennis heeft gelogen dat hij een rijbewijs had. Uit het dossier blijkt voorts dat op 6 juli 2016 aan verdachte in persoon een ‘kennisgeving ingang ontzegging rijbevoegdheid’ is uitgereikt, en dat het Openbaar Ministerie op 5 december 2016 een ontvangstbevestiging van het rijbewijs naar verdachte heeft verzonden. Gelet op het voorgaande overweegt het hof dat verdachte op 28 februari 2017 wist dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd. Het hof verwerpt het verweer.

Overweging met betrekking tot het bewijs van de snelheidsovertreding

Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gereden op de [adres1] , omdat uit het proces-verbaal blijkt dat de snelheidsovertreding is geconstateerd op de [adres2] ter hoogte van de [adres3] . Daarnaast blijkt uit het dossier onvoldoende hoe de snelheid is gemeten en is er geen gebruik gemaakt van een geijkte snelheidsmeter.

Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.

Uit het ‘proces-verbaal snelheid’ d.d. 1 september 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant1] , blijkt dat hij op 28 februari 2017 verdachte heeft zien rijden in een auto op de openbare weg. [verbalisant1] heeft middels een geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte boordsnelheidsmeter van een dienstmotorvoertuig de werkelijke snelheid van verdachte vastgesteld, door hem met gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Naar het oordeel van het hof is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van het door de verbalisant [verbalisant1] op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 28 februari 2017 te [plaats] , terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

2.
hij op 28 februari 2017 te [plaats] als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 159 kilometer per uur.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het als bestuurder rijden in een auto terwijl hij wist dat hem die bevoegdheid was ontzegd. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan een overschrijding van de maximumsnelheid op een autoweg. De snelheidslimiet en de daarop toegespitste controles ter handhaving daarvan dienen het belang van de verkeersveiligheid. Met zijn handelen heeft verdachte het belang van de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, geschaad.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 februari 2021, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder ook ter zake van artikel 9 van de Wegenverkeerswet. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Hij trekt zich klaarblijkelijk weinig aan van de eerdere straffen die hem voor soortgelijke feiten zijn opgelegd.

Alles afwegende en in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof ter zake van feit 1 oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken passend en geboden. Daarnaast legt het hof verdachte ter zake van feit 1 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden op, en ter zake van feit 2 een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 62 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 9, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-170090-17 onder 1 bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A.H. toe Laer, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Veenbaas, griffier,

en op 12 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.