Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3202

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
21-004521-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dierenarts. Vrijspraak van (het medeplegen van) valsheid in geschrifte met betrekking tot een Verklaring van noodslachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004521-19

Uitspraak d.d.: 6 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 26 augustus 2019 met parketnummer 84-058366-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. K.J. Breedijk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij bovengenoemd vonnis is verdachte ter zake van het medeplegen van valsheid in geschrifte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2017 in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een Verklaring voor noodslachting met nummer [nummer] (bijlage 4), zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door de Verklaring voor noodslachting met nummer [nummer] (bijlage 4) op te maken waarop in strijd met de waarheid was vermeld dat het daarop bedoelde dier, te weten een rund:

- was uitgegleden, en/of

- dat hij geen reden had om aan te nemen dat het dier aan een aangifteplichtige ziekte leed, en/of

- dat het dier een trauma aan het gewricht van de linker voorknie, althans een lichaamsdeel had, en/of

- dat een open wond aan het gewricht van de linker voorknie, althans een lichaamsdeel had, en/of

- dat het dier ten tijde van het onderzoek niet verdacht was van een aangifteplichtige ziekte, waarna die verklaring werd ondertekend als ware het echt en onvervalst.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Door en namens verdachte is ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte van het hem ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte (al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ) opzettelijk valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Volgens de verdediging heeft verdachte het formulier ‘Verklaring voor noodslachting’ naar eer en geweten ingevuld, aangezien de ontsteking en necrosevorming waar achteraf sprake van bleek te zijn voor hem bij het antemortem onderzoek van de koe niet kenbaar was. Hem valt dan ook niet te verwijten dat hij heeft geoordeeld dat het betreffende dier voor noodslachting in aanmerking kwam en dat hij het formulier dienovereenkomstig heeft ingevuld.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wel wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens hem is verdachte in zijn anamnese tekortgeschoten en heeft hij daarmee - tezamen en in vereniging met [medeverdachte] (die bepaalde relevante informatie omtrent de gezondheid van de koe niet heeft verstrekt) - bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het dier niet geschikt was voor noodslachting, en dat hij de noodslachtingsverklaring daarmee onjuist en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft op 31 augustus 2017 in zijn hoedanigheid van dierenarts op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] een noodslachting van een koe verricht. Op het formulier ‘Verklaring voor noodslachting’ dat hij in dat kader heeft opgemaakt, is vermeld dat [medeverdachte] hem heeft gevraagd het dier in nood te doden vanwege een ongeval (‘uitgegleden’). De diagnose met betrekking tot het ongeval luidt: “trauma/open wond/ gewricht L voor knie”. Daarnaast is op het formulier vermeld dat verdachte de anamnese heeft afgenomen, dat hij het dier heeft onderzocht en heeft geconstateerd dat het een voor het overige gezond dier betrof dat in nood gedood moest worden vanwege een ongeval en dat het om welzijnsredenen niet levend vervoerd mocht worden.

Op 1 september 2017 is een postmortem keuring verricht door dierenarts [naam] , waarna aanvullend onderzoek is uitgevoerd door het Veterinair Pathologisch Diagnostisch Centrum. Het rapport van het Veterinair Pathologisch Diagnostisch Centrum houdt in onder het kopje ‘macroscopie’: “Onderpoot met ter hoogte van het proximale uiteinde van het preparaat een onregelmatig verdikte huid en subcutis waarbij het niet duidelijk is of er een defect in de huid aanwezig is vanwege het feit dat de huid in de gebied enigszins versneden is.” Uit de bevindingen van [naam] en het Veterinair Pathologisch Diagnostisch Centrum is gebleken dat de koe – in tegenstelling tot hetgeen op de noodslachtingsverklaring is vermeld – een niet gezond dier betrof, aangezien sprake bleek te zijn van een chronische ontsteking aan de linkervoorknie. Deze ontsteking was meer dan 4 weken oud.

Ten slotte is van belang dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [medeverdachte] verdachte (enkel) heeft verteld dat de betreffende koe is uitgegleden, waardoor hij een open wond aan zijn linkerknie had opgelopen. Dat de koe al langer apart stond wegens ‘algehele malaise’ en de koe al vóór de val een verdikte knie had, was verdachte niet bekend. Verdachte heeft verklaard dat hij de koe naar aanleiding van het verzoek van [medeverdachte] heeft onderzocht en dat hij heeft geconstateerd dat er sprake was van een open wond aan de knie, passend bij een val/uitglijden. Hoewel verdachte zag dat de koe een licht verdikte knie had, zag verdachte niets dat wees op een chronische ontsteking. Volgens verdachte bestond er geen aanleiding te twijfelen aan de door [medeverdachte] gestelde gang van zaken en/of hem nader te bevragen omtrent de gezondheid en/of voorgeschiedenis van de koe.

Oordeel hof

Het hof acht voornoemde verklaring van verdachte aannemelijk en heeft daarbij mede gelet op de door de verdediging overgelegde uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege, dat heeft geoordeeld over de vraag of verdachte kon worden verweten dat hij ten aanzien van de bewuste koe ten onrechte heeft geconcludeerd dat die voor noodslachting in aanmerking kwam en dat hij bij de antemortem keuring en ten aanzien van de invulling van de ‘verklaring voor noodslachting’ onjuist en in strijd met de zorgvuldige beroepsuitoefening heeft gehandeld. Het Veterinair Tuchtcollege achtte aannemelijk dat op de linkerpoot een vleeswond van 3 à 4 cm heeft gezeten, zoals door [medeverdachte] en verdachte is gesteld (mogelijk is deze wond na het verwijderen van de poten bij het postmortem onderzoek niet langer zichtbaar geweest). Het college heeft verder geoordeeld: “Een dergelijke wond noopt naar het oordeel van het college niet direct of per definitie tot een nader (ante mortem) onderzoek. Voor het college is verder niet komen vast te staan dat het voor beklaagde mogelijk is geweest om met betrekking tot deze open wond de nadien door de toezichthoudend dierenarts op het slachthuis geconstateerde pus en necrose waar te nemen. Ook ten aanzien van de verdikking van de knie is er voor het college onduidelijkheid over de mate waarin deze verdikking voor de beklaagde waarneembaar is geweest. (…) Nu de verklaring van de veehouder paste bij de verwonding van de koe, het algemeen onderzoek geen aanleiding gaf te veronderstellen dat er sprake was van een ziek dier, niet is komen vast te staan dat pus en necrose voor beklaagde waarneembaar waren en niet kan worden aangenomen dat de mate van verdikking van de knie twijfel had moeten oproepen over het relaas van de veehouder, kan door het college niet worden geconcludeerd dat beklaagde niet binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft gehandeld.” De tegen verdachte ingediende klacht is vervolgens ongegrond verklaard.

Tegen deze achtergrond volgt het hof de advocaat-generaal niet in zijn standpunt dat de door verdachte uitgevoerde anamnese onvolledig is geweest en dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem ingevulde gegevens onjuist waren. Het hof is van oordeel dat het opzet op het (al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ) plegen van valsheid in geschrifte gezien het voorgaande niet kan worden bewezen.

Het verweer slaagt derhalve. Verdachte wordt van het hem ten laste gelegde feit vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. E. de Witt en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 6 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.