Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3262

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.273.032/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen voorrang verlenen. De ambtenaren hebben hun conclusie dat de betrokkene geen voorrang verleende niet onderbouwd. Ook overigens blijkt niet dat de bestuurder van het andere voertuig zijn weg niet ongehinderd kon vervolgen. De gedraging staat niet vast. Volgt vernietiging van de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.273.032/01

CJIB-nummer

: 221942864

Uitspraak d.d.

: 6 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Oost-Brabant van 6 november 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

Op 2 juni 2020 is nog een schrijven van de betrokkene ontvangen en zijn beelden ingebracht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. In hoger beroep klaagt de betrokkene erover dat hij diverse keren om aanvullende informatie in de vorm van beelden heeft verzocht, maar dat aan zijn verzoek steeds niet werd voldaan. Pas enkele maanden nadat hij beroep tegen de beslissing van de officier van justitie had ingesteld, ontving hij een tweetal foto’s. De betrokkene merkt op dat de officier van justitie hem niet de gelegenheid heeft gegeven om inhoudelijk op de foto’s te reageren. Ook tijdens de behandeling van het beroep door de kantonrechter was die mogelijkheid er niet. Volgens de kantonrechter was dat niet noodzakelijk en ook niet gebruikelijk.

2. Het hof verstaat dit bezwaar aldus dat de betrokkene meent dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie, op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb, in de fase van het administratief beroep gehouden is op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Het gaat daarbij om de stukken waarop de voor de sanctieoplegging relevante gegevens zijn vermeld en de stukken die de ambtenaar bij het opleggen van de sanctie heeft gebruikt (vgl. het arrest van dit hof van 2 februari 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:1050). Verder moeten als op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt de stukken die de officier van justitie in verband met het tegen de opgelegde sanctie gevoerde verweer heeft opgevraagd alvorens op het administratief beroep te beslissen.

4. Het hof stelt vast dat de ambtenaar, blijkens het zaakoverzicht, ten tijde van het constateren van de gedraging foto’s heeft gemaakt. Ook stelt het hof vast dat de betrokkene in het administratief beroepschrift heeft verzocht om aanvullende informatie in de vorm van beeld(en) van het verweten feit. Door de foto's niet toe te sturen aan de betrokkene maar op het beroepschrift te beslissen, heeft de officier van justitie gehandeld in strijd met zijn informatieplicht. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

5. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie opgelegd van € 230,- voor: “Bij op wegdek aangebrachte “haaietanden” geen voorrang verlenen aan bestuurders op kruisende weg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 december 2018 om 15:26 uur op de Vlasmeersestraat in Vught met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

6. De betrokkene voert aan dat de twee foto’s die van de gedraging zijn gemaakt een beeld geven van slechts twee seconden van een veel langer durend voorrangsproces; het beeld is dus incompleet. Door de afslaande actie van het voorste voertuig is de snelheid van dat voertuig en de achteropkomende voertuigen langzaam van 50 km/h teruggelopen naar 30 km/h. Op het moment dat de betrokkene begreep dat het voorste voertuig naar rechts zou afslaan, is hij zijn actie gestart om de Glorieuxlaan op te rijden. Door de snelheid vertragende actie van het naar rechts afslaande voertuig, was het verantwoord om de Glorieuxlaan op te rijden zonder daarbij het andere verkeer te hinderen of te belemmeren. De betrokkene stelt daarnaast dat de ambtenaren de gedraging niet hebben kunnen waarnemen. Dit omdat de ambtenaren zich op een te grote afstand bevonden op het moment dat hij de Glorieuxlaan opreed en ook vanwege de buiging ter plaatse in de weg. Verder voert de betrokkene aan dat de haaientanden zijn geplaatst direct voor het fietspad en om die reden slechts voor het kruisende fietspad gelden. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de betrokkene een aantal foto’s en beelden van de situatie ter plaatse ingebracht.

7. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 62 in verbinding met artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Artikel 62 van het RVV 1990 bepaalt dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Ingevolge artikel 80 van het RVV 1990 hebben haaientanden de volgende betekenis: “de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg”.

Artikel 1 van het RVV 1990 bepaalt dat onder voorrang verlenen wordt verstaan: het de betrokken bestuurders in staat stellen hun weg ongehinderd te vervolgen.

8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast de volgende verklaring van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd:

“Wij zagen dat betrokkene op de kruising van de Vlasmeersestraat met de Glorieuxlaan, een personenauto die op de Glorieuxlaan reed geen voorrang verleende. Voor betrokkene golden duidelijk op het wegdek zichtbare haaientanden, zie foto’s.”

9. De door de ambtenaren genoemde foto’s bevinden zich bij de stukken. Op de eerste foto is te zien dat er voor het voertuig van de ambtenaren (op de Glorieuxlaan) twee personenauto’s rijden. De voorste auto is donker van kleur en is bezig naar rechts af te slaan. De zilverkleurige auto direct voor het voertuig van de ambtenaren is net de oversteekplaats voor fietsers gepasseerd en zet de bocht naar links in om de afbuigende weg te vervolgen. Van rechts (Vlasmeersestraat) komen twee donkerkleurige voertuigen. Het voorste van die voertuigen - het voertuig van de betrokkene - bevindt zich op dat moment met twee voorwielen op de fietsstrook/rijbaan van de naar links afbuigende Glorieuxlaan. In de bocht is de rijbaan aanmerkelijk breder dan het gedeelte voor en na die bocht. De gereden snelheid van het ambtenaren bedraagt op dat moment 34 km/h. Op de tweede foto is te zien dat de voorste naar rechts afslaande auto zich bevindt ter hoogte van het fietspad. De zilverkleurige auto rijdt verder de bocht in. Het voertuig van de betrokkene bevindt zich voor ongeveer de helft op de fietsstrook/rijbaan voor het doorgaande verkeer. De ambtenaren reden op dat moment met 32 km/h.

10. De verklaring van de ambtenaren dat de betrokkene een personenauto die op de Glorieuxlaan reed geen voorrang verleende, is te kwalificeren als een conclusie. Feiten en omstandigheden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de bestuurder van de betreffende personenauto zijn weg niet ongehinderd kon vervolgen, zijn in die verklaring niet opgenomen. Ook uit de hierboven door de ambtenaren ingebrachte foto’s blijkt niet dat en in welk opzicht de bestuurder van de betreffende personenauto zijn weg niet ongehinderd kon vervolgen. Het dossier bevat daarmee onvoldoende informatie voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand blijven. Het hof zal die beschikking daarom vernietigen.

11. Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voornoemd CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.