Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3135

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
21-004711-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft de verdachte wegens rijden onder invloed van alcohol veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004711-19

Uitspraak d.d.: 1 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 september 2019 met parketnummer 96-139614-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde tot een geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 10 september 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van rijden onder invloed veroordeeld tot een geldboete van

€ 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 februari 2019 te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 635 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

een donkergekleurde jas naast het voertuig. Deze persoon rende weg een steeg in. Aan de bestuurderszijde stond verdachte, die herkend werd aan zijn kleding en gelaat. Hij was bezig met een sleutelbos bij het slot van de auto.

Het hof acht het op grond hiervan onaannemelijk dat gedurende het korte moment dat de auto buiten het zicht van verbalisanten was, de auto tot stilstand is gebracht én dat verdachte is uitgestapt aan de bijrijderszijde en vervolgens om de auto heen is gelopen naar de bestuurderszijde. Uit de door verbalisanten beschreven gebeurtenissen leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die de auto bestuurde.

Het hof acht het verhaal van verdachte gelet op het bovenstaande niet geloofwaardig. Daar komt bij dat de verdachte meteen nadat verbalisanten arriveerden is weggerend en zich vervolgens heeft getracht te verstoppen onder struiken. Verdachtes verklaring dat hij de bijrijder is geweest wordt ten slotte weersproken door de hierboven genoemde en door de politie gehoorde bijrijder van de personenauto.

Het hof heeft daarom ook de overtuiging dat het verdachte is geweest die heeft gereden.

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 februari 2019 te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 635 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (635 microgram).

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 26 februari 2019 schuldig gemaakt aan het rijden in een auto, onder invloed van alcohol, waarbij het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek 635 mg per milliliter bloed bleek te zijn, hetgeen een aanzienlijke overschrijding van de maximaal toegestane hoeveelheid alcohol is. Door zo te handelen heeft verdachte de regels die gelden in het verkeer en die de verkeersveiligheid dienen, niet nageleefd en heeft hij niet alleen zichzelf, maar ook anderen in gevaar gebracht.

Het hof houdt bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening met een hem betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 17 maart 2021. Hieruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het plegen van het hier bewezenverklaarde feit voor een soortgelijk feit in 2016 al een geldboete heeft gekregen. Verdachte trekt zich klaarblijkelijk weinig aan van deze eerdere straf want die straf heeft verdachte er niet van weerhouden wederom onder invloed van alcohol een auto te besturen. Het hof neemt dit in strafverhogende zin mee.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de straf zoals gevorderd door de advocaat-generaal en is opgelegd door de politierechter, te weten een geldboete en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, passend en geboden is. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen. Het hof acht uit het oogpunt van de verkeersveiligheid noodzakelijk dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor enige tijd wordt ontzegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J. Hielkema, voorzitter,

mr. J.G. Idsardi en mr. M.C. van Linde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.G. Veenstra, griffier,

en op 1 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Idsardi en mr. Veenstra zijn beiden buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.