Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3333

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.252.529/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Ook tijdens een controle in burger kan het onder omstandigheden mogelijk zijn een staandehouding uit te voeren. De ambtenaar moet (kort, maar concreet) toelichten waarom staandehouding gezien de omstandigheden niet kon plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.252.529/01

CJIB-nummer

: 202661001

Uitspraak d.d.

: 7 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Oost-Brabant van 27 november 2018, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 24 maart 2021. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990) eenrichtingverkeer”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 november 2016 om 17:10 uur op de [a-straat] in [C] met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan, evenals in de procedure bij de kantonrechter, dat niet genoegzaam is gebleken dat de ambtenaar de sanctie niet aan de bestuurder kon opleggen. De enkele omstandigheid dat de ambtenaar in burgerkleding prostituees controleerde, maakt niet dat van staandehouding mocht worden afgezien. Het voertuig is immers in de [a-straat] (het woonadres van de bestuurder) gestopt en aangenomen moet worden dat de ambtenaar zich kon legitimeren. Derhalve is de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd.

3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

4. In een op 7 juni 2017 opgemaakt ambtsedig proces-verbaal van bevindingen verklaart de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd:

“Op 1 november 2016, te 17.10 uur, zag ik dat een Seat voorzien van het kenteken [0-YYY-00] de [a-straat] te [C] in reed. Het voertuig kwam vanaf de kruising met de Grote Berg. Hier staat aan het begin van de [a-straat] verkeersbord C2 (geslotenverklaring/éénrichtingsverkeer). Ik had op dat moment een prostitutie controle dienst en deze dienst is in burgerkleding. Derhalve vond geen staandehouding plaats.”

5. Het hof is - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat de vermelding dat de constatering is gedaan tijdens een prostitutie controle in burgerkleding, onvoldoende is om te concluderen dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voor gedaan. Ook tijdens een dienst in burgerkleding kan onder omstandigheden sprake zijn van een reële mogelijkheid om een bestuurder van een voertuig staande te houden en/of aan te spreken. Er zijn echter ook omstandigheden denkbaar waarbij zich dan geen reële mogelijkheid voordoet om tot staandehouding over te gaan, bijvoorbeeld doordat genoemde controle te voet werd gehouden waarbij er doorgaans geen reële mogelijkheid is om de bestuurder van een rijdende auto staande te houden, of omdat de ambtenaar niet in een onopvallend dienstvoertuig reed en geen gebruik kon maken van een transparant of andere stopmiddelen om de bestuurder van het voertuig dat een gedraging heeft verricht staande te houden. Van de ambtenaar mag worden verwacht dat hij die omstandigheden (kort maar concreet) noemt in zijn toelichting.

6. Het verweer over de staandehouding is reeds in de procedure bij de officier van justitie gevoerd en heeft tot de onder 4 genoemde verklaring geleid. Het hof acht het niet geraden om thans nogmaals nadere informatie op te (doen) vragen bij de ambtenaar.

7. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het onderhavige voertuig heeft voorgedaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. Dat leidt tot de hierna te vermelden beslissing. De overige bezwaren van de gemachtigde hoeven nu niet meer te worden besproken.

8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van de beroepschriften bij de officier van justitie, de kantonrechter en het hof dienen in totaal 3 procespunten te worden toegekend. Het hof ziet geen aanleiding om voor de nadere toelichting in hoger beroep een vergoeding toe te kennen, nu deze een herhaling van eerder aangevoerde argumenten behelst. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van

(3,5 x € 534,- x 0,5) = € 934,50.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 934,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.