Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3218

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
200.269.651
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De nadere afspraken over het gebruiksrecht van de woning kunnen niet los worden gezien van de nietige afspraken om de geldende huwelijkse voorwaarden te wijzigen. Appellante kan het gebruiksrecht niet tegenwerpen aan de curator en dient mee te werken aan verkoop en ontruiming van de woning. Ook geen sprake van een huurrelatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.269.651

(zaaknummers rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 341352)

arrest van 6 april 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. G.P. Geelkerken

tegen

Mr. Eric René Looijen q.q. (curator in faillissement van [B] ),

wonende te Arnhem,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie,

hierna: de curator,

advocaat: mr. J.J.P.T. van Summeren.

1 Het verder verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 30 juni 2020 waarin een meervoudige comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van de meervoudige comparitie van 2 december 2020 waarin de meervoudige kamer is gewraakt door [appellante] ;

- de beslissing van 24 december 2020 van de wrakingskamer waarbij het wrakingsverzoek is afgewezen;

- het proces-verbaal van de voortgezette meervoudige comparitie van 10 maart 2021.

1.2

De curator heeft tijdens de zitting van 2 december 2020 bezwaar gemaakt tegen een onderdeel van het op 12 november 2020 door mr. Geelkerken toegezonden digitale procesdossier van de rechtbank. Het gaat hier om het mapje met de naam “het dossier”, dat bestaat uit ongeveer 400 losse documenten, genummerd 1000 tot en met 5057. De curator veronderstelt dat dit de documenten zijn waar in een in eerste aanleg overgelegd document “Index bewijsdossier ondergang Eurocommerce” op pagina 2 naar wordt verwezen. Op die pagina staat achter bijlage 4 vermeld, dat deze bijlage een link bevat die toegang geeft tot “de cloud met 350 documenten”. De documenten die via die link te raadplegen zijn, zijn echter nooit als productie in onderhavige procedure ingebracht. Ook heeft de curator geen link ontvangen, zodat de documenten niet tot het procesdossier behoren. In reactie hierop heeft mr. Geelkerken tijdens de zitting verklaard dat hij de stukken net zo in het geding heeft gebracht als zijn voorganger, mr. Vlaar.

Het hof zal de door de curator genoemde stukken buiten beschouwing laten. Niet gebleken is dat deze stukken in eerste aanleg zijn overgelegd op een wijze dat de curator en de rechtbank daartoe toegang had. De hoger beroep stukken van [appellante] bevatten geen verwijzing naar deze stukken en ze zijn ook niet opnieuw als productie in hoger beroep overgelegd. Daarnaast geldt dat de stukken een zodanige omvang hebben dat zonder enige toelichting van mr. Geelkerken het onduidelijk is welke functie deze stukken in onderhavige procedure vervullen. De stukken die mr. Geelkerken voor de zitting van 2 december 2020 aan het hof en de curator heeft verstuurd maken wel onderdeel uit van het dossier, zoals uit het proces-verbaal van die zitting blijkt.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het door [appellante] aangeleverde procesdossier, waarbij de processtukken van de rechtbank uitsluitend digitaal zijn overgelegd.

2 De feiten

2.1

Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank in het vonnis van 7 augustus 2019 (hierna: het vonnis, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBGEL:2019:6360) onder 2.1 tot en met 2.16 heeft vastgesteld. Voor de leesbaarheid vat het hof hierna de door de rechtbank vastgestelde feiten samen, zonder de in het vonnis vermelde citaten. Ook stelt het hof aanvullend feiten vast.

2.2

[appellante] en [B] (hierna: [B] ) zijn [in] 1979 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap en opname van een finaal verrekenbeding in geval van echtscheiding. [B] is (indirect) bestuurder en aandeelhouder van vennootschappen die de Eurocommerce groep vormen.

2.3

[B] is eigenaar van de woning aan de [a-straat 1] te [A] (hierna: de woning). Dit is de echtelijke woning van [B] en [appellante] .

2.4

[B] en [appellante] hebben al dan niet tezamen met hun twee kinderen afspraken over de verdeling van het vermogen van [B] op schrift gesteld op:

- 2 juli 2009, een brief van [appellante] aan [B] over de periodieke "Verrekening huwelijkse voorwaarden";

- 28 juli 2009, een overeenkomst over de inboedel en gebruiksrecht door [appellante] van de woning (hierna: de gebruiksovereenkomst);

- 2 augustus 2009, een brief van [B] aan [appellante] over de rechten van [appellante] op de opgebouwde vermogensbestanddelen van [B] ;

- 28 september 2009, de overeenkomst "Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden" (hierna: VVHV);

- 14 oktober 2009, de overeenkomst "Uitvoering betalingen zoals overeengekomen in de "Verrekening Verleden Huwelijkse Voorwaarden" ("VVHV") d.d. 28 september 2009 (Artikel 5)";

- 3 april 2010, een aanvullende overeenkomst.

De overeenkomsten zijn ondertekend door [B] , [appellante] en hun twee volwassen kinderen.

2.5

Stichting Syanora (hierna: Syanora) is bij akte van 15 december 2010 opgericht met - samengevat - als doelomschrijving het ten behoeve van [B] , zijn echtgenote ( [appellante] ) en afstammelingen beheren, bewaren en in stand houden van vermogen.

2.6

In een document, gedateerd op 20 december 2010, is onder meer opgenomen dat de gebruiksovereenkomst van 28 juli 2009 met betrekking tot het onderwerp huisvesting (artikel 3, 4 en 5) door Syanora zal worden nageleefd. De aanhef van dit document luidt:

“Stichting Syanora (…) vertegenwoordigd door haar bestuurders [B] en mevrouw [appellante] , komen het onderstaande overeen”. Ook dit document is ondertekend door [B] en [appellante] (beiden namens Syanora) en hun twee kinderen.

2.7

Volgens de leveringsakte van 30 december 2010 (productie 17 bij memorie van antwoord) heeft [B] de eigendom van de woning overgedragen aan Syanora voor € 1.

In artikel 4 is opgenomen:

“De heer [B] zal het Verkochte (de woning, hof) vandaag aan de Stichting feitelijk ter beschikking stellen (afleveren), vrij van huur en andere gebruiksrechten en vrij van gebruikers zonder recht of titel, ontruimd en ongevorderd, met dien verstande dat de heer [B] het Verkochte zelf blijft bewonen en gebruiken”.

2.8

Op 12 juli 2012 is een aantal Eurocommerce vennootschappen (hierna: Eurocommerce) in staat van faillissement verklaard.

2.9

Op 27 november 2012 is [B] in staat van faillissement verklaard.

2.10

De curator heeft bij brief van 13 maart 2013 de buitengerechtelijke vernietiging ingeroepen van de verkoop en levering van de woning aan Syanora. Op 14 maart 2013 heeft de curator beslag gelegd op de woning.

2.11

Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 juni 2016 zijn de VVHV en de daarmee samenhangende afspraken, waaronder de afspraken van 2 augustus 2009 en de levering van de woning door [B] aan Syanora (zie 2.7) nietig verklaard wegens strijd met artikel 1:115 BW en artikel 1:119 lid 1 BW. De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 december 2017 het cassatieberoep tegen dit arrest verworpen met toepassing van artikel 81 RO (ECLI:NL:HR:2017:3256).

2.12

Bij brief van 11 oktober 2017 heeft de curator aan [B] en [appellante] meegedeeld dat de gebruiksovereenkomst nietig dan wel vernietigbaar is op grond van artikel 3:40 BW, heeft hij de woning teruggevorderd onder verwijzing naar artikel 7A:1788 BW en heeft hij [appellante] gesommeerd te bevestigen dat zij de woning vrijwillig en tegelijkertijd met [B] zal ontruimen.

2.13

Op 2 februari 2021 heeft dit hof arrest gewezen in de zaak tussen Syanora en [appellante] enerzijds en de curator anderzijds (ECLI:NL:GHARL:2021:968). In dat arrest heeft het hof het vonnis van 27 februari 2019 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (ECLI:NL:RBGEL:2019:1097) bekrachtigd. In dat vonnis heeft de rechtbank, voor zover voor onderhavige zaak van belang, voor recht verklaard dat de VVHV en alle daarmee samenhangende afspraken, waaronder de afspraken dan wel overeenkomsten van 2 juli 2009, 28 juli 2009 (de gebruiksovereenkomst), 2 augustus 2009, 14 oktober 2009 en 3 april 2010, nietig zijn.

3 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

[appellante] heeft bij de rechtbank in conventie, sterk samengevat, gevorderd om voor recht te verklaren dat zij op basis van de gebruiksovereenkomst gerechtigd is om van de woning gebruik te maken, dat zij op basis van die overeenkomst voor de rest van haar leven gebruik van de woning kan maken en dat de curator gedurende die periode niet gerechtigd is om de woning op grond van artikel 7A:1788 BW terug te vorderen. Voorts vordert [appellante] dat de rechtbank zal bepalen dat de curator per direct alle activiteiten stopzet in verband met de liquidatie in het faillissement van [B] die [appellante] raken, in het bijzonder de ontruiming van de woning en tevens dat de curator nader onderzoek zal doen naar het failleren van [B] en dat de zaak op de parkeerrol zal worden geplaatst. De rechtbank heeft alle vorderingen van [appellante] afgewezen en heeft haar veroordeeld in de proceskosten.

3.2

In reconventie heeft de curator, sterk samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd dat de rechtbank, primair, A) voor recht zal verklaren dat de gebruiksovereenkomst nietig is, B) [appellante] zal veroordelen om de woning te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking aan de curator te stellen en C) [appellante] zal veroordelen tot het verlenen van haar medewerking aan het toegang verschaffen in en tot de woning teneinde de verkoop van de woning mogelijk te maken. Vordering B) en C) op straffe van verbeurte van een dwangsom. Subsidiair, voor zover de rechtbank in conventie oordeelt dat de gebruiksovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en [appellante] een recht van bruikleen heeft, heeft de curator onder D) een veroordeling gevorderd gelijk aan vordering C). De rechtbank heeft vordering D toegewezen met matiging van de dwangsom tot € 500 per keer dat zij niet aan de veroordeling voldoet en een maximum van € 50.000, de overige vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

Principaal en incidenteel beroep

3.3

[appellante] heeft in het principaal beroep twee grieven tegen het vonnis geformuleerd, terwijl de curator één grief in het incidenteel beroep tegen het vonnis heeft opgeworpen. Het principaal beroep van [appellante] richt zich uitsluitend tegen de gronden op basis waarvan haar vorderingen niet zijn toegewezen. De grief van de curator is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vorderingen onder A tot en met C. Het hof zal de grieven in onderlinge samenhang beoordelen.

Standpunt [appellante]

3.4

Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte de rechtsverhouding op grond waarvan zij gebruik van de woning maakt gekwalificeerd als een overeenkomst van bruikleen in de zin van artikel 7A:1777 e.v. BW . [appellante] stelt in hoger beroep dat er geen sprake is van bruikleen maar van huur (grief 1). Volgens [appellante] is het duidelijk dat de gebruiksovereenkomst haar het genot van de woning verstrekt. Als tegenprestatie in de zin van artikel 7:201 BW zorgt [appellante] voor het onderhoud aan de woning en betaalt zij de kosten van de nutsvoorzieningen, verzekeringen en overige kosten. Ter onderbouwing hiervan verwijst [appellante] naar de als productie C bij de memorie van grieven overgelegde facturen en aanslagbiljetten. Daarnaast draagt [appellante] ook zorg voor andere kosten. Deze tegenprestatie is weliswaar niet exact verwoord in de gebruiksovereenkomst, maar dit was wel de bedoeling van partijen. Deze bedoeling volgt ook uit het document van 20 december 2010 (zie onder 2.6), die dezelfde afspraken bevat. Door de kwalificatie van de gebruiksovereenkomst als huur volgt uit het Berzona-arrest (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681) dat de curator de huur door [appellante] dient te respecteren en een eventuele beschikking over de woning alleen met eerbiediging door de verkrijger van de rechten van [appellante] kan geschieden.

3.5

Voor het geval het hof de kwalificatie als huurovereenkomst niet volgt, komt [appellante] met grief 2 op tegen r.o. 5.13 van het vonnis, waarin de rechtbank heeft aangenomen dat de gebruiksovereenkomst een eenzijdige overeenkomst is en tot de conclusie is gekomen dat [appellante] haar gebruiksrecht niet kan tegenwerpen aan de curator. Volgens [appellante] is de gebruiksovereenkomst een wederkerige overeenkomst nu op haar de verplichting rust het volledige onderhoud van de woning op zich te nemen en te bekostigen. Voorts betwist [appellante] het standpunt van de curator dat de gebruiksovereenkomst nietig is. Volgens haar dient het hof zelfstandig te beoordelen of de gebruiksovereenkomst geldig is. De gebruiksovereenkomst heeft immers geen betrekking op het verdelen van het huwelijksvermogen en houdt geen wijziging van de huwelijkse voorwaarden in en het vormvereiste van een notariële akte is op deze obligatoire overeenkomst niet van toepassing, aldus [appellante] . Dit betekent volgens haar dat de curator de gebruiksovereenkomst moet respecteren.

Standpunt curator

3.6

De curator heeft, onder meer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2017 en het zaaksverloop in het hoger beroep tegen het vonnis van 27 februari 2019, aangevoerd dat tussen partijen vaststaat dat de gebruiksovereenkomst – aan te merken als wijziging van huwelijkse voorwaarden – nietig is wegens schending van artikel 1:115 en 1:119 BW. De nietigheid van de gebruiksovereenkomst betekent dat [appellante] zonder recht of titel in de woning verblijft. Verder voert de curator aan dat geen sprake is van een huurovereenkomst omdat de daarvoor vereiste bepaalbare tegenprestatie ontbreekt. Ook volgt uit de leveringsakte dat [B] de woning vrij van huur en gebruik aan Syanora heeft geleverd, hetgeen betekent dat op 31 december 2010 geen sprake was van een huurovereenkomst. In artikel 5 van de gebruiksovereenkomst is bovendien opgenomen dat het gebruiksrecht eenzijdig door [appellante] kan worden omgezet in een huurrecht, hetgeen niet is gebeurd. In het bijzonder betwist de curator dat de gebruiksovereenkomst een meerzijdige overeenkomst is en een wederkerig karakter heeft. Het document van 20 december 2010 is louter als een eenzijdige verklaring van Syanora te kwalificeren. Ook heeft een gebruiksovereenkomst c.q. bruikleenovereenkomst geen zaaksgevolg, zodat na verkoop en levering van de woning door de curator het gebruiksrecht van [appellante] eindigt.

3.7

Voor zover het hof tot het oordeel komt dat sprake is van een gemengde overeenkomst, stelt de curator dat ook dan de gehele gebruiksovereenkomst nietig is. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad stelt de curator dat bij de beantwoording of de gebruiksovereenkomst gesplitst kan worden in twee of meer onafhankelijke overeenkomsten acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder hetgeen partijen voor ogen heeft gestaan bij het aangaan van de overeenkomst. De curator heeft onder 37 van de memorie van antwoord zeven omstandigheden aangevoerd om te betogen dat splitsing van de gebruiksovereenkomst niet mogelijk is en de uitzondering van artikel 6:215 BW van toepassing is. Volgens de curator betekent dit dat zijn vorderingen onder A) tot en met C) alsnog moeten worden toegewezen.

Beoordeling hof

3.8

Het hof heeft in zijn arrest van 2 februari 2021 tussen (onder meer) [appellante] en de curator (zie onder 2.13) het oordeel van de rechtbank bekrachtigd dat de gebruiksovereenkomst van 28 juli 2009 nietig is omdat de afspraken in die overeenkomst samenhangen met de (wegens strijd met artikel 1:115 en/of 1:119 BW nietige) VVHV. Het hof ziet geen reden daarover in deze zaak anders te beslissen. Het hof volgt [appellante] niet in haar standpunt dat de afspraken over het gebruik van de woning, zoals neergelegd in de gebruiksovereenkomst, geen betrekking hebben op het verdelen van het huwelijksvermogen maar als een zelfstandige obligatoire overeenkomst moeten worden beschouwd die niet door de nietigverklaring wordt geraakt. [appellante] heeft tot nog toe ook niet (gemotiveerd) betwist dat de onder 2.4 genoemde overeenkomsten één samenhangend geheel vormen. Het enkele feit dat de VVHV van latere datum is dan de gebruiksovereenkomst, zoals [appellante] tijdens de comparitie in hoger beroep heeft aangevoerd, maakt niet dat de in de gebruiksovereenkomst opgenomen afspraken over het gebruik van de woning los staan van de in de VVHV neergelegde regelingen. Dat het om een samenhangend geheel van afspraken gaat, volgt reeds uit de brief van 2 juli 2009 van [appellante] aan [B] waarin de contouren van de tussen [appellante] en [B] te maken afspraken over een periodieke verrekening worden geschetst, met inbegrip van de woning. In de VVHV wordt onder artikel 4 verwezen naar vermogen dat [appellante] zonder de uitsluitingsclausule zou hebben verkregen, te weten sieraden en andere vermogensgoederen. In artikel 1 van de gebruiksovereenkomst wordt ook reeds naar sieraden en ander vermogen verwezen. Ook hieruit volgt de samenhang tussen de afspraken zoals die onder 2.4 zijn opgenomen en die erop gericht zijn om de huwelijkse voorwaarden te wijzigen.

Tegen deze achtergrond heeft [appellante] onvoldoende gemotiveerd betwist dat de toekenning van het gebruiksrecht van de woning onderdeel was van het geheel van afspraken om de vermogensverdeling tussen [B] en [appellante] staande het huwelijk aan te passen. Daarbij heeft [appellante] niet betwist dat het gebruiksrecht van de woning een financiële waarde vertegenwoordigt, zodat de nadere afspraken die [appellante] en [B] daarover maakten ook een vermogensverschuiving betreft, die kan worden beschouwd als een wijziging van de tot dan toe geldende huwelijkse voorwaarden. De afspraken over het gebruik van de woning staan dan ook niet op zichzelf en volgen het lot van de nietigheid van de VVHV en de daarmee samenhangende gebruiksovereenkomst.

Dit betekent dat [appellante] het gebruiksrecht inzake de woning niet kan tegenwerpen aan de curator en zij daarom dient mee te werken aan de verkoop en ontruiming van de woning.

3.9

Bovendien biedt de gebruiksovereenkomst en - in het verlengde daarvan - het document van 20 december 2010 onvoldoende aanknopingspunten dat sprake zou zijn van een huurrelatie in de zin van artikel 7:201 BW. De stelling dat [appellante] als tegenprestatie van het woongenot de kosten van onder meer nutsvoorzieningen, verzekeringen en klein onderhoud betaalt, heeft zij onvoldoende onderbouwd. [appellante] heeft daartoe bij memorie van grieven (productie C) een aantal facturen en aanslagen overgelegd. Van de overgelegde documenten staat slechts één factuur op naam van [appellante] (een factuur van 23 november 2017 van € 182,47), alle overige facturen staan op naam van [B] of op naam van de dochter van [appellante] . Juist is, zoals [appellante] tijdens de eerste zitting in hoger beroep heeft verklaard, dat het feit dat de facturen niet op haar naam staan er niet aan in de weg hoeft te staan dat zij de facturen voor een derde, in dit geval [B] , betaalt. Dit laat echter onverlet dat [appellante] ook niet heeft onderbouwd dat zij degene is die deze facturen heeft betaald. Betaalbewijzen ontbreken en het lijkt er eerder op dat anderen dan [appellante] betalingen hebben gedaan, zoals mr. Geelkerken ook tijdens de eerste zitting bij het hof heeft verklaard. Dit betekent dat [appellante] haar stelling dat zij altijd de vaste lasten van de woning heeft betaald en daarmee sprake is van een huurverhouding onvoldoende heeft onderbouwd. Andere aanknopingspunten waaruit de bedoeling van partijen zou kunnen blijken dat het gaat om een huurrelatie zijn niet door [appellante] gesteld en ook niet gebleken. Het hof is van oordeel dat zij daarom ook niet tot nadere bewijslevering kan worden toegelaten. Gelet op het voorgaande is ook geen sprake van een wederkerige overeenkomst. Het beroep van [appellante] op het Berzona-arrest (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681) gaat daarom ook niet op. Ook als de gebruiksovereenkomst geldig zou zijn, zou dit dus niet tot een voor [appellante] gunstiger resultaat leiden.

3.10

Het voorgaande leidt ertoe dat de grief in het incidenteel beroep die gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat de gebruiksovereenkomst rechtsgeldig is, slaagt. Het oordeel van het hof dat de gebruiksovereenkomst nietig is brengt met zich dat de vorderingen van de curator onder A) tot en met C) alsnog zullen worden toegewezen. Het hof ziet aanleiding om de gevorderde dwangsommen te beperken op na te melden wijze.

4 De slotsom

4.1

Het principaal beroep faalt, terwijl het incidenteel beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal in conventie worden bekrachtigd en in reconventie (deels) worden vernietigd. Het hof zal de vorderingen onder A) tot en met C) van de curator alsnog toewijzen.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van de procedure in reconventie in eerste aanleg en van het principaal en incidenteel beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg (in reconventie) aan de zijde van curator zullen worden vastgesteld op € 543 (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat.

De kosten voor de procedure in principaal beroep aan de zijde van de curator zullen worden vastgesteld op € 324 aan verschotten (griffierecht) en € 2.228 (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat.

De kosten voor de procedure in incidenteel beroep aan de zijde van de curator zullen worden vastgesteld op € 1.114 (1/2 x 2 punten x tarief II) aan salaris advocaat.

4.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 7 augustus 2019 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, behoudens het dictum onder 6.1, 6.2, 6.3 en 6.7, bekrachtigt dit vonnis in zoverre en doet voor het overige opnieuw recht;

verklaart voor recht dat de gebruiksovereenkomst van 28 juli 2009 nietig is;

veroordeelt [appellante] om de woning en al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevindt, binnen twee dagen nadat de curator de koopovereenkomst van de woning aan haar heeft betekend, te ontruimen en te verlaten, en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking aan de curator te stellen, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft daaraan te voldoen, met een maximum van € 100.000 en met machtiging van de curator om haar, in geval van weigering of nalatigheid om aan deze veroordeling te voldoen, tot die ontruiming te noodzaken;

veroordeelt [appellante] om, met onmiddellijke ingang na betekening van dit arrest, haar medewerking te verlenen aan het toegang verschaffen in en tot de woning op werkdagen tussen 8.00 uur en 19.00 uur en op zaterdagen van 8.00 tot 13.00 uur aan de curator en aan potentiële kopers van de woning en aan door de curator ingeschakelde of in te schakelen derden die bij de verkoop van de woning betrokken zijn, waaronder in ieder geval begrepen zijn makelaars, taxateurs en fotografen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere keer dat zij de woning op voorafgaand schriftelijk verzoek, waaronder begrepen een verzoek per e-mail, van de curator niet of niet in behoorlijke staat openstelt voor bezichtiging door voornoemde partijen, tot een maximum van € 50.000 is bereikt;

veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in eerste aanleg (wat betreft de reconventie) en het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator vastgesteld op € 324 voor verschotten en op € 3.885 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 255 met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85 in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, H.L. Wattel en D.M.I. de Waele, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 april 2021.