Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3162

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
200.271.413
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waren er gewichtige redenen voor de kantonrechter om de bewindvoerder ambtshalve ontslag te verlenen?

Artikel 1:448 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0093
Prg. 2021/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.271.413

(zaaknummer rechtbank Overijssel 7745721)

beschikking van 1 april 2021

inzake

de stichting

Stichting [verzoekster],

gevestigd te [A] ,
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. G. Yousef te Enschede,

en

[de rechthebbende] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de rechthebbende.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de stichting

Stichting [C],

gevestigd te [D] ,

verder te noemen: [C] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, sector kanton, team Toezicht-Bewindsbureau, zittingsplaats Almelo) van 23 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook wel te noemen: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 augustus 2019;

- een akte houdende overlegging productie met producties 15 tot en met 33.

2.2

Op 17 november 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van de meervoudige kamer van het hof. Verschenen namens [verzoekster] is [E] , bijgestaan door de advocaat van [verzoekster] . Namens [C] is [F] verschenen. [F] heeft meegedeeld dat het bewind over het vermogen van de rechthebbende inmiddels is opgeheven en dat hij daarom de rechthebbende niet kan vertegenwoordigen. Hij heeft vervolgens de mondelinge behandeling verlaten.

3 De feiten

3.1

De kantonrechter heeft bij beschikking van 29 april 2015 een bewind ingesteld over het vermogen van rechthebbende op grond van de lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende. Bij beschikking van 29 april 2015 heeft de kantonrechter ook een mentoschap ingesteld ten behoeve van de rechthebbende. [verzoekster] was de bewindvoerder en mentor.

3.2

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 23 mei 2019 heeft de kantonrechter [verzoekster] met ingang van 1 juni 2019 (ambtshalve) ontslagen als bewindvoerder en mentor, bepaald dat [verzoekster] geen eindrekening en –verantwoording hoeft af te leggen, [C] met ingang van 1 juni 2019 tot opvolgend bewindvoerder benoemd, gelast dat [verzoekster] het papieren en digitale dossier van rechthebbende, alle elektronische en/of digitale gegevensdragers waarop zich gegevens van rechthebbende bevinden en alle inlogcodes en wachtwoorden die toegang bieden tot gegevens van rechthebbende over te dragen aan de opvolgend bewindvoerder, bepaald dat de opvolgend bewindvoerder voor zijn/haar (aanvangs)werkzaamheden en voor de met het bewind gemoeide kosten de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven ten laste van het vermogen van de rechthebbende mag brengen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is het ontslag door de kantonrechter van [verzoekster] als bewindvoerder van de rechthebbende. Nu het bewind inmiddels is opgeheven, vat het hof het verzoek van [verzoekster] aldus op dat een rechtmatigheidstoets dient plaats te vinden.

4.2

[verzoekster] is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

23 mei 2019. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep ten aanzien van het ontslag als bewindvoerder in volle omvang aan het hof voor te leggen. [verzoekster] verzoekt het hof de bestreden beschikking van 23 mei 2019 te vernietigen (naar het hof begrijpt uitsluitend ten aanzien van haar ontslag als bewindvoerder) en de beroepsgronden gegrond te verklaren.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of er gewichtige redenen waren voor de kantonrechter om op grond van artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan [verzoekster] ambtshalve ontslag als bewindvoerder van de rechthebbende te verlenen.

Een gewichtige reden kan zijn dat de bewindvoerder zijn taken niet naar behoren uitvoert, dan wel niet altijd de belangen van de rechthebbende op voldoende adequate wijze heeft behartigd. Een bewindvoerder heeft maatschappelijk gezien een belangrijke taak, aangezien hij de belangen van een kwetsbare groep in de maatschappij dient te waarborgen. Vanuit die optiek mogen hoge eisen aan een bewindvoerder worden gesteld.

5.2

Van belang is dat de onderhavige zaak slechts één zaak is van de ongeveer 200 zaken waarin [verzoekster] als bewindvoerder (ambtshalve) is ontslagen. Hoewel tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat het bewind over het vermogen van de rechthebbende inmiddels is opgeheven, zal het hof de rechtmatigheid van de bestreden beschikking in samenhang met de ontslagen van [verzoekster] in de overige bewindszaken wel toetsen.

5.3

In de tussenbeschikking van 18 februari 2020 in twee andere zaken waarin [verzoekster] ook is ontslagen (200.265.615 en 200.265.622) heeft het hof overwogen dat het hof zich op grond van de stukken en de standpunten van alle partijen onvoldoende voorgelicht acht en behoefte heeft aan een toelichting van de kantonrechter over de uitgangspunten die de kantonrechter in het algemeen hanteert bij toezicht op de uitvoering van een bewind en over het toezicht op het bewind dat door [verzoekster] is gevoerd in alle zaken. Het hof heeft behoefte aan een algemene indruk van de kantonrechter over de uitvoering van de bewindswerkzaamheden door [verzoekster] in alle zaken en niet op zaaksniveau.

Tijdens de mondelinge behandeling van deze twee zaken voorafgaand aan de behandeling van de onderhavige zaak is mr. U van Houten gehoord, kantonrechter in de rechtbank Overijssel (verder: de kantonrechter).

5.4

De gang van zaken voorafgaand aan de bestreden beschikking waarin de kantonrechter [verzoekster] heeft ontslagen was, samengevat weergegeven, zo blijkt uit de bestreden beschikking en de overige processtukken, als volgt:

- De kantonrechter heeft [verzoekster] opgeroepen voor een zitting en daarbij vermeld dat hij ernstige zorgen heeft over het door [verzoekster] gevoerde bewind en dat als deze zorgen niet afdoende kunnen worden weggenomen het niet is uit te sluiten dat ontslag volgt van [verzoekster] in alle dossiers die lopen bij de rechtbank Overijssel. De zitting heeft op 26 september 2018 plaatsgevonden;

- De kantonrechter heeft vervolgens bij brieven van 15 oktober 2018 en 7 december 2018 vragen heeft gesteld aan [verzoekster] in een groot aantal dossiers;

- Op 19 december 2018 heeft opnieuw een zitting met [verzoekster] bij de kantonrechter plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van de zitting leidt het hof af dat [verzoekster] in een substantieel aantal zaken nog niet voldoende toelichting en verantwoording heeft gegeven;

- De kantonrechter heeft bij brief van 17 januari 2019 aan [verzoekster] meegedeeld dat [verzoekster] tot minstens 1 juli 2019 onder verscherpt toezicht zal staan en dat [verzoekster] niet meer wordt benoemd als curator, bewindvoerder en mentor in nieuwe zaken, zolang de achterstanden in het aanleveren van stukken niet zijn ingelopen;

- Op 19 april 2019 heeft opnieuw een zitting met [verzoekster] bij de kantonrechter plaatsgevonden;

- Naar aanleiding van hetgeen op zitting is besproken, heeft het bewindsbureau een overzicht van bevindingen naar [verzoekster] gestuurd waarover [verzoekster] zich mocht uitlaten;

- De advocaat van [verzoekster] heeft hierop bij brief van 10 mei 2019 gereageerd;

- Vervolgens heeft de kantonrechter de bestreden beschikking gegeven op 23 mei 2019.

5.5

In de tussenbeschikking van 18 februari 2020 heeft het hof reeds overwogen dat de kantonrechter vier gronden voor het ontslag van [verzoekster] heeft genoemd:

1) de verzekeringen die [verzoekster] voor cliënten heeft afgesloten via de aan [verzoekster] gelieerde onderneming [verzoekster] IF,

2) de bewind- en mentorschapskosten die in verschillende dossiers, zonder dat daarvoor toestemming door de kantontrechter was gegeven, niet conform de vastgestelde tarieven in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerder en mentoren en de LOVCK&T-tarieven zijn opgevoerd,

3) het nalaten van tijdig aanvragen van bijzondere bijstand in een aantal dossiers en

4) het overschrijden van de termijnen om toelichting te geven op de periodieke verantwoordingen bij de kantonrechter door [verzoekster] .

5.6

De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling in antwoord op vragen van het hof verklaard dat hij aanvankelijk ervan uitging dat de door hem geconstateerde onvolkomenheden in de zaken van [verzoekster] door [verzoekster] zouden worden opgepakt en opgelost. In de loop van de onderzoeken door het bewindsbureau van de rechtbank kwamen echter in steeds meer dossiers problemen naar boven. Daarin zag de kantonrechter aanleiding om [verzoekster] in januari 2019 onder verscherpt toezicht te stellen. Na de zitting op 19 april 2019 en de reactie van [verzoekster] op het overzicht van bevindingen is zijn vertrouwen in [verzoekster] weggevallen.

Kort na de bestreden beschikking is de kantonrechter gaan werken in een ander team van de rechtbank en is hij niet meer bij het toezicht op bewindszaken betrokken. Hij heeft ter voorbereiding van de zitting in hoger beroep wel aanvullende informatie meegekregen van het bewindsbureau. Volgens zijn informatie is [verzoekster] in 32 dossiers aansprakelijk gesteld voor schade, in totaal voor een bedrag van ruim € 10.000,-. Deze claims zijn in afwachting van het oordeel van het hof in hoger beroep inzake het ontslag nog niet behandeld. Daarnaast heeft [G] in een aantal zaken een brief gestuurd en daarin in totaal minstens € 67.000,- geclaimd. Ook deze vorderingen zijn nog niet behandeld in afwachting van het oordeel van het hof.

5.7

Het hof is van oordeel dat op grond van alle stukken in onderlinge samenhang bezien en in samenhang bezien met hetgeen ter zitting is besproken in de vijf zaken die op 17 november 2020 door het hof zijn behandeld, sprake was van gewichtige redenen op grond waarvan de kantonrechter [verzoekster] als bewindvoerder en mentor ambtshalve kon ontslaan. Het hof overweegt daarover als volgt.

5.8

Het hof constateert dat de informatie van [verzoekster] over de serviceabonnementen die voor een groot aantal cliënten van [verzoekster] via [verzoekster] IF (alsmede informatie over de verzekeringen die voor cliënten werden afgesloten via [H] ) steeds in kleine stukjes bij de kantonrechter boven tafel is gekomen. Evenals de kantonrechter stelt het hof vast dat de informatie van [verzoekster] hierover zoals vermeld in het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter op 19 december 2018 niet geheel in overeenstemming is met de latere verklaringen van [verzoekster] bij de kantonrechter en de verklaringen van [verzoekster] bij het hof in hoger beroep. Zo staat in dat proces-verbaal dat [verzoekster] IF niet ‘tussen’ verzekeringen bij [H] en [verzoekster] zit. In hoger beroep is toegelicht dat die verzekeringen wel via [verzoekster] IF liepen. De kantonrechter heeft dit in de bestreden beschikking uitgebreid en inzichtelijk overwogen. Het hof stelt vast dat de kantonrechter aanvankelijk helemaal niet bekend was met de verzekeringsconstructie die [verzoekster] heeft toepast in een groot aantal bewindszaken. Pas nadat de kantonrechter in een aantal zaken om een toelichting had gevraagd, werd hem duidelijk dat er sprake was van een constructie via [verzoekster] IF en dat deze constructie in nog veel meer zaken werd toegepast.

De eerste grief van [verzoekster] , inhoudende dat er na de beslissing van de kantonrechter in zijn brief van 17 januari 2019 geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen, faalt.

Ook in het geval de cliënten van [verzoekster] niet zijn benadeeld door de door [verzoekster] gehanteerde constructie met [verzoekster] IF, maar mogelijk eerder een financieel voordeel hebben genoten, omdat de cliënten op deze manier goedkopere verzekeringen konden afsluiten - zoals [verzoekster] stelt - wordt van een bewindvoerder verwacht dat deze heldere en transparante informatie verstrekt aan de kantonrechter. [verzoekster] heeft dat naar het oordeel van het hof onvoldoende gedaan. Zo heeft zij dat ook zelf aangegeven bij de zitting van 19 december 2018 bij de kantonrechter. Daarin staat dat mevrouw [E] meent dat in de rekening en verantwoording de verzekeringen onhandig zijn gerubriceerd en dat deze onder een andere post hadden moeten worden vermeld. Door dat gebrek aan transparantie kon de kantonrechter niet uitsluiten dat er geen sprake is geweest van belangenverstrengeling.

Het hof passeert de stelling van [verzoekster] dat een voorganger van de kantonrechter geen problemen zou hebben gehad met de constructie tussen [verzoekster] en [verzoekster] IF. Er is geen expliciete toestemming door [verzoekster] verkregen op dit punt en [verzoekster] had haar stukken bij het bewindsbureau zodanig moeten inrichten dat die stukken de medewerkers van het bewindsbureau en de kantonrechter voldoende inzage konden bieden in het door [verzoekster] gevoerde beheer en dat heeft [verzoekster] nagelaten. De tweede grief van [verzoekster] faalt daarom eveneens.

5.9

Verder staat op grond van de overgelegde stukken vast dat het regelmatig is voorgekomen dat [verzoekster] onjuiste bewind- en mentorschapskosten in rekening heeft gebracht. De kantonrechter heeft op dit punt bij de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat het kan gebeuren dat kosten incidenteel verkeerd gedeclareerd worden, maar dat dit bij [verzoekster] vaker gebeurde dan bij andere bewindvoerderskantoren. Er waren volgens de kantonrechter ook steeds kleine discussies over bijvoorbeeld de hoogte van de aanvangskosten die in rekening gebracht mogen worden wanneer er naast een bewind ook een mentorschap werd ingesteld. De medewerkers van het bewindsbureau moesten dergelijke fouten telkens eerst zelf constateren en er vervolgens achteraan gaan om te zorgen dat [verzoekster] het door haar teveel in rekening gebrachte bedrag vergoedde aan haar cliënten. Op grond van de verklaring van de kantonrechter en de overgelegde stukken komt het hof tot het oordeel dat op dit punt geen sprake was van incidentele vergissingen. Zelfs indien [verzoekster] een aantal fouten op eigen initiatief heeft hersteld, kwam het toch te vaak voor dat zij op fouten van dezelfde aard moest worden gewezen door het bewindsbureau. De cliënten van [verzoekster] mochten kunnen rekenen op een nauwgezette uitvoering van het bewind en mentorschap en dat is blijkens de stukken niet voldoende het geval geweest. Dat [verzoekster] uiteindelijk maatregelen heeft getroffen om te zorgen dat deze fouten zich niet meer zouden voordoen, doet daaraan niet af. Voorts heeft [verzoekster] aanvankelijk de teveel in rekening gebrachte kosten verrekend. De kantonrechter heeft toegelicht dat de bewindvoering door [verzoekster] daardoor ondoorzichtig werd voor het bewindsbureau en hij heeft [verzoekster] daarom te verstaan heeft gegeven dat teveel in rekening gebrachte kosten direct naar de desbetreffende cliënt moesten worden teruggestort. De derde grief van [verzoekster] faalt daarom eveneens.

5.10

Als derde grond voor het ontslag van [verzoekster] in alle zaken heeft de kantonrechter overwogen dat [verzoekster] niet altijd tijdig bijzondere bijstand voor haar cliënten heeft aangevraagd. In de bestreden beschikking is een aantal zaken specifiek genoemd en beschreven door de kantonrechter. [verzoekster] heeft een aantal gevallen betwist en stelt dat er dan nog slechts twee zaken overblijven waarin [verzoekster] niet goed heeft gehandeld op dit punt.

Het hof neemt dit punt echter mee als een onderdeel van een groter geheel. Op zichzelf staand is dit argument niet van grote betekenis, maar wel als aanvulling op de andere nalatigheden en onduidelijkheden van de zijde van [verzoekster] . Dat [verzoekster] op enig moment haar interne werkprocessen heeft aangepast om te zorgen dat de bijstand in het vervolg wel (tijdig) werd aangevraagd, doet aan de situatie in de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking niet af. Ook de vierde grief faalt daarom naar het oordeel van het hof.

5.11

Tot slot was het feit dat [verzoekster] niet tijdig reageerde op verzoeken van het bewindsbureau om toelichting te geven op de periodieke verantwoordingen een zwaarwichtige reden voor het ontslag in alle zaken. [verzoekster] heeft daartegen aangevoerd dat het bewindsbureau heel vaak om de verkeerde stukken in de verkeerde zaken vroeg, of vroeg naar stukken die al waren ingediend en dat het vaak heel lang duurde voordat er een terugkoppeling kwam. Er was daardoor sprake van onduidelijkheid.

Het hof overweegt hierover, dat van een bewindvoerder wordt verwacht dat deze tijdig, maar in ieder geval met een zekere voortvarendheid de periodieke rekening en verantwoording en eventuele stukken die door het bewindsbureau worden opgevraagd aanlevert. Uit de hiervoor onder 2.3 omschreven gang van zaken kan reeds worden afgeleid dat dit niet het geval is geweest. Het feit dat de kantonrechter uiteindelijk in 160 dossiers aanvullende informatie heeft opgevraagd, soms over de periode van 2012 tot 2015, is mede het gevolg van het feit dan in andere zaken van [verzoekster] was gebleken dat er fouten waren gemaakt en er steeds meer onduidelijkheid ontstond over de serviceabonnementen, omdat [verzoekster] daarover tot december 2018 geen transparante en duidelijke informatie heeft verschaft. Uit de hiervoor genoemde reactie van (de advocaat van) [verzoekster] van 10 mei 2019 volgt dat in een aantal zaken de informatie waar vanaf september 2018 door de kantonrechter om is verzocht pas in februari en maart 2019 is aangeleverd en dat een aantal (eind)rekening en -verantwoordingen veel te laat is ingediend.

5.12

Het hof leidt uit de stukken en de informatie tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep af dat de kantonrechter aanvankelijk constructief met [verzoekster] in gesprek wilde over een aantal specifieke zaken. [verzoekster] heeft niet vlot genoeg gereageerd op vragen en verzoeken van de kantonrechter, zoals blijkt uit de stukken en zoals de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nader heeft toegelicht. De uiteindelijk door [verzoekster] aangeleverde informatie riep juist nieuwe vragen op en de kantonrechter stelde nieuwe aan [verzoekster] toerekenbare fouten vast. Daardoor is om begrijpelijke redenen een steeds grotere twijfel ontstaan of [verzoekster] de belangen van de rechthebbenden wel op voldoende adequate wijze behartigde. Mogelijk is vanuit de rechtbank eerder aangegeven dat niet op alle punten eerst toestemming hoeft te worden gevraagd, maar het komt het hof voor dat [verzoekster] te zelfstandig en onvoldoende nauwgezet en transparant haar werkzaamheden heeft verricht. De kantonrechter werd naar het oordeel van het hof door [verzoekster] onvoldoende in staat gesteld om zijn toezichthoudende taken goed te kunnen uitoefenen. In die omstandigheden mocht de kantonrechter tot het oordeel komen dat [verzoekster] op grond van artikel 1:448 lid 2 BW wegens gewichtige redenen moest worden ontslagen en dat het in het belang van de rechthebbenden was om een opvolgend bewindvoerder te benoemen.

5.13

Tot slot overweegt het hof nog dat in hoger beroep op grond van vaste jurisprudentie ook feiten en omstandigheden in aanmerking mogen worden genomen die pas in de procedure in hoger beroep naar voren zijn gekomen.

Gebleken is dat [G] als opvolgend bewindvoerder in een groot aantal andere bewindszaken tekortkomingen heeft geconstateerd in een zeer groot deel van die zaken. [G] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep in een andere zaak dan de onderhavige verklaard dat [verzoekster] in dat dossier fouten heeft gemaakt wat betreft de in rekening gebrachte bewindvoerderskosten in 2016 (€ 75,40) en het aanvragen van bijzondere bijstand (€ 635,04). [verzoekster] heeft deze fouten, nadat daar door de kantonrechter op werd gewezen, wel hersteld. Verder geeft [G] aan dat [verzoekster] onvoldoende heeft meegewerkt aan de overdracht van de dossiers naar [G] . De dossiers zijn pas door [verzoekster] overgedragen nadat de kantonrechter verlof had verleend aan de deurwaarders om beslag te mogen leggen. Dit heeft er voor gezorgd dat de overname aanzienlijke vertraging heeft opgelopen. Dossiers waren verder deels incompleet en nagekomen post werd niet door [verzoekster] naar [G] doorgestuurd.

[C] , heeft de stichting [verzoekster] in een dertigtal dossiers opgevolgd en heeft tijdens de mondelinge behandeling in het hoger beroep in een andere zaak die eveneens op 17 november 2020 is behandeld, verklaard dat in die zaak geen ernstige onvolkomenheden zijn aangetroffen, maar dat de bedragen die [verzoekster] in die zaak in de loop der jaren ter zake schulden wel steeds verschilden. Na de benoeming van [C] als opvolgend bewindvoerder heeft [verzoekster] weinig medewerking verleend aan de overdracht en dit heeft het werk van [C] voor de desbetreffende cliënten bemoeilijkt.

5.14

Alles overziend heeft [verzoekster] als bewindvoerder niet gehandeld zoals van een goed bewindvoerder had mogen worden verwacht. [verzoekster] is ook naar het oordeel van het hof tekort geschoten in haar taakuitoefening. Het ontslag was derhalve rechtmatig.

Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen en de verzoeken van [verzoekster] afwijzen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, sector kanton, team Toezicht-Bewindsbureau, zittingsplaats Almelo, van 23 mei 2019;

wijst de verzoeken van [verzoekster] af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, A. Smeeïng-van Hees en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door de griffier, en is op 1 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.