Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3306

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
21-002367-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging. Bevestiging vonnis met aanvulling en met uitzondering van de strafoplegging. Schending redelijke termijn. Het hof legt aan verdachte een taakstraf op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002367-19

Uitspraak d.d.: 7 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van

15 april 2019 met parketnummer 08-760057-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkende dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. Y. Karga, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen. Het hof zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 april 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte, voor zover thans nog aan de orde, ter zake van het onder 3 primair tenlastegelegde “openlijk geweld in vereniging plegen tegen personen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist ten aanzien van de bewezenverklaring, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de kwalificatie. Ten aanzien van de hoogte van de straf en de motivering daarvan komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Wel zal het hof het vonnis met aanvulling van de gronden bevestigen.

Aanvulling van gronden

Het hof overweegt in aanvulling op het vonnis van de rechtbank als volgt.

Vooropgesteld wordt dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld.

Het hof verenigt zich - na (ook) zelf de beelden meermalen (nauwkeurig) te hebben bekeken - met de overweging van de rechtbank op pagina 6 van het vonnis waar de rechtbank overweegt dat uit de camerabeelden blijkt dat verdachte de confrontatie met [benadeelde partij1] heeft gezocht, zich niet heeft gedistantieerd toen [benadeelde partij1] klappen kreeg van anderen en zich actief in de vechtpartij heeft begeven door een trappende beweging in de richting van [benadeelde partij1] te maken. Verdachte heeft tegenover de politie, na het zien van de camerabeelden, ook zelf erkend dat te zien is dat hij een trappende beweging in de richting van [benadeelde partij1] heeft gemaakt. Verdachte heeft daarmee een voldoende significante bijdrage geleverd aan het geweld richting [benadeelde partij1] . Gelet hierop is de rechtbank terecht tot een bewezenverklaring van het onder 3 primair tenlastegelegde feit gekomen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 5 februari 2017 schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen aangever [benadeelde partij1] . Verdachte heeft daarmee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij1] . Het ging om uitgaansgeweld in een drukbezocht café in de binnenstad van [plaats] . Er is een vechtpartij ontstaan waarbij geweld is gebruikt jegens aangevers [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] , waarbij laatstgenoemde uiteindelijk zeer ernstig letsel aan zijn oog heeft opgelopen. Hoewel verdachte zelf geen geweld heeft gebruikt tegen [benadeelde partij2] en niet rechtstreeks verantwoordelijk is voor het jegens hem gepleegde geweld en het daardoor ontstane letsel, is verdachte wel degene geweest die de confrontatie heeft gezocht met [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] . Naar aanleiding daarvan is de vechtpartij ontstaan waarbij uiteindelijk het zeer forse geweld (uitgeoefend door anderen) jegens [benadeelde partij2] zich heeft voorgedaan. Dit soort uitgaansgeweld heeft niet alleen een grote invloed op de slachtoffers, maar ook op degenen die er ongewild getuige van zijn.

Het hof heeft in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 februari 2021 voor zover daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens geweldsfeiten. In het voordeel van verdachte pleit dat hij sinds eind 2017 niet opnieuw met de politie in aanraking is gekomen wegens het plegen van strafbare feiten.

Het hof houdt voorts ten voordele van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg diende te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Als uitgangspunt heeft in deze zaak voorts te gelden dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. De redelijke termijn is aangevangen op 13 februari 2017, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Het eindvonnis is gewezen op 15 april 2019. De redelijke termijn is aldus met iets meer dan twee maanden overschreden. Daarnaast is de inzendingstermijn overgeschreden met vijf maanden, nu verdachte hoger beroep heeft ingesteld op 29 april 2019 en het dossier pas op 29 mei 2020 door het hof is ontvangen. Deze overschrijding dient bij de strafoplegging te worden gecompenseerd.

Zonder schending van de redelijke termijn zou de oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren naar het oordeel van het hof een passende bestraffing zijn, maar gelet op de overschrijding van de redelijke termijn volstaat het hof met de oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. Het hof ziet - anders dan is geëist door de advocaat-generaal - thans geen reden om aan verdachte, naast voornoemde taakstraf, ook nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt in totaal € 136.845,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De vordering heeft betrekking op de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van de onder 1 en 2 tenlastegelegde (poging tot) (zware) mishandeling (in vereniging) en de openlijke geweldpleging in vereniging jegens [benadeelde partij2] . Zoals hiervoor onder ‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep’ is overwogen is verdachte niet‑ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Deze feiten zijn dus in hoger beroep niet meer aan de orde. Dit brengt mee dat omtrent de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij2] in hoger beroep niet meer kan worden beslist.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf en de strafmotivering en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. M.C. van Linde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,

en op 7 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.