Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2995

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.264.188/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De officier van justitie heeft de foto van de gedraging niet met het dossier doorgestuurd naar de rechtbank, zodat de kantonrechter daarvan geen kennis heeft kunnen nemen bij de beoordeling van het beroep. De beslissing van de kantonrechter kan daarom niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.264.188/01

CJIB-nummer

: 217966582

Uitspraak d.d.

: 30 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het verloop van de

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Hij voert hiertoe onder meer aan dat pas in de fase van hoger beroep foto’s van de gedraging in het geding zijn gebracht.

2. Het hof stelt vast dat de foto’s van de gedraging die de ambtenaar heeft gemaakt pas in hoger beroep door de advocaat-generaal zijn toegevoegd.

3. Het is vaste rechtspraak dat de op de zaak betrekking hebbende stukken zoals foto's van de gedraging deel moeten uitmaken van het dossier. Voor de compleetheid van het dossier dient de officier van justitie zorg te dragen. Deze moet, ingevolge artikel 10 van de Wahv, het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ter kennis van de rechtbank brengen.

4. De officier van justitie heeft ten onrechte de foto’s van de gedraging niet doorgestuurd naar de rechtbank waardoor de kantonrechter en de gemachtigde daarvan geen kennis hebben kunnen nemen en deze foto's in beroep bij de kantonrechter buiten beschouwing zijn gebleven. Het hof zal om die reden de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal overgaan tot beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

5. De officier van justitie heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet of niet tijdig een machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat Waals gemachtigd is door degene aan wie de beschikking is opgelegd (het hof begrijpt: tot wie de beschikking is gericht). Waals stelt dat de officier van justitie ten onrechte heeft nagelaten Waals op dit punt te horen.

6. Bij het instellen van administratief beroep heeft Waals een op 1 december 2017 door

[B] ondertekende machtiging overgelegd waarin Waals is gemachtigd om hem (het hof begrijpt: [B] ) te vertegenwoordigen in - voor zover hier van belang - het verweer tegen verkeersgerelateerde sancties en om al hetgeen te doen dat door de gemachtigde noodzakelijk wordt geacht. Hieronder dient in ieder geval te worden begrepen het zo nodig aanwenden van beschikbare rechtsmiddelen. Onder de naam van [B] is opgenomen: [de betrokkene] B.V., [a-straat 1] , [A] .

7. Bij brief van 16 juli 2018, met bijlage, heeft de officier van justitie Waals gevraagd om een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat deze ziet op de onderhavige beschikking omdat in de overgelegde machtiging geen of een onjuist CJIB-nummer en/of geen recente datum van ondertekening genoemd is. Op deze brief heeft Waals niet gereageerd. De officier van justitie heeft vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard omdat de gevraagde machtiging niet is verstrekt.

8. Het hof overweegt dat in de verstrekte machtiging weliswaar niet het kenmerk of een aanduiding van onderhavige zaak is opgenomen, maar geen rechtsregel verplicht daartoe (vergelijk

het arrest van het hof van 4 januari 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl. ECLI:NL:GHARL:2016:12). Het instellen van beroep tegen de inleidende beschikking valt onder het bereik van de machtiging. In zoverre kan de verstrekte machtiging niet als ontoereikend worden aangemerkt.

9. In voormelde brief van de officier van justitie is niet vermeld dat uit de verstrekte machtiging niet blijkt dat [B] bevoegd is om namens de betrokkene een machtiging te verlenen. Het daarop betrekkende onderdeel van de bijlage is niet aangekruist. Gelet hierop kon Waals, nu de officier van justitie in deze brief uitsluitend op een ander aspect gewezen heeft, menen dat in dit opzicht aan de machtiging geen gebrek kleefde. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. De overige tegen deze beslissing aangevoerde bezwaren behoeven daarmee geen bespreking meer.

10. Het hof heeft inmiddels reeds in meerdere zaken die aan het hof zijn voorgelegd vastgesteld dat [B] bevoegd is om namens de betrokkene een machtiging te verlenen. Waals wordt daarom

als gemachtigde aangemerkt. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

11. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 juni 2018 om 14.03 uur op de Lange Voorhout in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

12. De gemachtigde stelt dat de betrokkene ten onrechte niet is staandegehouden. De reden waarom niet tot staandehouding is overgegaan, volgt (ook) niet uit het aanvullend proces-verbaal, dat door de advocaat-generaal in hoger beroep is overgelegd. Dat op de foto’s wellicht geen bestuurder zichtbaar is, zoals de advocaat-generaal stelt, maakt nog niet dat geen bestuurder aanwezig was of dat staandehouding niet mogelijk was.

13. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.

14. Uit het zaakoverzicht blijkt niet waarom van staandehouding is afgezien. In een aanvullend proces-verbaal van 22 december 2019 is door de betreffende ambtenaar - voor zover relevant - het volgende is verklaard:

Op donderdag 13 juni 2019 (het hof begrijpt: 2018) omstreeks 14.03 uur bevond ik mij (…) op de Lange Voorhout (…). Ik zag toen dat daar een bedrijfsvoertuig, merk Mercedes-Benz, wit van kleur met het Nederlandse kenteken [00-YYY-0] op het trottoir stond geparkeerd. Ik zag dat het voertuig daar geparkeerd stond, niet in of op een parkeervak. Er waren geen tekenen van laden of lossen. (…)”

15. Verder zijn vier foto’s van de gedraging bijgesloten waarop het geparkeerde voertuig te zien is. In en rondom het voertuig zijn geen personen aanwezig.

16. De ambtenaar heeft verklaard dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd. Op de foto van de gedraging is een leeg voertuig te zien. Hieruit kan in beginsel worden afgeleid dat niemand aanwezig was bij het voertuig en zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Argumenten die meebrengen dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken zijn niet gesteld.

17. Het voorgaande houdt in dat het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond zal verklaren.

18. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

19. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.