Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:316

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-01-2021
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
200.264.555
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253n BW, 1:251a BW: bekrachtiging afwijzing verzoek moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.264.555

(zaaknummer rechtbank Gelderland 340586)

beschikking van 14 januari 2021

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Striekwold te Doetinchem,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. K.J. Kanning te Assen.

1
1. De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor de procedure bij de rechtbank naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 23 november 2018 en 15 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 15 mei 2019 wordt hierna genoemd ‘de bestreden beschikking’.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 augustus 2019;

- het verweerschrift met producties.

2.2

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben beiden per e-mailbericht van 29 november 2020 aan het hof hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 4 december 2020 plaatsgevonden. Aanwezig waren de advocaat van de vrouw en de vrouw zelf via een Skype-verbinding. De advocaat van de man was er ook, maar de man was wegens ziekte niet aanwezig. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) was [C] aanwezig.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2011 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De vader en de moeder zijn de ouders van de tweeling [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , geboren [in] 2004 te [D] , gezamenlijk verder ook te noemen: de kinderen.

3.3

In het kader van de echtscheiding hebben de ouders een ouderschapsplan opgesteld. In dit ouderschapsplan van 3 december 2010 hebben de ouders vastgelegd dat zij gezamenlijk belast zijn met het gezag over de kinderen, dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en dat de kinderen eenmaal per veertien dagen bij de vader zullen verblijven van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede de helft van de vakanties.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag afgewezen.

4.2

De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair haar inleidend verzoek toe te wijzen en, subsidiair, een raadsonderzoek te gelasten met betrekking tot het gezag.

4.3

De vader heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de moeder in hoger beroep.

De vader verzoekt het hof de moeder in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253n en artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Tussen de ouders is niet in geschil dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een herbeoordeling van het ouderlijk gezag mogelijk maken, zodat het hof daar ook van uit zal gaan.

5.3

Uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan worden aangenomen dat het belang van het kind vereist dat één van de ouders met het gezag wordt belast. De moeder stelt dat sprake is van een dergelijke uitzonderingssituatie. De vader bestrijdt dat.

5.4

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

5.5

Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de moeder en de vader samen belast moeten blijven met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Weliswaar is gebleken dat de gang van zaken rondom het verkrijgen van de nodige toestemmingen van de vader niet altijd vlekkeloos verloopt, maar niet aannemelijk is geworden dat de vader gezagsbeslissingen tegenwerkt of anderszins zijn gezagspositie misbruikt, althans niet in zodanige mate dat het gezamenlijk gezag niet gehandhaafd kan blijven. De communicatie tussen de ouders verloopt niet soepel, maar beide ouders spelen daarin een rol. De moeder stelt er “ klaar mee te zijn” dat zij altijd het initiatief moet nemen, maar als verzorgende ouder heeft zij de verplichting om de vader te blijven informeren: die verplichting hoort nu eenmaal bij haar ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat het vragen van toestemming aan de vader door de moeder als lastig en belastend wordt ervaren, is nog geen reden om het gezag van de vader te beëindigen. Onvoldoende is gebleken dat de kinderen last hebben van het gezamenlijk gezag, of daardoor zelfs klem tussen de ouders komen te zitten.

5.6

Bovendien zijn de kinderen inmiddels zestien jaar en zullen zich nog weinig situaties voordoen waarvoor de toestemming van de vader nodig is. Jongeren van zestien jaar en ouder kunnen bijvoorbeeld zelf beslissingen nemen over medische behandelingen. De mogelijke medische ingreep van [de minderjarige1] voor zijn hart en de hulpverlening voor [de minderjarige2] voor zijn ADD, zijn dus beslissingen die zij zelf mogen en kunnen nemen. Zoals de raad op de mondelinge behandeling heeft gezegd is het voor de kinderen, die de vader compleet afwijzen en geen contact met hem willen, belangrijk om te weten dat de vader betrokken wil blijven en zijn verantwoordelijkheid als ouder wil nemen. De afwijzing van de vader door de kinderen is volgens de raad schadelijk voor hun ontwikkeling en de ouders zouden hiervoor hulpverlening moeten zoeken. Volgens de raad is het ook belangrijk dat de vader het contact met de kinderen blijft zoeken, ook als de kinderen niet, of afwijzend, reageren. Door het sturen van kaarten en berichten aan de kinderen laat de vader de kinderen zien dat zij wel degelijk een vader hebben die met hen meeleeft en betrokken wenst te blijven. De raad heeft het hof dan ook geadviseerd om beide ouders met het gezag belast te laten. Het hof neemt dat advies over. Aangezien de vader aangeeft zijn ouderlijke verantwoordelijkheid te willen nemen, verwacht het hof van hem dat hij zich actief gaat inzetten om zijn thans gekozen opstelling te veranderen door (pro-)actief en op gepaste wijze contact met zijn kinderen te blijven zoeken. In de huidige omstandigheden acht het hof het in het belang van de kinderen dat partijen gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen. Aan geen van de criteria als bedoeld in rechtsoverweging 5.1 onder a of b is voldaan.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 15 mei 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.H.F. van Vugt, bijgestaan door de griffier, en is op 14 januari 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.