Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3141

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
Wahv 200.251.999
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. De enkele mededeling van de ambtenaar dat staandehouding vanwege de verkeersveiligheid niet mogelijk was, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen reële mogelijkheid was de bestuurder staande te houden. Volgt vernietiging van de sanctiebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.251.999/01

CJIB-nummer

: 215185943

Uitspraak d.d.

: 1 april 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de officier van justitie onvoldoende is ingegaan op het door hem gevoerde verweer dat artikel 5 Wahv niet in het leven is geroepen voor situaties waarbij een ambtenaar vanwege de verkeersveiligheid geen staandehouding kan verrichten, zodat ten onrechte op kenteken is bekeurd.

2. Het hof stelt vast dat de officier van justitie heeft overwogen dat uit de beschikbare gegevens blijkt dat er geen reële mogelijkheid was tot staande houden en in de wet geregeld is dat als er geen reële mogelijkheid was tot staande houden, de sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder.

3. In het licht van de bestendige jurisprudentie dat de officier van justitie niet gehouden is op alle gronden expliciet en uitgebreid in te gaan, is het hof van oordeel dat uit voornoemde overwegingen voldoende blijkt waarom het verweer geen doel treft. Aldus wordt de klacht dat sprake is van een ondeugdelijke motivering verworpen.

4. De overige bezwaren richten zich tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 230,- voor: “Niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 maart 2018 om 10:13 uur op de Stadhouderskade in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

5. De gemachtigde voert ook in hoger beroep onder meer aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat artikel 5 van de Wahv niet is bedoeld voor situaties als de onderhavige, maar slechts voor situaties waarin geen ambtenaar of overtreder bij het voertuig aanwezig is. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Nergens wordt benoemd dat als een verkeerssituatie het niet toelaat om tot een staandehouding over te gaan dat dan artikel 5 Wahv kan worden toegepast.

6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Reden geen staandehouding: in verband met de verkeersveiligheid was het niet mogelijk om de betrokkene staande te houden.”

7. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

8. Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn standpunt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat artikel 5 van de Wahv alleen bedoeld is voor situaties waarbij de gedraging met behulp van technische middelen is geconstateerd of bij een parkeerovertreding. De voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis waar de gemachtigde dit standpunt op baseert houden geen limitatieve opsomming in. Dit betekent dat ook in situaties, anders dan de genoemde voorbeelden, een sanctie aan de kentekenhouder kan worden opgelegd zonder dat voorgaande staandehouding heeft plaatsgevonden. Daarbij is het uitgangspunt, zoals onder 7. is uitgelegd, dat slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, de sanctie aan de kentekenhouder mag worden opgelegd.

9. Het hof is wel van oordeel dat de enkele mededeling van de ambtenaar dat geen staandehouding heeft kunnen plaatsvinden in verband met de verkeersveiligheid vragen oproept die door het openbaar ministerie niet afdoende zijn beantwoord. Het hof ziet, in aanmerking genomen het tijdsverloop na de pleegdatum en het feit dat de advocaat-generaal in de gelegenheid is geweest om aanvullende informatie in het geding te brengen, ervan af nu nog te verzoeken om een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar. Op basis van het huidige dossier is aldus onvoldoende duidelijk waarom zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De sanctie is daarom ten onrechte met toepassing van artikel 5 van de Wahv opgelegd aan de betrokkene als kentekenhouder.

10. Het voorgaande betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter en de inleidende beschikking zal vernietigen.

11. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, hoorzitting (telefonisch) bij de officier van justitie, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift en het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigings-bevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt

€ 534,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal
€ 934,50 (= 3,5 x € 534,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 934,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.