Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3403

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
21-002501-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht tot een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van voorarrest en toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002501-20

Uitspraak d.d.: 9 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 juli 2020 met parketnummer 18-067357-20 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-210434-17, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte, ter zake van hetgeen hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd tot een gevangenisstraf van twee maanden. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-210434-17 vordert de advocaat-generaal algehele toewijzing. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. Snorn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 juli 2020 veroordeeld ter zake van hetgeen hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd tot een gevangenisstraf van twee maanden. Daarnaast heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-210434-17.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 9 januari 2020 te [plaats2] , gemeente [gemeente1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen auto's, te weten een Citroën C5 en/of een Toyota Corolla, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam1] B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.
hij op of omstreeks 14 februari 2020 te [plaats3] , gemeente [gemeente2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde partij1] heeft bedreigd met

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat, en/of

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

- zware mishandeling, en/of

- brandstichting, door die [benadeelde partij1] een mail te sturen met daarin de tekst "Morgen-ochtend géén geld; blaas ik je auto op of nog ergerderderder".

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat hij het medeplegen van diefstal bewezen acht. Er is sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [naam2] en verdachte. [naam2] en verdachte kwamen een Citroën C5 ophalen. In de tussentijd hebben [naam2] en verdachte gebruik gemaakt van de onoplettendheid van de autoverkoper en is verdachte met de Toyota Corolla weggereden. De Corolla is niet teruggebracht, maar later bij [naam2] aangetroffen. [naam2] erkent dit ook met zoveel woorden. Het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening staat niet ter discussie.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de aangevoerd dat de tenlastegelegde diefstal enkel betrekking heeft op de Toyota Corolla en niet op de Citroën C5. Primair voert de raadsman aan dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de Toyota Corolla niet blijkt uit de stukken in het dossier. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de Toyota Corolla rechtmatig in het bezit was van verdachte en [naam2] , nu zij daar waren, sleutels kregen, zij een proefrit wilden maken en verdachte zijn paspoort en geld heeft achtergelaten op de bar. Als er al oogmerk aanwezig was, dan zou sprake zijn geweest van verduistering, maar dat is niet tenlastegelegd. Om die reden moet vrijspraak volgen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 1 wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Hiertoe wordt in het bijzonder het volgende overwogen.

Feiten 1

Aangever [naam3] heeft op 9 januari 2020 namens [naam1] B.V. te [plaats2] aangifte gedaan van diefstal van onder andere een Toyota Corolla. Aangever heeft verklaard dat verdachte interesse toonde in een Toyota Corolla, met kenteken [kenteken] . Hierop heeft aangever de sleutel van de auto ter beschikking gesteld om de auto te bekijken. Er is geen proefrit afgesproken of anderszins toestemming gegeven om met het voertuig te rijden.

Omstreeks 14:40 uur, zag de verkoper (het hof begrijpt: getuige [getuige] ) dat de Toyota de parkeerplaats afreed. Hij zag dat verdachte reed en vermoedde dat hij deze aan de voorzijde zou parkeren en dat het voertuig mogelijk verkocht zou zijn. Op hetzelfde moment zag aangever dat de Citroën C5 de openbare weg opreed, dit zonder verzekering en/of tenaamstelling. Aangever heeft gekeken waar verdachte was in de Toyota, maar deze was ook verdwenen. De verkoper heeft nog telefonisch contact gehad met verdachte en deze zou binnen een half uur terug zijn in [plaats2] . Hij zou een plotseling sterfgeval hebben en daar eerst voor moeten zorg dragen. Hij is niet teruggekomen.2

Getuige [getuige] heeft op 7 februari 2020 verklaard dat hij de verkoper is geweest die contact heeft gehad met verdachte over de verkoop van de C5. Hij verklaart dat hij bezig was met de verkoop van de auto aan verdachte en dat hij de sleutels had gegeven, omdat verdachte de auto wilde bekijken. Op een gegeven moment zocht [getuige] verdachte omdat hij zijn paspoort had achtergelaten, maar verdachte was verdwenen. Na een kwartier dacht [getuige] dat het niet klopte en de andere auto (het hof begrijpt: de Toyota Corolla) bleek ook weg te zijn. Op de camerabeelden zag [getuige] dat verdachte reed. Hij zag dat verdachte in de Corolla stapte. [getuige] heeft verdachte een paar keer gebeld, maar hij nam niet op. Later nam verdachte op en hij zei dat er iemand op sterven lag. [getuige] zei dat verdachte terug moest komen, maar verdachte kwam niet terug. Toen heeft [getuige] de aangifte doorgezet.3

Verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] hebben verklaard dat zij op 9 januari 2020 omstreeks 16:48 uur over de Rijksweg A7 reden van [plaats4] in de richting van [plaats5] . Op een gegeven moment zagen zij de betrokken Toyota in tegengestelde richting passeren. Hierop hebben zij hun voertuig gedraaid en de betreffende auto ter hoogte van de T-splitsing met de [adres1] een stopteken gegeven. Hieraan voldeed de bestuurder. Verbalisant herkende de bestuurder ambtshalve als [naam2] . Hierop is het betreffende voertuig met kenteken [kenteken] in beslag genomen, afgesleept door [naam4 ] en gestald achter het (het hof begrijpt: politie-)bureau in [plaats2] .4 Bij de politie heeft getuige [naam2] hierover verklaard dat verdachte hem had gezegd dat hij de auto gekocht had en op naam zou zetten. [naam2] verklaarde ook dat verdachte hem niets had verteld over een sterfgeval en dat hij binnen een half uur weer terug zou zijn. In plaats daarvan had [naam2] hem, nadat ze samen waren weggegaan, naar huis gebracht.

Conclusie

Op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat uit de feitelijke handelingen van verdachte, zoals naar voren komt uit genoemde bewijsmiddelen, blijkt dat sprake is geweest van een voltooide diefstal van de Toyota Corolla. Verdachte is zonder toestemming van aangever weggereden en heeft als heer en meester over de Toyota Corolla beschikt. De verklaring van verdachte dat hij plotseling weg moest in verband met een sterfgeval is niet aannemelijk geworden en het feit dat de Toyota Corolla vervolgens door de politie op de Rijksweg A7 aangetroffen met [naam2] achter het stuur is daarmee in tegenspraak.

Vrijspraak diefstal Citroën C5 en medeplegen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Op basis van het dossier kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging, nu de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [naam2] naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan. Het enkele feit dat [naam2] later rijdend in de Toyota Corolla is aangetroffen, maakt niet dat hij als medepleger van de diefstal kan worden aangemerkt. Tevens is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat verdachte van de diefstal van de Citroën C5 moet worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat hij het medeplegen van de bedreiging bewezen acht. De verklaring van verdachte ter zitting is daarvoor op zichzelf al redengevend, nu verdachte heeft verklaard dat zij samen de tekst hebben opgesteld en dat [naam2] op de verzendknop heeft gedrukt. Dit is een schoolvoorbeeld van bewuste en nauwe samenwerking.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de tekst in de bedreiging “"Morgen-ochtend géén geld; blaas ik je auto op of nog ergerderderder", in de context gezien moet worden. Gelet hierop stelt de raadsman dat met de ridicule zinssnede “nog ergerderderder” niet de redelijke vrees zou kunnen zijn ontstaan bij aangever dat zijn auto opgeblazen zou worden. Om die reden moet vrijspraak volgen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder 2 wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Hiertoe wordt in het bijzonder het volgende overwogen.

Feiten 5

Aangever [naam5] heeft op 18 februari 2020 aangifte gedaan van bedreiging dat plaatsvond op 14 februari 2020 te [plaats3] . Aangever verklaart dat hij werkzaam is bij [naam6] en curator is van [naam2] . Aangever ontving al regelmatig e-mails van [naam2] , en had al vrij snel in de gaten dat het niet [naam2] was die deze mails verstuurd, gelet op het taalgebruik in de e-mails. Toen aangever [naam2] aansprak op zijn e-mails, gaf [naam2] aan dat zijn kameraad [verdachte] uit [plaats1] de e-mails verstuurde namens [naam2] , naar diverse instanties. Woensdagmorgen, 19 februari 2020 heeft aangever [naam2] nog telefonisch gesproken. [naam2] gaf aangever toen wederom te kennen dat hij aangever geen mailberichten had verstuurd en zeker geen bedreigingen tegen aangever had geuit. Op zondag 16 februari 2020 ontving aangever op zijn werkmail, [benadeelde partij1] @ [naam6] .nl het volgende mailtje: Morgen-ochtend géén geld ; blaas ik je auto op of nog ergerderderder !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!6

Omdat de mails welke [verdachte] namens [naam2] verstuurd, steeds heftiger worden, weet aangever niet waar toe [verdachte] in staat is en dat beangstigt aangever heel erg. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.7

Medeverdachte [naam2] is op 15 maart 2020 verhoord. Hij verklaart op de vraag wie deze mails heeft opgesteld en verzonden dat het verdachte is geweest.8

Conclusie

Het hof stelt voorop dat van een bedreiging in strafrechtelijke zin naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad pas sprake is indien de bedreiging onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij de betrokkene de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zal worden gepleegd. Deze redelijke vrees is objectief van aard en kan dus niet enkel worden bepaald door de bij het slachtoffer veroorzaakte angstgevoelens.

De hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof de tenlastegelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen acht in die zin dat verdachte de bedreiging heeft begaan. Het gerechtshof heeft, mede gelet op de context van het geheel waarbinnen de tenlastegelegde bedreiging zich heeft afgespeeld geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. De door verdachte gedane uitlating is van dien aard en onder zodanige omstandigheden gedaan dat bij aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat door toedoen van verdachte gevaar voor de algemene veiligheid van goederen kon ontstaat. Dat dit ook daadwerkelijk is gebeurd blijkt duidelijk uit de aangifte van [naam5] . Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het verweer van de verdediging.

Vrijspraak medeplegen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Op basis van het dossier kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging in vereniging, nu de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [naam2] gelet op hetgeen daaromtrent in de aangifte is verklaard als ook de verklaring van [naam2] en van verdachte zelf bij de politie, naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 9 januari 2020 te [plaats2] , een Toyota Corolla, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam1] B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.
hij op 14 februari 2020 te [plaats3] , [benadeelde partij1] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van goederen ontstaat door die [benadeelde partij1] een mail te sturen met daarin de tekst "Morgen-ochtend géén geld; blaas ik je auto op of nog ergerderderder".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van goederen ontstaat.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot oplegging van een gevangenisstraf van drie weken, waarvan twee weken voorwaardelijke met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot de strafoplegging.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 9 januari 2020 schuldig gemaakt aan een brutale diefstal van een Toyota Corolla. Diefstal is een hinderlijk feit dat ergernis en overlast veroorzaakt voor de gedupeerde. De verdachte heeft met dit bewezen verklaarde feit aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander.

Daarnaast heeft verdachte op 14 februari 2020 zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van goederen ontstaat. Door het handelen van verdachte heeft hij [naam5] schrik en/of angst aangejaagd. Dit rekent het hof verdachte aan.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 februari 2021 blijkt dat verdachte meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder meer voor soortgelijke feiten.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Echter, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan alsmede de aanhoudende recidive van verdachte, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niettemin passend en geboden, zoals de politierechter dat heeft opgelegd. Het hof is van oordeel dat een voorwaardelijke straf geen zin meer heeft, nu verdachte vaker is veroordeeld en opnieuw is gerecidiveerd. Diverse pogingen van de reclassering om verdachte, middels oplegging van bijzondere voorwaarden, op het rechte pad te houden zijn gestrand vanwege de voortdurend onwillige opstelling van verdachte. Het hof heeft ter zitting een beeld van verdachte gekregen dat past in de beschrijving in de reclasseringsrapportages. De reclassering heeft aangegeven dat er geen contra-indicaties bestaan om verdachte vast te zetten en dat verdachte niet ongeschikt is voor detentie.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Noord-Nederland van 9 maart 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 21 dagen, met aftrek van voorarrest, parketnummer 18-210434-17. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 maart 2018, parketnummer 18-210434-17, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) dagen.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 9 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0100-2020069570, gesloten en getekend op 11 april 2020 door [verbalisant3] , Brigadier van de politie Eenheid Noord-Nederland.

2 Proces-verbaal van aangifte, d.d. 9 januari 2020, opgenomen op pagina 10 en 11 van het dossier, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [naam3] , namens [naam1] B.V.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 7 februari 2020, opgenomen op pagina 13 van het dossier, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige] .

4 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 januari 2020, opgenomen op pagina 16 van het dossier, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] .

5 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0100-2020069570, gesloten en getekend op 11 april 2020 door [verbalisant3] , Brigadier van de politie Eenheid Noord-Nederland (pagina 27 en verder van het dossier).

6 Een ander geschrift, te weten een e-mailbericht verzonden door [naam7] < [naam7] @gmail.com>, d.d. 16 februari 2020, opgenomen op pagina 30 en verder van het dossier, voor zover verzonden aan [naam6] – [benadeelde partij1] @ [naam6] .nl inhoudende het onderwerp: Re: 1000 [benadeelde partij1] + Castratie.

7 Proces-verbaal van aangifte, d.d. 20 februari 2020, opgenomen op pagina 27 en verder van het dossier, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [naam5] .

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 15 maart 2020, opgenomen op pagina 33 en verder van het dossier, voor zover inhoudende de verklaring van [naam2] .