Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3193

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
21-000004-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie in vervolging vanwege tijdsverloop. Vrijspraak gewoontewitwassen van kledingstukken, zonnebrillen, sieraden en een geldbedrag van € 14.241,12. Verdachte heeft een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van het geldbedrag. Nader onderzoek door het openbaar ministerie is uitgebleven. Teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000004-18

Uitspraak d.d.: 2 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank MiddenNederland van 15 december 2017 met parketnummer 07-660313-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde witwassen van schoenen, kleding, sieraden en zonnebrillen, bewezenverklaring van het tenlastegelegde witwassen van een geldbedrag van € 9.064,64 en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek van de dagen die door verdachte in voorarrest zijn doorgebracht. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de twee inbeslaggenomen Buddha to Buddha-ringen verbeurd verklaart en teruggave gelast aan de rechthebbende(n) van de overige inbeslaggenomen horloges, een loep en sieraden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. F.N. Dijkers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 december 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van gewoontewitwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek van de dagen die door verdachte in voorarrest zijn doorgebracht. De rechtbank heeft de twee inbeslaggenomen Buddha to Buddha-ringen verbeurd verklaard en de teruggave aan de rechthebbende(n) gelast van de overige op de beslaglijst opgenomen horloges, een loep en sieraden.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 8 oktober 2012, te [plaats] , althans in Nederland,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, één of meerdere voorwerp(en), te weten

- (meerdere) geld(bedragen) (met een totale waarde van 14.241,12 euro) en/of

- diverse kledingstukken (waaronder jassen en/of petten en/of t-shirts en/of truien en/of schoenen en/of sjaals en/of mutsen van onder andere de merken: Gucci en/of Armani en/of Moncler en/of Iceberg en/of Prada en/of Burberry en/of Fendi en/of Hugo Boss en/of Ralph Lauren) en/of

- zonnebrillen (van de merken Prada en/of Emporio Armani) en/of

- diverse sieraden (waaronder ringen en/of kettingen en/of armbanden en/of horloges),

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dit/deze goederen en/of (telkens) van dit/deze geld(bedrag)(en), gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft bepleit het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is geschonden. In de heel uitzonderlijke omstandigheden van deze zaak zou, volgens de raadsman, het openbaar ministerie om deze reden niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Een tijdsverloop van in totaal meer dan acht jaar in de onderhavige zaak is, gelet op het procesverloop alsmede het tenlastegelegde feit en de jeugdige leeftijd van verdachte, volgens de verdediging een dusdanig lange termijn, dat het pedagogische effect van een veroordeling, ook al zou de eventuele straf worden verminderd, verloren gaat. Tevens zou een veroordeling de huidige ontwikkeling van verdachte op een niet langer aanvaardbare wijze kunnen doorkruisen. Daar komt bij dat het waarborgen van de belangen van slachtoffers in de zaak niet in de weg staat aan het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie. Tenslotte voert de verdediging ter zake van de forse termijnoverschrijding aan dat deze niet slechts de persoon van de verdachte, maar ook de eerlijkheid van de ‘procedure as a whole’ raakt en dat hierdoor de waarheidsvinding is bemoeilijkt.

Het hof verwerpt dit verweer. In de onderhavige zaak is inderdaad sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, maar volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leidt dat niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. In de forse mate van overschrijding van de redelijke termijn kan derhalve, ook bezien in samenhang met het tenlastegelegde feit en de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit en de huidige ontwikkeling van verdachte, geen aanleiding worden gevonden tot nietontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Het hof volgt de verdediging evenmin in de stelling dat door de termijnoverschrijding geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Dat de termijnoverschrijding in de weg heeft gestaan aan de waarheidsvinding en het voeren van een behoorlijke en effectieve verdediging is door de verdediging niet geconcretiseerd en niet nader onderbouwd en is ook overigens niet gebleken.

Vrijspraak

Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een aantal voorwerpen en een hoeveelheid geld. Verdachte heeft dit feit ontkend.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de stukken in het dossier niet blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van de in de tenlastelegging opgenomen kledingstukken, zonnebrillen en sieraden, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het witwassen van een hoeveelheid geld overweegt het hof het navolgende.

Juridisch kader

Het hof stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen het onverklaarbare vermogen van verdachte en een bepaald misdrijf. Er is geen direct bewijs voor een specifiek gronddelict.

Niettemin kan in een dergelijke situatie bewezen worden geacht dat het tenlastegelegde geldbedrag “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zo’n geval zich voordoet, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de hoeveelheid geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Vermoeden van witwassen

Naar aanleiding van het strafrechtelijk en financieel onderzoek naar verdachte is een eenvoudige kasopstelling opgemaakt waarin de totale contante uitgaven van verdachte zijn afgezet tegen zijn beschikbare legaal verkregen contante gelden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 oktober 2012. Uit deze kasopstelling volgt een (negatief) verschil tussen de legale contante inkomsten en de contante uitgaven van verdachte, namelijk € 14.241,12.

Gelet op deze feiten, in onderling verband bezien, is naar het oordeel van het hof een vermoeden van witwassen jegens verdachte gerechtvaardigd. Van verdachte mocht dan ook worden verlangd dat hij een verklaring zou geven voor de herkomst van het geld.

Tegen deze achtergrond wordt het volgende overwogen en opgemerkt.

Verklaring van de verdachte

In eerste aanleg en in hoger beroep is door en namens verdachte verklaard dat hij bij aanvang van de tenlastegelegde periode meer contant geld beschikbaar had dan waarvan de kasopstelling uitgaat (€ 0,-). Hij beschikte over geld uit de erfenis van zijn vader (€ 5.000,-), geld dat hij gespaard had, hij won wel eens geld won met gokken en hij kreeg wel eens op zijn verjaardag contant geld. Per kwartaal ontving verdachte voorts van zijn moeder € 400,- van de kinderbijslag. Hij heeft zodoende een verklaring gegeven over de herkomst van het geld en gesteld dat hij het geld heeft aangewend voor de aanschaf van de aangetroffen waardevolle goederen. Over de aankoop van deze goederen heeft verdachte verklaard dat hij deze vaak tweedehands via Marktplaats – en daarbij niet voor de nieuwprijs – aanschafte. Op onderdelen wordt de verklaring van verdachte ondersteund door bewijsmiddelen. Zo heeft de moeder van verdachte verklaard dat verdachte wel eens gokte en dat ze verdachte – naast het maandelijkse zakgeld – per kwartaal geld gaf afkomstig van de door haar ontvangen kinderbijslag. De moeder van verdachte heeft ook verklaard over geld van de vader van verdachte dat zij na het overlijden van de vader verdachte aan verdachte heeft gegeven.

Het hof is van oordeel dat de verdachte met het vorenstaande een verklaring over de herkomst van het geld heeft gegeven, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is en dat het openbaar ministerie nader onderzoek naar de door de verdachte gestelde alternatieve herkomst van het voorwerp had kunnen verrichten. Het lag op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaring van verdachte blijkende, mogelijke alternatieve herkomst van het geld. Niet is gebleken dat enig onderzoek is gedaan naar de financiële positie van verdachte voorafgaand aan de tenlastegelegde periode.

Nu een nader onderzoek naar de door verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geld door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het tenlastegelegde geld – en de daarmee verworven goederen – een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof oordeelt derhalve dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen verdachte (voor het overige) is tenlastegelegd, zodat verdachte (ook) hiervan moet worden vrijgesproken.

Teruggave goederen

Het hof zal teruggave gelasten van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

  • -

    Seiko-horloge, goednummer 912393;

  • -

    Cartier-horloge, goednummer 912340;

  • -

    loep met opschrift Jaeger-le coulte (twee stuks), goednummer 912282;

  • -

    horloge, goednummer 912401;

  • -

    Dolce en Gabbana-horloge, goednummer 912336;

  • -

    Jaeger-le Coultre-sieraad (vier stuks), goednummer 912291;

  • -

    Citizen-horloge, goednummer 912334;

  • -

    ring, goednummer 912286;

  • -

    oorsieraad, goednummer 912493;

aan degene(n) die redelijkerwijs als rechthebbende(n) van deze voorwerpen kan/kunnen worden aangemerkt, nu niet is gebleken dat deze aan verdachte toebehoren.

Nu verdachte heeft verklaard dat deze goederen zijn eigendom zijn, zal het hof teruggave aan verdachte gelasten van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

  • -

    een Buddha to Buddha-ring, goednummer 912344;

  • -

    een Buddha to Buddha-ring, goednummer 912647.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan rechthebbende(n) van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    Seiko-horloge, goednummer 912393;

  • -

    Cartier-horloge, goednummer 912340;

  • -

    loep met opschrift Jaeger-le coulte (twee stuks), goednummer 912282;

  • -

    horloge, goednummer 912401;

  • -

    Dolce en Gabbana-horloge, goednummer 912336;

  • -

    Jaeger-le Coultre-sieraad (vier stuks), goednummer 912291;

  • -

    Citizen-horloge, goednummer 912334;

  • -

    ring, goednummer 912286;

  • -

    oorsieraad, goednummer 912493.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    een Buddha to Buddha-ring, goednummer 912344;

  • -

    een Buddha to Buddha-ring, goednummer 912647.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr M.B. de Wit en mr. F.A. Hartsuiker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 2 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.