Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3383

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.268.954/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelverbod, dwangsom. Het appelverbod is onverkort van toepassing in zaken waarin wordt geprocedeerd over de dwangsom terwijl geen sanctie van meer dan € 70 resteert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.268.954/01

CJIB-nummer

: 202940606

Uitspraak d.d.

: 8 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 12 juli 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is R. Brasser, kantoorhoudende te Drachten.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft beslist op het beroep tegen het niet toekennen van een dwangsom door de officier van justitie en op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding en om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

Van de gemachtigde van de betrokkene zijn op 27 oktober 2020 en op 4 maart 2021 brieven ontvangen. Deze zijn (in kopie) doorgestuurd naar de advocaat-generaal. Verder zijn op 22 maart 2021 stukken ontvangen via de gemachtigde van de betrokkene.

De zaak is behandeld op de zitting van 25 maart 2021. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. De bij inleidende beschikking opgelegde sanctie is door de officier van justitie in administratief beroep ongedaan gemaakt.

2. De gemachtigde van de betrokkene heeft zich ter zitting van het hof primair op het standpunt gesteld dat het appelverbod van artikel 14, eerste lid, van de Wahv niet van toepassing is in zaken waarin in hoger beroep een geschil over de dwangsom aan de orde is. Hij voert daartoe aan dat uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wahv (Kamerstukken II 1997/98, 25 927, nr. 3) volgt dat de wetgever met het instellen van de appelgrens heeft beoogd hoger beroep uit te sluiten voor zaken van gering belang. Daarbij is de hoogte van de sanctie destijds zo bepaald, dat alleen lichte verkeersovertredingen werden uitgesloten. In de onderhavige zaak gaat het om het niet toekennen van een dwangsom van € 1.260,-, zodat geen sprake van gering belang. Volgens de gemachtigde kan uit de wetgeschiedenis niet worden afgeleid dat de wetgever met het instellen van de appelgrens het oog heeft gehad op situaties als deze. Toen bestond de Wet dwangsom en beroep niet tijdig beslissen nog niet. Door het appelverbod te doen gelden in situaties als deze kan, wanneer de keuze wordt gemaakt de inleidende beschikking te vernietigen, de Staat een hoop geld worden bespaard. De gemachtigde is op de hoogte van de vaste jurisprudentie van het hof op dit punt, maar verzoekt het hof om zijn standpunt te wijzigen.

3. De bevoegdheid van het hof om kennis te nemen van geschillen als deze, die hun grondslag vinden in de beslissing op het administratief beroep tegen de inleidende beschikking en het niet tijdig beslissen op dat beroep, is neergelegd in artikel 14 van de Wahv.

4. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 14, eerste lid, van de Wahv dat degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld alsmede de officier van justitie tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep kunnen instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 70,-. Deze laatste situatie doet zich hier voor.

5. De wetgever heeft in de invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, welke wet ook gelding heeft voor de Wahv, geen aanleiding gezien om artikel 14, eerste lid, van de Wahv te wijzigen. Aan de omstandigheid dat bij de door de gemachtigde genoemde wijziging van de Wahv de Wet dwangsom en beroep niet tijdig beslissen niet bestond, kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat de wetgever met de in artikel 14, eerste lid, van de Wahv opgenomen appelgrens niet het oog heeft gehad op situaties als deze.

6. Het hof heeft eerder overwogen dat het bij geschillen aangaande de vaststelling van de dwangsom bij niet tijdig beslissen kan gaan om bedragen die aanzienlijk hoger zijn dan € 70,-, terwijl in geschillen die voortvloeien uit een Wahv-procedure mogelijk in een niet onbelangrijk deel daarvan de kantonrechter de eerste en enige rechter zal zijn. Voor zover dit uit een oogpunt van rechtseenheid ongewenst wordt geacht ligt het op de weg van de wetgever om dat belang opnieuw af te wegen (vgl. het arrest van 3 april 2013, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2013:2333). Het hof ziet geen aanleiding om op zijn vaste jurisprudentie terug te komen.

7. De gemachtigde stelt zich subsidiair op het standpunt dat doorbreking (het hof begrijpt: buiten toepassing laten) van het appelverbod gewettigd is. Hiertoe wordt aangevoerd dat de kantonrechter een cruciale beroepsgrond onbesproken heeft gelaten. Door deze beroepsgrond, die beslissend kan zijn voor de uitkomst van het geding bij de kantonrechter, onbesproken te laten, heeft de kantonrechter de uit artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende motiveringsplicht geschonden. Ook heeft de kantonrechter essentiële bewijsstukken niet meegenomen in zijn beoordeling. Dit is eveneens in strijd met artikel 6 van het ERVM.

8. In artikel 6 van het EVRM ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:6402). In dit geval is niet gebleken dat de betrokkene geen toegang tot de rechter heeft gehad. Het bezwaar van de gemachtigde komt er in de kern op neer dat de kantonrechter niet in voldoende mate is ingegaan op de aangevoerde argumenten en een onjuiste beslissing heeft genomen. Dit is geen reden om het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.