Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3191

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
21-005260-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling van verdachte ter zake van teelt van 65 hennepplanten tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Bekennende verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005260-19

Uitspraak d.d.: 2 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 oktober 2019 met parketnummer 18-141408-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter, bewezenverklaring van het tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 9 oktober 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van hennepteelt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot en met 18 september 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 65, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van dit feit is sprake van een bekennende verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 19 maart 2021;

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 2 november 2018, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, genummerd 2018103866 d.d. 6 maart 2019, inhoudende het relaas van de politie;

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 18 september 2018, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, genummerd 2018103866 d.d. 6 maart 2019, inhoudende de verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 juli 2018 tot en met 18 september 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van 65 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan hennepteelt in zijn woning. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de overlast die hennepkwekerijen voor de woonomgeving opleveren en tevens aan de instandhouding van het illegale circuit betreffende de handel in softdrugs.

Het hof heeft voorts gelet op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiƫle Documentatie van 15 december 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het overtreden van de Opiumwet.

Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door hem naar voren gebracht ter terechtzitting van het hof. Verdachte dreigde ten gevolge van het aantreffen van de hennepkwekerij door de politie zijn woning te verliezen. Voorts is gebleken van frustraties bij verdachte over de gang van zaken binnen de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures die naar aanleiding van het aantreffen van de hennepplanten in gang zijn gezet.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot een strafoplegging die gelijk is aan hetgeen in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaatgeneraal is gevorderd. Het hof acht een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr M.B. de Wit, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. F.A. Hartsuiker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 2 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.