Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3212

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
200.260.310
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2020:3938 en ECLI:NL:GHARL:2020:7600. Weigering dekking autoverzekering wegens mogelijk geënsceneerde aanrijding (7:941 BW, 7:952 BW). Voorshands bewezen geacht dat verzekerde over aanrijding en aankoopprijs verzekeraar onjuist heeft ingelicht om verzekeraar daardoor tot uitkering te bewegen. Verzekerde toegelaten tot tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.260.310

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 6427356)

arrest van 6 april 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. Ü. Arslan,

tegen:

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Utrecht

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: ASR,

advocaat: mr. E.J.A.A. van Dal.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 22 september 2020.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de nadere akte van ASR; en

- de nadere akte van [appellante] .

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

2.1

Deze zaak gaat over de vraag of ASR aan [appellante] de schade moet vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van een ongeluk met haar Volkswagen Passat (hierna: de auto), die [appellante] all risk bij ASR had verzekerd. ASR heeft zich als verweer daarbij, onder andere, beroepen op artikel 6 lid 4 van de toepasselijke algemene voorwaarden en artikel 7:941 lid 5 BW. Volgens dat laatste artikel vervalt het recht op uitkering als [appellante] met opzet tot misleiding aan ASR niet alle inlichtingen en bescheiden heeft verschaft die van belang zijn om te beoordelen of ASR aan haar moet uitkeren, behalve als de misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.

2.2

ASR heeft gesteld dat [appellante] opzettelijke onware opgave heeft gedaan zowel over de wijze van aanschaf van de auto als over de wijze van aanrijding. In het tussenarrest van 19 mei 2020 is het hof ingegaan op de vraag in hoeverre [appellante] over de toedracht van de aanrijding opzettelijk onware mededelingen heeft gedaan en heeft het hof ASR toegelaten tot bewijs daarvan. Op 9 juni 2020 heeft dit hof een arrest gewezen in een geschil tussen [B] en Achmea Schadeverzekering1 (hierna: het [B] -arrest), waarmee het hof ambtshalve bekend is. Het hof ziet in dit arrest aanleiding nu eerst dieper in te gaan op de vraag of [appellante] opzettelijk onware opgave heeft gedaan over de wijze van aankoop. Het hof heeft partijen in zijn tussenarrest van 22 september 2020 de gelegenheid gegeven zich uit te laten over de betekenis van het [B] -arrest. Beide partijen hebben daarover een akte genomen.

2.3

Bij de beoordeling of [appellante] ASR opzettelijk onjuist heeft ingelicht over de wijze van aanschaf van de auto, in het bijzonder de koopprijs, zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

2.4

Volgens de verklaring die [appellante] heeft afgelegd tegenover de onderzoeker van DEKRA, die op verzoek van ASR onderzoek deed naar de verzekeringsclaim van [appellante] , heeft zij de auto via Marktplaats voor “23.000 à € 24.000” in contanten gekocht van een haar onbekende verkoper in het centrum van Zoetermeer. Het was haar eerste auto, die zij gekocht heeft met al haar spaargeld. Volgens haar heeft zij, terwijl zij bij haar ouders woonde, haar salaris aan haar vader gegeven om rekeningen van te betalen, waarna haar vader haar het geld in cash terug gaf. Zij bewaarde dat geld in gelijke bedragen in enveloppen onder haar vloerkleed. Na heel lang sparen had zij op die manier genoeg geld om de auto te kopen. [appellante] heeft aangegeven niet te weten wat de kilometerstand van de auto was en heeft geen verdere details over de aankoop gegeven. Volgens Schade- en Onderzoeksbureau Hoofddorp (hierna: Hoofddorp) heeft de vorige persoon op wiens naam de auto stond verklaard de auto verkocht te hebben voor “tussen de € 22.000 & € 24.000”. De auto blijkt met aanzienlijke schade uit Duitsland geïmporteerd te zijn. Bij de verkoop zouden volgens de verklaring van [appellante] tegenover DEKRA haar vader en haar neef [C] aanwezig zijn geweest. [C] heeft echter tegen Hoofddorp verklaard dat hij de auto van [appellante] niet kende en deze nog nooit gezien had. Onweersproken is dat [C] zich actief met de schaderegeling heeft bezig gehouden.

2.5

ASR heeft een mogelijk scenario geschetst, waarbij [appellante] in samenwerking met [C] (als deel van een grotere groep steeds dezelfde personen die bij herhaling betrokken zijn bij dubieuze verzekeringsclaims) voor een schappelijke prijs een geïmporteerde schade-auto heeft gekocht, deze vervolgens all risk heeft verzekerd, om vervolgens door een geënsceneerde total-loss aanrijding van de verzekering een hoger bedrag dan de aankoopprijs uitgekeerd te krijgen. In het [B] -arrest komt volgens ASR eenzelfde scenario naar voren, waarbij in dat geval [B] de claim heeft ingediend bij de verzekering en ook [C] betrokken is. [B] figureert in deze zaak als vriendin van [appellante] en als getuige.

2.6

Het hof oordeelt dat de verklaringen van [appellante] over de aankoop en de aankoopprijs te vaag zijn om overtuigend te zijn. Omdat de auto haar eerste auto was en dat zij daarvoor in contanten haar volledige spaargeld, waarvoor zij naar eigen zeggen op een bijzondere manier heel lang heeft gespaard, heeft aangewend moet de aankoop een bijzondere gelegenheid geweest zijn. Dat [appellante] over de auto en de aankoop daarvan geen details kan geven en zelfs de koopprijs niet precies weet, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen. Dat ook de verkoper geen precieze verkoopprijs kan of wil geven draagt bij aan de twijfels of de verkoop zo is gegaan als door [appellante] geschetst. De tegenstrijdigheid in de verklaringen van [appellante] en [C] over zijn aanwezigheid bij de aankoop onderbouwen het door ASR geschetste scenario verder. Hetzelfde geldt voor het feit dat [C] zich vervolgens in de afwikkeling van de schade mengt, in samenhang met de betrokkenheid van [C] bij de zaak waarover het [B] -arrest gaat. Het hof oordeelt daarom dat ASR voorshands heeft aangetoond dat het scenario dat ASR heeft geschetst, zich hier heeft voorgedaan en dat [appellante] dus opzettelijk ASR onjuist heeft ingelicht over de aankoop van de auto, in het bijzonder de koopprijs, om ASR daardoor tot uitkering te bewegen.

2.7

[appellante] zal worden toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat zij over de aankoop van de auto en in het bijzonder de aankoopprijs onjuiste verklaringen heeft gedaan met het opzet om ASR te misleiden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

3.1

laat [appellante] toe tot tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat zij over de aankoop van de auto onjuiste verklaringen heeft gedaan met het opzet ASR te misleiden;

3.2

bepaalt dat, indien [appellante] dat tegenbewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.S.A. van Dam, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

3.3

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

3.4

bepaalt dat [appellante] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven in de periode mei tot en met oktober 2021 op de roldatum 27 april 2021, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

3.5

bepaalt dat [appellante] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

3.6

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

3.7

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, L. Janse en M.S.A. van Dam en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 april 2021.

1 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:4411).