Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3355

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.264.048/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De ambtenaren waren te voet en constateerden een groot aantal gedragingen. In die situatie was er geen reële mogelijkheid voor staandehouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.264.048/01

CJIB-nummer

: 212110551

Uitspraak d.d.

: 7 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Oost-Brabant van 11 april 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De advocaat-generaal heeft wel een aanvullend stuk overgelegd. Dit is (in kopie) gestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene, die daar schriftelijk op heeft gereageerd.

De advocaat-generaal heeft op de schriftelijke reactie van de gemachtigde gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring, eenrichtingsweg (bord C4)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 november 2017 om 08:55 uur op de Irislaan in Leende met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

2. De gemachtigde voert in de eerste plaats aan dat de bestuurder van het voertuig ten onrechte niet is staande gehouden. De ambtenaar stond samen met nog drie andere ambtenaren te handhaven in opdracht van de gemeente. Het is onbegrijpelijk dat de ambtenaren niet simpelweg een stopteken konden geven. De reden die wordt opgegeven is dat er teveel voertuigen waren om deze staande te houden, maar dat is volgens de gemachtigde geen geldige reden om geen toepassing te geven aan artikel 5 van de Wahv.

3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

4. De verklaring van de ambtenaren in het zaakoverzicht houdt - voor zover hier relevant - in dat zij hebben gezien dat met het voertuig van de betrokkene de geslotenverklaring werd genegeerd en dat geen staandehouding heeft plaatsgevonden omdat het een staande controle betrof en er teveel voertuigen voorbij kwamen om deze stuk voor stuk staande te houden.

5. Het hof acht op basis van de verklaring van de ambtenaren aannemelijk dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding is geweest. Aannemelijk is dat de ambtenaren op dat moment niet in staat waren de bestuurder een stopteken te geven en staande te houden, te meer nu het voertuig van de betrokkene reed en zij lopend waren. Aldus mocht de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Overigens leidt het hof uit het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal af dat de ambtenaren met zijn tweeën waren en niet, zoals de gemachtigde suggereert, met zijn vieren. Het verweer van de gemachtigde wordt dan ook verworpen.

6. De betrokkene persisteert er verder bij dat het na 09:00 uur was dat zij daar door de straat is gereden. Volgens het “beleidskader digitaal handhaven van het openbaar ministerie”, bladzijde vier, mag er bovendien niet meer gehandhaafd worden vanaf vijf minuten voorafgaand aan het tijdstip waarop het verkeer weer over een bepaalde weg mag rijden. De gemachtigde twijfelt of de gedraging wel om 08:55 uur is geconstateerd, nu er ook een kleine afwijking in het horloge van de ambtenaar kan zitten. De kantonrechter is aan dit punt geheel voorbij gegaan.

7. Het hof stelt vast dat de kantonrechter het standpunt van de gemachtigde op het punt van het beleidskader onbesproken heeft gelaten. Met betrekking tot de vraag of dit motiveringsgebrek tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter moet leiden dan wel of er ruimte bestaat om de beslissing van de kantonrechter te bevestigen met verbetering van gronden, overweegt het hof het volgende.

8. In het aanvullend proces-verbaal dat in hoger beroep is overgelegd verklaart ambtenaar [B] , die de gedraging mede heeft geconstateerd dat, om discussie te voorkomen, om 08:55 uur is gestopt met het bekeuren en dat de genoemde overtreding derhalve nooit om 09:01 uur kan hebben plaatsgevonden. De enkele niet onderbouwde stelling van de gemachtigde dat de bestuurder niet om 08:55 uur maar na 09:00 uur geverbaliseerd is, is onvoldoende om aan te nemen dat dit wel het geval was.

9. Verder voert de gemachtigde aan dat handhaving op negatie van C-borden enkel is geoorloofd indien dat is gebeurd in het kader van de leefbaarheid. De geslotenverklaring op de Irislaan is niet ingesteld met betrekking tot de leefbaarheid, aldus de gemachtigde. Daarnaast is het besluit niet gepubliceerd en heeft daardoor geen rechtskracht gekregen.

10. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd voor overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in samenhang met het bord C4 van dat reglement. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar [B] , brigadier van politie, en door ambtenaar [C] , aspirant van politie.

11. Het hof begrijpt dat de gemachtigde, gelet op artikel 6.4 onder 16 van de Beleidsregels boa, de bevoegdheid van de opsporingsambtenaren bestrijdt. Deze beleidsregels zijn echter niet van toepassing, nu de onderhavige gedraging is geconstateerd door twee ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid. Voor zover de gemachtigde beoogt te betogen dat de bebording niet is gebaseerd op een rechtsgeldig verkeersbesluit nu het besluit niet op de voorgeschreven wijze zou zijn gepubliceerd, verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1055). Overigens blijkt uit de stukken dat het verkeersbesluit in 2009 in een lokale krant is gepubliceerd en dat dit gelet op artikel 26 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (geldend op 13 mei 2009), rechtsgeldig is bekendgemaakt. Het verweer faalt.

12. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing gegeven. Het hof zal die beslissing bevestigen, zij het, gelet op ov. 7., met verbetering van gronden.

13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.