Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3278

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
20/00006 en 20/00007
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:5287, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek proceskostenveroordeling bij intrekking hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-04-2021
FutD 2021-1283
V-N Vandaag 2021/954
NTFR 2021/1452
NLF 2021/0908 met annotatie van
V-N 2021/27.25.11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 20/00006 en 20/00007

uitspraakdatum: 6 april 2021

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het verzoek van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

om

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende naar aanleiding van de intrekking van het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 19 november 2019, nummers AWB 19/2050 en AWB 19/2538, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur

1 Beoordeling van het verzoek

1.1.

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde uitspraak van de Rechtbank inzake de door de Inspecteur opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2015 en 2016 en de daarbij berekende belastingrente. Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 14 januari 2021. Na de zitting heeft belanghebbende nadere stukken overgelegd en heeft overleg plaatsgevonden tussen partijen. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspecteur besloten tegemoet te komen aan de grieven van belanghebbende. Daarop heeft belanghebbende zijn hoger beroep ingetrokken.

1.2.

Belanghebbende heeft tegelijk met de intrekking van het hoger beroep op grond van artikel 8:75a, eerste lid, in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Belanghebbende heeft ter toelichting op dit verzoek een formulier proceskosten ingediend, waarop hij een bedrag heeft vermeld van € 131 aan proceskosten, overgemaakt via bank op 1 maart 2020. Daarnaast heeft belanghebbende een kopie van een afschrijving van € 131 van zijn bankrekening ingediend, inzake de betaling van het griffierecht.

1.3.

De Inspecteur heeft het Hof bij brief van 16 maart 2021 medegedeeld dat hij instemt met toewijzing van het verzoek en vergoeding van de kosten zoals door belanghebbende toegelicht en dat hij instemt met het achterwege laten van een zitting. Het Hof heeft belanghebbende bij brief van 17 maart 2021 gevraagd uiterlijk binnen één week na die datum te laten weten of hij over het verzoek ter zitting wil worden gehoord. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd.

1.4.

Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:57 van de Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

1.5.

Het Hof begrijpt dat belanghebbende uitsluitend verzoekt om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht. De wet biedt niet de mogelijkheid in deze procedure de Inspecteur daartoe te gelasten. Het verzoek om een proceskostenveroordeling moet daarom worden afgewezen. Dit neemt echter niet weg dat, nu het hoger beroep is ingetrokken omdat de Inspecteur aan de grieven van belanghebbende is tegemoetgekomen, de Inspecteur op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb gehouden is het ter zake van de ingestelde beroepen betaalde griffierecht van € 47 voor de zaak die door de Rechtbank is aangeduid met nummer AWB 19/2050 en nogmaals € 47 voor de zaak die door de Rechtbank is aangeduid met nummer AWB 19/2538, alsmede het ter zake van het ingestelde hoger beroep betaalde griffierecht van € 131, aan belanghebbende te vergoeden.

2 Beslissing

Het Hof wijst het verzoek van belanghebbende af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

te ondertekenen.

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 april 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.