Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3234

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.246.617/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De enkele mededeling van de ambtenaar dat staandehouding vanwege de verkeersintensiteit niet mogelijk was, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen reële mogelijkheid was de bestuurder staande te houden. Volgt vernietiging van de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.246.617/01

CJIB-nummer

: 199144795

Uitspraak d.d.

: 6 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank

Noord-Holland van 11 juni 2018, betreffende

mr. J. van Gemert,

kantoorhoudende te Nijmegen,

(beweerdelijk) optredende als gemachtigde voor

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Mr. J. van Gemert (hierna: Van Gemert) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

Van Gemert heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat, nadat de gelegenheid was geboden een ondertekende machtiging in te dienen, een machtiging is toegestuurd die niet op deze zaak betrekking heeft.

2. Het hof stelt vast dat uit de stukken genoegzaam kan worden afgeleid dat Van Gemert door de betrokkene is gemachtigd beroep in te stellen tegen de opgelegde sanctie. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de overgelegde machtiging niet voldoet.

3. De beslissing van de kantonrechter kan, gelet op het voorgaande, niet in stand blijven en het hof zal die beslissing dan ook vernietigen. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

4. De officier van justitie heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard.

5. De gemachtigde van de betrokkene voert tegen de beslissing van de officier van justitie onder meer aan dat de hoorplicht is geschonden. Er was verzocht om te worden gehoord en het beroep was niet kennelijk ongegrond.

6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift (op de juiste wijze) heeft verzocht om te worden gehoord. Nu de gemachtigde heeft verzocht om te worden gehoord en de uitzonderingsgevallen om te worden gehoord van artikel 7:17 van de Awb zich ook niet voordoen, heeft de officier van justitie ten onrechte afgezien van het horen van de betrokkene. De beslissing van officier van justitie kan daarom niet in stand blijven. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Hetgeen overigens tegen deze beslissing naar voren is gebracht behoeft daarmee geen bespreking meer. Ter beoordeling van het hof staat nu het beroep tegen de inleidende beschikking.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd

van € 309,- voor: “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom,

met 30 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 juni 2016 om 14:50 uur op de Leimuiderweg N207 in Leimuiderbrug met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

8. De gemachtigde voert aan dat ten oprechte op kenteken is bekeurd. De verklaring van de ambtenaar dat staandehouding niet kon plaatsvinden in verband met verkeersintensiteit is te summier en onvoldoende. De nadere toelichting van de betrokken ambtenaar in het proces-verbaal van bevindingen van 9 december 2020 is van zeer algemene aard en ziet niet op de situatie van de betrokkene, aldus de gemachtigde. Een en ander klemt volgens de gemachtigde te meer, nu de betrokkene heeft opgemerkt dat het volgens hem helemaal niet druk was rond het bewuste tijdstip dat hij de controle passeerde.

9. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.

10. Het zaakoverzicht vermeldt in dit verband: “Reden geen staandehouding: in verband met verkeersintensiteit.”

11. Het hof is van oordeel dat de enkele vermelding van verkeersintensiteit onvoldoende is om te concluderen dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de betrokkene heeft voor gedaan, terwijl de nadere informatie die de ambtenaar in dit verband - ruim vier jaar na het vaststellen van de gedraging - heeft verstrekt van algemene aard is en niet direct betrekking heeft op de omstandigheden zoals deze zich op het moment van constateren van de gedraging hebben voorgedaan.

12. Uit het voorgaande volgt de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het onderhavige voertuig heeft voorgedaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. De zekerheidstelling moet aan de betrokkene worden gerestitueerd.

13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 3,5 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de

zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 934,50 (= 3,5 x € 534,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 934,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.