Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:3091

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
200.275.116/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst na discussie over gebreken lakwerk. Omvat deze overeenkomst ook gebreken die later opkomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.275.116/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 7750455)

arrest van 30 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H. Kroon, die kantoor houdt te Hilversum,

tegen

Mogano Shipbuilding B.V.,

gevestigd te Loosdrecht,

geïntimeerde,

hierna: Mogano,

advocaat: mr. N.S. Commijs, die kantoor houdt te Zwolle.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Naar aanleiding van het tussenarrest van 26 mei 2020 heeft op 6 augustus 2020 een mondelinge behandeling plaatsgehad (een comparitie). Daarvan is een zakelijk verslag gemaakt (het proces-verbaal). Vervolgens heeft [appellant] zijn bezwaren geformuleerd in een memorie van grieven, met bijlagen (producties). Daarop heeft Mogano geantwoord. Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd opnieuw uitspraak te doen.

2 Waar gaat dit hoger beroep over?

2.1

In deze procedure klaagt [appellant] over gebreken aan het door Mogano op zijn schip aangebrachte lakwerk. Het geschil heeft de volgende achtergrond.

2.2

Mogano heeft eind 2015 werkzaamheden uitgevoerd aan een dagcruiser (een Rapsody 24) die eigendom is van [appellant] . [appellant] was niet tevreden over het door Mogano aangebrachte lakwerk en heeft op 9 maart 2016 Van Baars expert pleziervaartuigen ingeschakeld om de kwaliteit daarvan te beoordelen.

Van Baars concludeerde in zijn rapport dat het lakwerk niet geheel conform de gehanteerde norm was uitgevoerd. Mogano heeft vervolgens herstelwerk verricht. Toen daarna discussie ontstond over de vraag wie de kosten van Van Baars moest dragen, heeft [appellant] geschreven dat hij helemaal niet tevreden was over de kwaliteit van het werk, maar bereid was om er genoegen mee te nemen, om het af te ronden. Hij vond het alleen onredelijk als de expertisekosten voor zijn rekening zouden blijven: ‘Ik vraag je nogmaals om dit te accepteren, dan betaal ik bij akkoord direct 4480 euro en is het klaar.’

2.3

Toen Mogano vervolgens het aanbod deed om 50% van het bedrag dat [appellant] aan Van Baars had betaald in mindering te brengen op de nog openstaande factuur, heeft

[appellant] op 12 mei 2016 geantwoord hiermee akkoord te zijn. Na een klein jaar heeft hij echter aanleiding gezien Mogano in gebreke te stellen in verband met nieuwe problemen met de laklaag van het schip, haar in de gelegenheid gesteld deze gebreken te herstellen en aangegeven dat Mogano in verzuim zou komen als zij deze gelegenheid niet zou benutten. Toen Mogano niet bereid was de gestelde gebreken te herstellen, heeft [appellant] een tweede deskundige, Esma, ingeschakeld. Die kwam op 16 juni 2017 tot de conclusie dat het lakwerk niet de kwaliteit en de uitstraling gaf die [appellant] mocht verwachten.

2.4

Mogano is niet ingegaan op de sommatie om tot herstel van deze gebreken over te gaan. Vervolgens heeft [appellant] vervangende schadevergoeding gevorderd. Het bedrag van die vordering (€ 18.500,-) baseerde hij op de bevindingen van Esma.

2.5

Omdat Mogano ook niet bereid was deze schade te vergoeden, heeft [appellant] haar gedagvaard. Behalve vervangingsschade (€ 18.500,-) vorderde hij € 1.044,54 (expertisekosten), € 1.174,23 (incassokosten) en wettelijke rente. De kantonrechter heeft deze vorderingen integraal afgewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Mogano. Met het hoger beroep wil [appellant] bereiken dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen.

3 Wat is het oordeel van het hof?

3.1

De kantonrechter is tot de conclusie gekomen dat partijen al in 2016 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten ter beëindiging van hun geschil over de kwaliteit van het lakwerk. Om die reden zijn de vorderingen afgewezen. De centrale vraag in dit hoger beroep is daarmee of [appellant] met de gemaakte afspraak afstand heeft gedaan van het recht over de kwaliteit van het lakwerk te klagen.

3.2

Zoals de kantonrechter al heeft overwogen, komt het bij de beantwoording van die vraag niet aan op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de gemaakte afspraak (uitlatingen in e-mails), maar op de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen en op wat zij over die betekenis redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.3

Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat de in 2016 gemaakte afspraak de strekking had om zowel een einde te maken aan discussie over de kosten van Van Baars als aan het geschil over de kwaliteit van het door Mogano geleverde werk. Tegen dat oordeel is ook geen bezwaar gemaakt, althans niet voldoende duidelijk.

De bezwaren van [appellant] richten zich immers niet tegen de (terechte) overweging van de kantonrechter dat uit de e-mailwisseling tussen partijen duidelijk blijkt dat de afspraak die is gemaakt betrekking had op zowel de werkzaamheden van Mogano als op de expertisekosten. Waar het [appellant] wel om gaat – ook in dit hoger beroep – is dat die afspraak volgens hem beperkt zou zijn tot gebreken die hij op dat moment kon constateren en die waren opgesomd in het rapport van Van Baars (teveel stofdeeltjes, druipers, schuurkrassen en ongedekte lagen). Het was volgens hem niet de bedoeling zijn recht op herstel of schadevergoeding prijs te geven ten aanzien van gebreken aan het lakwerk die pas later zouden opkomen (gele vlekken als gevolg van onvoldoende hechting en vochtinwerking).

3.4

Naar het oordeel van het hof mocht Mogano de gemaakte afspraak echter zo begrijpen, dat elke aansprakelijkheid voor gebreken aan het lakwerk daarmee van de baan was (dat het ‘klaar’ was). Uit het rapport van deskundige Van Baars volgt dat hij het lakwerk ook heeft beoordeeld op kleur en glans en onder de categorie ‘overig’ op een aantal andere mogelijke gebreken en dat hij op deze punten geen afwijkingen heeft geconstateerd. Enig voorbehoud voor gebreken die zich later nog zouden kunnen manifesteren, of die niet door Van Baars waren waargenomen, valt in de e-mailcorrespondentie niet te lezen. Dat voorbehoud had

[appellant] wel moeten maken. Het karakter van deze vaststellingsovereenkomst is immers dat partijen zich hebben gebonden ter beëindiging van onzekerheid of geschil over de kwaliteit van het werk. Daarbij ging [appellant] niet over een nacht ijs: hij heeft die afspraak pas gemaakt nadat hij zich door een deskundige had laten voorlichten. Het feit dat de kwaliteit (de laagdikte van de lak) op dat moment zonder destructief onderzoek niet was vast te stellen, was voor [appellant] een gegeven, en vormde kennelijk geen aanleiding tot het maken van enig voorbehoud over de reikwijdte van de overeenkomst. Dat deskundige

Van Baars indertijd geen andere gebreken heeft vastgesteld, betekent niet - althans niet zondermeer - dat de vaststellingsovereenkomst zich beperkte tot gebreken die toen wel werden geconstateerd en dat Mogano er rekening mee moest houden dat [appellant] zich ten aanzien van niet door Van Baars waargenomen gebreken alle rechten voorbehield.

3.5

Voor nadere bewijsvoering bestaat geen ruimte. [appellant] zal ook in dit hoger beroep worden veroordeeld in de proceskosten van Mogano (tariefgroep 2, 2 punten).

4 De beslissing

Het hof:

1. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland in Almere van 13 november 2019;

2. veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep. Tot nu toe worden die aan de kant van Mogano vastgesteld op

  • -

    € 2071 ,- aan procedurele kosten (verschotten) en

  • -

    € 2.228,-,- aan salaris.

3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, H. de Hek en O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

30 maart 2021.