Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3110

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
21-001026-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens diefstal vergezeld van geweld in vereniging, en het medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade. Het hof heeft een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest opgelegd. Het hof heeft daarnaast de vordering benadeelde partij toegewezen. Aangezien naar civielrechtelijke maatstaven meer personen voor de schade aansprakelijk zijn, is de toewijzing van de vordering hoofdelijk opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001026-19

Uitspraak d.d.: 31 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2019 met parketnummer 18-730202-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 augustus 2019, 3 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde en oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte bij uitspraak gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.Ph.Chr. Wester, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte ter zake van het onder 1 en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor wat betreft de materiële schade, te weten een bedrag van € 73,80, en de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 24 augustus 2018 te [plaatsnaam] , in de [naam gemeente] , in (een cel van) de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (onder meer) een baardtrimmer (merk Wilkinson) en/of een scheerapparaat en/of een oplader en/of after-shave en/of een gouden armband, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte in vereniging met zijn mededader(s) de cel van die [naam benadeelde partij] is binnengegaan en/of vervolgens die [naam benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten: een oogkasbreuk en/of een neusbijholtebreuk, ten gevolge heeft gehad;

2. primair
hij op of omstreeks 24 augustus 2018 te [plaatsnaam] , in de [naam gemeente] , in (een cel van) de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [naam benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel, te weten: een oogkasbreuk en/of een neusbijholtebreuk, heeft toegebracht door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, die [naam benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen;

2. subsidiair
hij op of omstreeks 24 augustus 2018 te [plaatsnaam] , in de [naam gemeente] , in (een cel van) de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [naam benadeelde partij] ), opzettelijk en met voorbedachte rade, in elk geval opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, - zich naar de cel van die [naam benadeelde partij] heeft/hebben begeven en/of (vervolgens) die cel is/zijn binnengegaan en/of - die [naam benadeelde partij] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of - die [naam benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. meer subsidiair
hij op of omstreeks 24 augustus 2018 te [plaatsnaam] , in de [naam gemeente] , in (een cel van) de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [naam benadeelde partij] heeft mishandeld, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een oogkasbreuk en/of een neusbijholtebreuk, althans enig letsel, ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

1 Overwegingen met betrekking tot de gevoerde betrouwbaarheidsverweren

Ter terechtzitting is door de verdediging vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit.

Daartoe is aangevoerd dat verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij het incident met [naam benadeelde partij] en dat voor enige betrokkenheid van verdachte geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De verdediging acht de verklaringen van aangever [naam benadeelde partij] onbetrouwbaar. Ten aanzien van de verklaringen van [naam 1] dient terughoudendheid te worden betracht, vanwege zijn jarenlange vriendschap met [naam benadeelde partij] .

Anders dan de verdediging acht het hof de verklaringen van [naam benadeelde partij] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof overweegt daartoe als volgt.

[naam benadeelde partij] heeft verklaard dat hij op 24 augustus 2018 tussen 14.15 uur en 14.30 uur op zijn cel zat toen er drie mannen binnen kwamen lopen. [medeverdachte 1] kwam als eerste binnen.

Hij werd door alle drie geslagen op zijn gezicht en op zijn lichaam. Tijdens het slaan zeiden de mannen dat hij zijn weed aan hen moest geven. Later bleek dat onder andere zijn baardtrimmer en de oplader van zijn scheerapparaat waren weggenomen.

Uit het dossier blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 24 augustus 2018 omstreeks 11:35 uur een telefoongesprek heeft gevoerd. [medeverdachte 1] gaf in het telefoongesprek - kort samengevat - aan dat hij iemand klappen gaat geven samen met twee andere personen. Met drie man zouden ze hem helemaal in elkaar slaan. Dit zouden ze gaan doen omdat de persoon in kwestie ’20 grannies’ (het hof begrijpt: 20 gram drugs) zou hebben gestolen. Bij de politie heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [naam benadeelde partij] 20 gram hasj van verdachte zou hebben achtergehouden.

Op 25 augustus 2018 voert [medeverdachte 1] wederom een telefoongesprek waarin hij vertelt wat hij de dag daarvoor heeft gedaan. [medeverdachte 1] vertelt dan onder andere dat hij naar iemand toe ging die 20 gram van hem had gestolen, dat hij een ‘team’ had opgehaald, dat ze hebben gewacht tot zijn cel leeg was en de man daar alleen zat, dat hij naar binnen is gerend en hem begon te ‘pompen’ (het hof begrijpt: slaan). [medeverdachte 1] vertelde ook dat ze wisten waar zijn stashplek was (het hof begrijpt: voorraad plek), namelijk in zijn scheerapparaat.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij wel vaak ‘ [bijnaam 1] ’ genoemd wordt.

Het hof overweegt dat de verklaring van [naam benadeelde partij] van 29 augustus 2018 wordt gesteund door de twee getapte telefoongesprekken die [medeverdachte 1] heeft gevoerd op 24 en 25 augustus 2018, te weten de dag waarop het tenlastegelegde zou hebben plaatsgevonden en de dag daarna. Daarbij overweegt het hof in het bijzonder dat de volgorde van handelingen in het telefoongesprek gelijk is aan de volgorde van handelingen zoals [naam benadeelde partij] heeft verklaard, te weten dat [medeverdachte 1] als eerste naar binnen kwam en dat hij hem meteen begon te slaan. Daarnaast komen de verklaring en het telefoongesprek ook overeen voor wat betreft het aantal betrokken personen ( [medeverdachte 1] en twee anderen) en de kennelijke aanleiding van het incident, te weten het (terug)halen van drugs uit de cel van [naam benadeelde partij] .

Dat [naam benadeelde partij] in zijn latere verklaringen wisselend heeft verklaard over de rol van [medeverdachte 1] en de exacte volgorde van de gebeurtenissen doet aan de betrouwbaarheid van zijn eerste verklaring niet af. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat het verschil in de verklaringen over de rol van [medeverdachte 1] (deels) lijkt te zijn gelegen in de overeenkomst die [medeverdachte 1] met [naam benadeelde partij] had gesloten voorafgaand aan het afleggen van [naam benadeelde partij] tweede verklaring, die van de zijde van [medeverdachte 1] - volgens [naam benadeelde partij] in diens derde verklaring - niet was nagekomen. Dat [naam benadeelde partij] wisselend heeft verklaard over de exacte volgorde van de gebeurtenissen in zijn cel acht het hof niet zodanig zwaarwegend dat daaruit zou moeten worden geconcludeerd dat zijn verklaringen in het geheel niet betrouwbaar zijn.

Met betrekking tot de getapte telefoongesprekken ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de opmerkingen van [medeverdachte 1] tijdens die telefoongesprekken over het incident met [naam benadeelde partij] . Het overweegt daartoe dat de inhoud van de gesprekken - voor zover ze zien op het incident met [naam benadeelde partij] - op essentiële onderdelen overeenkomt met de verklaring van [naam benadeelde partij] , zoals reeds door het hof overwogen. De opmerkingen van [medeverdachte 1] tijdens de gesprekken sluiten tevens aan bij de verklaring van getuige [naam 1] . Hij heeft verklaard dat hij op 24 augustus 2018 omstreeks 10.30 uur op de luchtplaats enkele personen hoorde praten over dat ze [naam benadeelde partij] binnenkort zouden ‘bedijen’ (het hof begrijpt: de les lezen). Het zou gaan om hasj of weed die [naam benadeelde partij] in bezit zou hebben. Kort daarna ging hij naar de cel van [naam benadeelde partij] . Hij zag toen dat de cel van [naam benadeelde partij] in de gaten werd gehouden. Op enig moment heeft hij de cel verlaten om te telefoneren en toen hij terugkwam uit zijn cel zag hij drie personen uit de cel van [naam benadeelde partij] komen en zag hij dat [naam benadeelde partij] een bebloed gezicht had. Het hof overweegt dat de verklaring van [naam 1] op belangrijke punten overeenkomt met uitspraken van [medeverdachte 1] tijdens de telefoongesprekken, namelijk dat zij [naam benadeelde partij] gingen bedijen, dat het om hasj ging, dat ze hebben gewacht tot de cel van [naam benadeelde partij] leeg was en dat ze met drie personen bij hem binnen waren. Het hof zal de getapte telefoongesprekken dan ook voor het bewijs bezigen.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 1] overweegt het hof dat niet is gebleken van aanwijzingen dat deze niet betrouwbaar zijn. Het feit dat [naam 1] en [naam benadeelde partij] elkaar kennen en mogelijk zelfs vrienden zijn, maakt de verklaringen niet onbetrouwbaar. Het hof stelt vast dat de verklaringen van [naam 1] niet alleen passen bij de gang van zaken op 24 augustus 2018 zoals die naar voren komt uit de verklaringen van [naam benadeelde partij] maar ook bij de inhoud van de getapte telefoongesprekken. Voorts blijkt uit het dossier dat er na het incident in de cel van [naam benadeelde partij] geen tijd is geweest voor overleg tussen [naam benadeelde partij] en [naam 1] , omdat het personeel direct alle gedetineerden heeft ingesloten (Formulier melding bijzonder voorval, p. 144). Bovendien, als sprake zou zijn van een met [naam benadeelde partij] afgestemde (wraak)actie jegens verdachte en de medeverdachten, is dit moeilijk te rijmen met het feit dat [naam 1] geen namen heeft willen noemen. Op grond van het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien acht het hof het hoogst onaannemelijk dat [naam benadeelde partij] en [naam 1] hun verklaringen op elkaar afgestemd hebben en ziet het hof geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 1] . Het hof zal de verklaringen van [naam 1] dan ook voor het bewijs bezigen.

2 Bewijsmiddelen

[naam benadeelde partij] heeft op 29 augustus 2018 verklaard dat hij gedetineerd zat in [naam P.I.] in [plaatsnaam] (het hof begrijpt: de Penitentiaire Inrichting ‘ [naam P.I.] ’). Hij verbleef in een eenpersoons cel. Hij heeft verklaard dat hij op 24 augustus 2018 in zijn cel in elkaar is geslagen door drie mannen. Er kwamen drie mannen zijn cel binnenlopen. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] kwam als eerste binnen. [naam benadeelde partij] werd door alle drie de mannen geslagen. Ze sloegen hem met hun vuisten. Hij weet niet hoe vaak hij is geslagen, maar heeft voor zijn gevoel zeker 20 vuistslagen op zijn gezicht gekregen van alle drie de mannen. De mannen sloegen hem ook op zijn lichaam en op zijn handen. Ze sloegen veel en hard op hem. Tijdens het slaan zeiden ze dat hij zijn weed aan hen moest geven. Ze wilden dat [naam benadeelde partij] hen de sleutel van zijn celkluisje zou geven. [verdachte] vond de sleutel en opende daarmee het celkluisje van [naam benadeelde partij] . Later bleek dat daaruit zijn Wilkinson baardtrimmer, zijn scheerapparaat en oplader zijn weggenomen. Ook werd een after-shave weggenomen. Toen de mannen weg waren is [naam benadeelde partij] naar de bewakers gelopen. Iedereen werd toen ingesloten. [naam benadeelde partij] moest vervolgens de daders aanwijzen. Hij liep met een bewaker langs de cellen. Op de celdeuren hangen foto’s van de gevangenen. [naam benadeelde partij] heeft de bewaker middels de foto’s duidelijk gemaakt wie hem hadden mishandeld. De bewaker schreef de namen op een briefje. Kort voor het verhoor kreeg [naam benadeelde partij] van een van de bewakers een briefje met daarop de namen, te weten: [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [naam benadeelde partij] heeft verklaard dat hij letsel heeft opgelopen, te weten een gebroken neus, twee gebroken oogkassen en een geblesseerde linkerhand. Hij heeft tevens verklaard dat hij mogelijk op een later tijdstip zou moeten worden geopereerd aan zijn oogletsel. Later, nadat alles achter de rug was, zag [naam benadeelde partij] dat zijn Braun scheerapparaat in zijn cel was gegooid. De oplader van dit scheerapparaat werd teruggevonden in een prullenbak buiten zijn cel.1

Getuige [naam 1] heeft op 3 september 2018 bij de politie verklaard dat hij op 24 augustus omstreeks 10:30 uur enkele personen met elkaar hoorde praten op de luchtplaats. Hij hoorde dat ze spraken over het feit dat ze [naam benadeelde partij] binnenkort zouden bedijen. Kort nadat hij het gesprek op de luchtplaats hoorde ging hij naar [naam benadeelde partij] , op zijn cel. Hij vertelde hem wat hij had gehoord en adviseerde hem om zijn celdeur wat meer dicht te houden. Hij merkte/zag dat de cel van [naam benadeelde partij] in de gaten werd gehouden. Toen [naam 1] terugkwam uit een telefooncel en naar zijn eigen cel wilde gaan zag hij drie personen uit de cel van [naam benadeelde partij] komen en zag hij dat [naam benadeelde partij] bloed had op zijn gezicht. De drie personen gingen meteen de ronde trap op naar boven, naar de eerste verdieping. Hij zag dat [naam benadeelde partij] meteen doorliep naar een bewaker. Direct daarna werden volgens [naam 1] alle 48 gedetineerden ingesloten.2 [naam 1] heeft op 28 januari 2019 verklaard dat de drie mannen die zijn aangehouden door de politie dezelfde mannen zijn die hij uit de cel van [naam benadeelde partij] zag komen.3

Binnen het onderzoek werden door de politie als verdachte aangemerkt en aangehouden: verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]4.

Getuige [naam 2] is op 13 september 2018 telefonisch gehoord door verbalisant [naam 3] . In het proces-verbaal van verhoor getuige heeft [naam 3] verklaard dat [naam 2] werkzaam was op de afdeling van [naam benadeelde partij] op het moment dat het incident plaatsvond. [naam 2] heeft verklaard dat hij aan het werk was op de afdeling en dat hij zag dat [naam benadeelde partij] aan kwam lopen. Hij zag dat hij veel bloed op zijn gezicht had. Hij hoorde [naam benadeelde partij] zeggen dat hij door drie mannen in elkaar geslagen was. De mannen hadden spullen van hem ‘weggejat’, onder andere een scheerapparaat inclusief lader. [naam 2] heeft vervolgens alarm geslagen waarna alle gedetineerden werden ingesloten. Daarna is hij samen met [naam benadeelde partij] langs alle cellen gelopen. Op de celdeuren hangt een foto van de gedetineerde die daar verblijft. [naam benadeelde partij] wees vervolgens drie mannen aan, te weten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . [naam benadeelde partij] gaf aan 100% zeker van zijn zaak te zijn. [naam 2] is gaan zoeken in de afvalbakken om te kijken of daar een scheerapparaat in lag. Op de eerste verdieping kwam hij een oplader van een scheerapparaat tegen in een afvalbak. De cellen van de drie mannen die [naam benadeelde partij] had aangewezen bevinden zich op die verdieping.5

Blijkens het dossier zijn er telefoongesprekken die gevoerd werden door [medeverdachte 1] opgevraagd. Het dossier bevat onder andere een telefoongesprek dat [medeverdachte 1] op 24 augustus 2018 om 11:35:33 uur heeft gevoerd. Verbalisanten hebben opgemerkt dat [medeverdachte 1] in dit gesprek ‘ [medeverdachte 1] ’ wordt genoemd. Het telefoongesprek is door verbalisanten uitgewerkt. Het hof bezigt de volgende passages voor het bewijs:

‘Er is hier een mannetje. Hij bedijt mij. (straattaal = iemand de les lezen). Ik wil hem klappen geven voordat ik lozoe ben (straattaal = weg ben), begrijp je? Ik denk, hij heeft 20 grannies genakt van mij (straattaal = gestolen).

(…)

Opmerking verbalisant: [medeverdachte 1] praat op zachtere toon.

Ik ga hem zo meteen broer, zo meteen worden we er uit gelaten (…) we zijn dan met een paar man. Ze staan al klaar. 3 man, we gaan hem helemaal in elkaar (het hof begrijpt: slaan). Ja ik zweer het je, drie boys.’ 6

Het dossier bevat tevens een telefoongesprek dat [medeverdachte 1] op 25 augustus 2018 om 15:02:28 uur heeft gevoerd. Het telefoongesprek is door verbalisanten uitgewerkt. Het hof bezigt de volgende passages voor het bewijs:

‘Weet je wat we gister iemand hebben aangedaan? (op fluisterende toon) (…) Hij deed een beetje stoer. Hij heeft 20 gram van mij gestolen. (…) Brother, ik haal een team op, gewoon een team. Een B-team. Brother, we gaan met de B-team. Broer, we wachten de hele tijd totdat zijn cel leeg is. Hij zit daar alleen brother. Ik ren naar binnen, ik begin hem te pompen. (pompen = straattaal voor slaan). We beginnen hem helemaal te mishandelen. (…) Hey brother, we hebben hem helemaal toto geslagen mattie. (…) Broer, niet alleen ik brother. Zijn neus is gebroken, beide oogkassen zijn gebroken. Hoor, beide oogkassen zijn gebroken. Hoor hij heeft gesnitched (snitchen = straattaal voor verraden). Hij is direct naar bewaarders gegaan. Wij werden gisteren opgepakt, wij drieën. (…) Want weet je wat het was, we wisten waar zijn stashplek (stash = straattaal voorraad) was. Hij stashed zijn zwen in zijn scheerapparaat. (…) Die motherfuckers hebben die scheerapparaat meegenomen.’ 7

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij vaak [bijnaam 1] wordt genoemd. Op 24 augustus 2018 was hij tijdens het vrijdaggebed, tussen 12:30 en 14:05 uur, uit zijn cel. Toen heeft hij gewacht op [naam benadeelde partij] . Toen [naam benadeelde partij] terugkwam is [medeverdachte 1] in zijn cel geweest. Hij heeft hem met een platte hand geslagen. Dit was een harde klap. Hij heeft hem nog een vuist in zijn ribben en op zijn benen gegeven. Zijn eerste klap was op zijn gezicht met een vlakke hand. Hij heeft tevens verklaard dat [naam benadeelde partij] hasj voor hem naar binnen had gebracht en 20 gram had achter gehouden.8

Blijkens een forensisch geneeskundig letselverslag, opgesteld door [naam 4] , forensisch arts bij [naam instelling] zijn er bij [naam benadeelde partij] naast uitwendige letsels onderhuidse bloeduitstortingen waargenomen die zijn veroorzaakt door inwerking van stomp mechanisch uitwendig inwerkende kracht op het gelaat. Er zijn meer inwendige letsels, te weten een breuk van de rechter oogkasbodem en een breuk van het rechter jukbeen. Deze zijn veroorzaakt door inwerking van mechanische uitwendige kracht op het gelaat. Aangezien de opperhuid boven deze breuken niet is doorbroken kan men er vanuit gaan dat hier sprake is van inwerking van stomp uitwendig geweld. Het feit dat [naam benadeelde partij] rond beide ogen onderhuidse bloeduitstortingen heeft en er op de SEH zwelling is geconstateerd ter hoogte van de beide jukbenen betekent dat er aan beide gezichtshelften een inwerking van mechanisch uitwendig geweld heeft plaatsgevonden. Tevens blijkt uit een in het letselverslag opgenomen brief van de neuroloog aan de huisarts van [naam benadeelde partij] dat er sprake is van verminderde visus aan het rechteroog. De verminderde visus waarschijnlijk in het kader van verschrompeling van de oogzenuw als gevolg van een trauma, bij herhaald doorgemaakt stomptrauma op het oog met ook opnieuw doorgemaakte fractuur van de oogkas. Het verlies van reukvermogen en de gehoorklachten kunnen ook in het kader van doorgemaakt trauma verklaard worden.9

Blijkens een brief van [naam 5] , oogarts bij het [naam ziekenhuis] , is er ernstige verslechtering van de visus van het rechteroog van [naam benadeelde partij] opgetreden sinds 24 augustus 2018. Met zeer grote waarschijnlijkheid bestaat er een causaal verband tussen het ondergane geweld dat [naam benadeelde partij] op 24 augustus 2018 onderging en de sterk verslechterde visus. Prognostisch gezien verwacht Smeding na ruim twee jaren geen verbetering van het zicht van het rechteroog. Thans is de visus zeer slecht, er is alleen nog sprake van lichtperceptie. Gezien het verloop tot nu toe is een totale blindheid uiteindelijk beslist niet uit te sluiten.10

3 Zwaar lichamelijk letsel

Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de conclusie van de rechtbank, dat het dossier onvoldoende medische informatie bevat om te komen tot het oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, niet juist is. Door de verdediging is aangevoerd dat niet is vast te stellen dat de tenlastegelegde gedragingen het letsel hebben veroorzaakt, omdat er reeds letsel bij [naam benadeelde partij] bestond voorafgaand aan het incident.

Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

Het hof stelt aan de hand van het forensisch geneeskundig letselverslag van [naam instelling] vast dat er op 24 augustus 2018 letsel is toegebracht bij [naam benadeelde partij] , te weten onder meer een breuk van de rechter oogkasbodem en een breuk van het rechter jukbeen. Daarnaast is er blijkens de brief van oogarts [naam 5] sprake van ernstige verslechtering van de visus van het rechteroog van [naam benadeelde partij] sinds 24 augustus 2018 en bestaat er met zeer grote waarschijnlijkheid een causaal verband tussen het geweld dat hij die dag heeft ondergaan en de verslechterde visus. Verbetering van de visus wordt niet meer verwacht, en totale blindheid is beslist niet uit te sluiten. Gelet op de aard en de ernst van het letsel, te weten diverse breuken in het gezicht met als gevolg onder andere ernstig verlies van zicht, en de omstandigheid dat er geen uitzicht meer is op herstel, is het hof van oordeel dat het letsel van [naam benadeelde partij] als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

4 Betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting van het hof betrokkenheid bij het (gewelds)incident met [naam benadeelde partij] ontkend. Het hof ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of verdachte een van de drie personen is geweest die bij [naam benadeelde partij] in de cel zijn geweest.

Het hof overweegt als volgt.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet betrokken kan zijn geweest bij het incident, omdat getuigen [naam 6] en [naam 7] hebben verklaard dat zij ten tijde van het incident met verdachte op cel waren. Het hof acht deze verklaringen niet geloofwaardig. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder dat uit het dossier blijkt dat verdachte aan [naam 6] een brief heeft laten schrijven waarin hij aangeeft wat deze getuige moest verklaren, dat hij ook aan [naam 7] moest laten weten wat hij moest gaan verklaren, dat het dan voor verdachte een vrijspraak zou worden en dat [naam 6] dan een percentage zou krijgen.

Gelet op alle voorgaande beschreven wettige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte als een van de drie daders betrokken is geweest bij het (gewelds)incident in de cel van [naam benadeelde partij] .

5 Bewijsmotivering diefstal in vereniging vergezeld van geweld

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde diefstal vergezeld van geweld. De samenwerking heeft in de kern feitelijk bestaan uit een gezamenlijk optreden en uitvoering jegens [naam benadeelde partij] in zijn cel volgens vooropgezet plan. Het hof is dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Het hof overweegt dat uit de bewijsmiddelen en met name de telefoongesprekken duidelijk blijkt wat de reden was van het bezoek aan [naam benadeelde partij] , namelijk dat [naam benadeelde partij] 20 gram drugs van [medeverdachte 1] gestolen zou hebben en dat [medeverdachte 1] , verdachte en [medeverdachte 2] van plan waren [naam benadeelde partij] helemaal in elkaar te slaan. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat zij op zoek waren naar weed, dat zij er vanuit gingen dat [naam benadeelde partij] zijn weed bewaarde in zijn scheerapparaat en dat daarom het scheerapparaat uit het celkluisje van [naam benadeelde partij] is gepakt. Uit dat celkluisje is ook een baardtrimmer en de oplader van het scheerapparaat weggenomen en [naam benadeelde partij] miste na het incident tevens aftershave. Kort na het incident is de oplader door een medewerker van de penitentiaire inrichting gevonden in een prullenbak op de bovenverdieping, op de gang waar de cellen van verdachte en zijn medeverdachten zich bevinden en waar zij na het verlaten van de cel van [naam benadeelde partij] naar toe gingen. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] diverse goederen hebben gestolen van [naam benadeelde partij] in hun zoektocht naar hasj.

Het hof acht tevens bewezen dat de door verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegde diefstal is vergezeld van geweld met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken. Dat er geweld is gebruikt blijkt uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor opgenomen. Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen ook vast dat dit geweld (mede) is gepleegd met het oogmerk om de diefstal gemakkelijk te maken. Het hof overweegt daartoe in aanvulling op het voorgaande dat uit de verklaring van [naam benadeelde partij] blijkt dat hij door de drie mannen werd geslagen met hun vuisten, op zijn gezicht en op zijn lichaam en dat zij tijdens het slaan zeiden dat hij zijn weed aan hen moest geven en dat zij wilden dat hij de sleutel van zijn celkluisje zou geven, waaruit vervolgens goederen zijn weggenomen.

Het hof stelt tenslotte op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen met betrekking tot zwaar lichamelijk letsel vast, dat het door verdachte en de medeverdachten gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel tegen gevolge heeft gehad.

6 Bewijsmotivering zware mishandeling met voorbedachten rade

6.1

Opzet op zwaar lichamelijk letsel en medeplegen

Het hof heeft reeds vastgesteld dat het door verdachte en de medeverdachten gepleegde geweld heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel bij [naam benadeelde partij] . In het kader van de onder 2 tenlastegelegde zware mishandeling met voorbedachten rade ziet het hof zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte opzet had op het toebrengen van dat letsel. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de cel van [naam benadeelde partij] zijn binnengetreden en meteen op [naam benadeelde partij] hebben in geslagen met hun vuisten. Uit het getapte telefoongesprek dat voorafgaand aan het feit is gevoerd blijkt dat [medeverdachte 1] heeft gezegd ‘we gaan hem helemaal in elkaar (het hof begrijpt: slaan). Het hof overweegt voorts dat de gedragingen van de verdachten - te weten het in een kleine cel met drie mannen in elkaar slaan van één persoon, waarbij hard en meer dan 20 keer hard met de vuisten op het gezicht wordt geslagen - naar uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht zijn op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat daarmee bewezen kan worden dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Het hof oordeelt tevens dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie mannen en verwijst voor de motivering daarvoor naar overweging 5.

6.2

Met voorbedachten rade

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'met voorbedachten rade' acht het hof in het bijzonder de getapte telefoongesprekken redengevend. In het telefoongesprek dat [medeverdachte 1] heeft gevoerd voordat het feit heeft plaatsgevonden zegt hij onder andere ‘we gaan hem helemaal in elkaar (het hof begrijpt: slaan)’. Ook blijkt uit dit gesprek dat [medeverdachte 1] dit met twee andere personen zou gaan doen. In het tweede tapgesprek, dat na het feit heeft plaatsgevonden, heeft [medeverdachte 1] gezegd dat ze hebben gewacht tot zijn cel leeg was (het hof begrijpt: de cel van [naam benadeelde partij] ), en dat hij, [medeverdachte 1] , was begonnen met ‘pompen’, hetgeen straattaal is voor slaan. Ook in dit gesprek heeft [medeverdachte 1] verklaard dit met anderen te hebben gedaan. Het hof overweegt tevens dat [naam 1] heeft verklaard dat hij de ochtend van het incident enkele personen op de luchtplaats had horen zeggen dat ze [naam benadeelde partij] gingen ‘bedijen’. Daarnaast merkte hij voorafgaand aan het incident dat de cel van [naam benadeelde partij] in de gaten werd gehouden.

Het hof concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van de daad en zich daar rekenschap van te geven. Er is hier sprake van een van tevoren gesmeed plan dat vervolgens daadwerkelijk is uitgevoerd. Aldus staat voor het hof vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het hof ziet voorts geen contra-indicaties die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 24 augustus 2018 te [plaatsnaam] , in de [naam gemeente] , in (een cel van) de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een baardtrimmer (merk Wilkinson) en een oplader en after-shave geheel toebehorende aan [naam benadeelde partij] welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [naam benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte in vereniging met zijn mededaders de cel van die [naam benadeelde partij] is binnengegaan en zij vervolgens die [naam benadeelde partij] meermalen in het gezicht, hebben geslagen en tegen het lichaam hebben geslagen en gestompt, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten: een oogkasbreuk en een neusbijholtebreuk, ten gevolge heeft gehad.

2.primair
hij op 24 augustus 2018 te [plaatsnaam] , in de [naam gemeente] , in een cel van de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] , tezamen en in vereniging met anderen, aan [naam benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, te weten: een oogkasbreuk en een neusbijholtebreuk, heeft toegebracht door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met zijn mededaders die [naam benadeelde partij] meermalen in het gezicht en tegen het lichaam te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het met voorbedachten rade medeplegen van een zware mishandeling van medegedetineerde [naam benadeelde partij] . Hij is samen met twee anderen de cel van [naam benadeelde partij] binnengegaan en vervolgens hebben zij meermalen met hun vuisten op zijn gezicht en lichaam geslagen. [naam benadeelde partij] heeft daardoor diverse breuken in zijn gezicht opgelopen. Daarnaast is er door het ondergane geweld een ernstige verslechtering van de visus van zijn rechteroog opgetreden. [naam benadeelde partij] ziet met zijn rechteroog nu enkel nog het verschil tussen donker en licht. Een uiteindelijke totale blindheid aan zijn rechteroog is niet uit te sluiten. Verdachte heeft door zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam benadeelde partij] . Daarnaast heeft verdachte met de medeverdachten bovenstaand geweld gebruikt om diefstal van een aantal goederen van [naam benadeelde partij] gemakkelijk te maken. Verdachte heeft daarmee eveneens te kennen gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 januari 2021. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een diefstal met geweld.

Het hof overweegt dat [naam benadeelde partij] door verdachte en medeverdachten is aangevallen in zijn eigen cel. Juist in een instelling als een penitentiaire inrichting, waarin de mate van privacy en (bewegings)vrijheid van gedetineerden al belangrijk zijn beperkt, is een cel bij uitstek het privédomein van een gedetineerde waarin hij/zij zich veilig moet kunnen voelen. Daarom neemt het hof als vertrekpunt voor de op te leggen straf de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken met betrekking tot een overval in een woning. Dat betekent in het onderhavige geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren indien er sprake is van meer dan (enkel) licht geweld.

Gelet op het handelen van verdachte met voorbedachten rade, het samenwerkingsverband tussen hem en zijn medeverdachten - waarbij zij met drie man fors op [naam benadeelde partij] hebben ingeslagen - en de ernst van het letsel, acht het hof alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Gevangenneming

De advocaat-generaal heeft gevangenneming van de verdachte gevorderd. Het hof zal deze vordering toewijzen en zal de gevangenneming van verdachte bevelen op grond van de overwegingen opgenomen in een afzonderlijk geminuteerde beslissing, van welke beslissing een kopie aan dit arrest is gehecht.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7573,80, bestaande uit € 73,80 materiële schade en € 7500,- immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 73,80. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, vanwege een onredelijke belasting van het strafproces.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 73,80 aan materiële schade gevorderd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Immateriële schade

[naam benadeelde partij] heeft een bedrag van € 7500,- aan immateriële schade gevorderd. [naam benadeelde partij] heeft door het geweldsincident een oogkasfractuur en een jukbeenfractuur opgelopen. Er is sprake van verminderd zicht aan het rechteroog en totale blindheid op termijn is niet uit te sluiten.

[naam benadeelde partij] heeft te kennen gegeven dat hij het door hem gevorderde wegens immateriële schade bij voorschot toegewezen wenst te zien. Het hof begrijpt de vordering aldus dat de benadeelde partij zich daarmee voor de schade voor dat deel van de vordering (het door hem genoemde voorschot) heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht een eventueel ander deel (nog) bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken, nu het hof in het kader van dit strafproces niet op grond van een voorlopig oordeel het gevorderde bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen bij wege van voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.8.4).

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van deze schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek net als de rechtbank naar billijkheid schatten op € 7500,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Het hof heeft daarbij gelet op de aard en de ernst van de inbreuk die op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt. Daarnaast heeft het letsel grote invloed op het dagelijks leven van de benadeelde partij, zijn zicht is immers zeer verslechterd. Het hof heeft tevens gelet op de vergoeding die in vergelijkbare gevallen ter zake van immateriële schade door rechters is toegekend.

Aangezien naar civielrechtelijke maatstaven meer personen voor de schade aansprakelijk zijn, wordt de toewijzing van de vordering hoofdelijk opgelegd. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 303 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van verdachte, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] ter zake van het onder 1, 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.573,80 (zevenduizend vijfhonderddrieënzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 73,80 (drieënzeventig euro en tachtig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij] , ter zake van het onder 1, 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.573,80 (zevenduizend vijfhonderddrieënzeventig euro en tachtig cent) bestaande uit € 73,80 (drieënzeventig euro en tachtig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 augustus 2018.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. G.A. Versteeg en mr. M.B. de Wit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Veenbaas, griffier,

en op 31 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangever d.d. 29 augustus 2018, opgenomen op pagina 17 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018228168/2018233112 d.d. 28 september 2019, inhoudende de verklaring van [naam benadeelde partij] .

2 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 september 2018, opgenomen op pagina 45 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018228168/2018233112 d.d. 28 september 2019, inhoudende de verklaring van [naam 1] .

3 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 januari 2019, inhoudende de verklaring van [naam 1] .

4 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Politie Noord-Nederland met nummer 2018228168/2018233112 d.d. 28 september 2019, pagina 13, 14 en 15.

5 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 13 september 2018, opgenomen op pagina 68 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018228168/2018233112 d.d. 28 september 2019, inhoudende de verklaring van [naam 3] .

6 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2018, opgenomen op pagina 116 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018228168/2018233112 d.d. 28 september 2019, inhoudende de verklaring van verbalisanten.

7 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2018, opgenomen op pagina 108 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018228168/2018233112 d.d. 28 september 2019, inhoudende de verklaring van verbalisanten.

8 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 5 september 2018, opgenomen op pagina 173 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018228168/2018233112 d.d. 28 september 2019, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] .

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een Forensisch Geneeskundig Letselverslag, betreffende betrokkene [naam benadeelde partij] , opgesteld door [naam 4] , forensisch arts [naam instelling] , d.d. 20 juni 2019.

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een brief opgesteld door [naam 5] , oogarts te [naam ziekenhuis] , d.d. 23 februari 2021.