Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2990

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.261.433/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging voldoet ondanks ontbreken van de naam van de volmachtgever. De handtekening op de machtiging komt overeen met die op door de betrokkene zelf ondertekende brief in het dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.261.433/01

CJIB-nummer

: 210859247

Uitspraak d.d.

: 30 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 april 2019, betreffende

F.R. Eggink (hierna: Eggink),

kantoorhoudende te Almelo,

(beweerdelijk) optredende als gemachtigde voor

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Eggink heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat op de machtiging de naam van de betrokkene en de ondubbelzinnige verklaring dat de betrokkene wenst dat Eggink hem vertegenwoordigt, ontbreken. Dit verzuim is niet hersteld nadat daartoe de gelegenheid is geboden. Niet is gebleken dat Eggink is gemachtigd om namens de betrokkene op te treden.

2. Eggink voert in hoger beroep aan dat hij namens de betrokkene het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. In hoger beroep heeft Eggink een machtiging overgelegd.

3. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 12 februari 2018 is een machtiging d.d. 11 oktober 2017 gevoegd. Eggink, VerBo Juridisch Advies, wordt gemachtigd om als vertegenwoordiger op te treden, bijvoorbeeld op grond van de Wahv, in de ruimste zin van het woord. De machtiging is voorzien van een handtekening. Op de machtiging is bij het e-mailadres ingevuld “ [de betrokkene] @hotmail.com” en het op de machtiging ingevulde CJIB-nummer komt overeen met het onderhavige CJIB-nummer.

4. Bij zijn brief d.d. 19 januari 2018 heeft de betrokkene deze machtiging eveneens gevoegd. In deze brief geeft de betrokkene aan dat hij heeft besloten om het heft vanaf dat moment in handen te nemen. VerBo Juridisch Advies heeft een aantal beslissingen gemaakt waar de betrokkene het niet mee eens is en hem niet op de hoogte gesteld van de stand van zaken. De betrokkene geeft voorts aan verdere communicatie met het openbaar ministerie zelf en niet meer via VerBo Juridisch Advies te willen voeren.

5. Bij brief d.d. 11 juni 2018 heeft Eggink laten weten dat de betrokkene in de onderhavige zaak abusievelijk foutieve gronden heeft ingediend. De gronden zoals ingediend door VerBo Juridisch Advies zijn de juiste gronden. Op deze brief is de naam van de betrokkene vermeld met daaronder een handtekening.

6. Bij tussenbeslissing van 30 november 2018 heeft de kantonrechter overwogen dat hij de behandeling van de zaak zal aanhouden mede gelet op het feit dat uit het dossier niet duidelijk blijkt dat Eggink is gerechtigd om de betrokkene te vertegenwoordigen. Eggink is in de gelegenheid gesteld om een deugdelijke recente machtiging te verstrekken, waarin de betrokkene ondubbelzinnig verklaart dat hij wenst dat Eggink hem vertegenwoordigt.

7. Bij brief d.d. 7 januari 2019 heeft Eggink een machtiging d.d. 8 december 2018 overgelegd. Eggink, VerBo Juridisch Advies, wordt gemachtigd om als vertegenwoordiger op te treden, bijvoorbeeld op grond van de Wahv, in de ruimste zin van het woord. De machtiging is voorzien van een handtekening. Op de machtiging is bij het e-mailadres ingevuld “ [de betrokkene] @hotmail.com” en het op de machtiging ingevulde CJIB-nummer komt overeen met het onderhavige CJIB-nummer.

8. De kantonrechter heeft bij beslissing van 10 april 2019, zoals weergegeven onder 1., het beroep niet-ontvankelijk verklaard, nu het dossier geen volledige machtiging bevat.

9. In hoger beroep heeft Eggink voormelde machtiging d.d. 8 december 2018 overgelegd. Op die machtiging is een wijziging aangebracht. Naast de handtekening is met getypte letters “ [de betrokkene] ” vermeld.

10. Met de kantonrechter stelt het hof vast dat de machtiging d.d. 8 december 2018, die Eggink in de procedure bij de kantonrechter heeft overgelegd, geen naam bevat. Op de machtiging is een

e-mailadres vermeld, maar de naam die blijkt uit een e-mailadres is niet vanzelfsprekend ook de naam van degene die de machtiging afgeeft. De machtiging is ondertekend. Uit die handtekening volgt echter niet wie de machtiging heeft ondertekend. Gezien de overeenkomsten met de handtekening die de betrokkene heeft geplaatst onder zijn brief d.d. 19 januari 2018 alsook de

daarbij door hem overgelegde machtigingen, en in aanmerking genomen dat in de machtiging

d.d. 8 december 2018 - die is gedateerd na de brief d.d. 19 januari 2018, waarin de betrokkene de machtiging kennelijk wilde beëindigen - het onderhavige CJIB-nummer is vermeld, heeft de kantonrechter niettemin ten onrechte de machtiging ontoereikend geacht.

11. De kantonrechter heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter kan niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Gelet op het voorgaande merkt het hof Eggink in de onderhavige zaak aan als gemachtigde van de betrokkene.

12. Ter zitting van de kantonrechter van 30 november 2018 heeft de gemachtigde gronden aangevoerd tegen zowel de beslissing van de officier van justitie als de inleidende beschikking. De gemachtigde voert aan dat er geen gelegenheid is geboden door de officier van justitie om het verzuim in administratief beroep te herstellen.

13. Uit het dossier blijkt het volgende. In zijn administratief beroepschrift d.d. 31 oktober 2017 verzoekt de gemachtigde om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Bij brief d.d.

20 december 2017 heeft de officier van justitie de gemachtigde laten weten dat hij tijdens het horen de gelegenheid krijgt om de gronden aan te vullen en de gemachtigde uitgenodigd om in persoon te worden gehoord op 24 januari 2018. De officier van justitie heeft het beroep op 29 januari 2018 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In zijn beslissing overweegt de officier van justitie dat geen reactie van de gemachtigde is ontvangen en dat hij afziet van het horen omdat de gemachtigde alleen via een betaalnummer bereikbaar is.

14. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie door de gemachtigde uit te nodigen voor een hoorzitting voldoende gelegenheid heeft geboden om de gronden aan te vullen (vgl. het arrest van het hof van 23 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:8916). Een redelijke uitleg van de brief d.d. 20 december 2017 brengt mee dat de gemachtigde tot de hoorzitting, zijnde een alleszins redelijke termijn, in de gelegenheid is gesteld om de beroepsgronden voorafgaand aan de beslissing van de officier van justitie - schriftelijk - aan te vullen. Het hof verwerpt het verweer (vgl. de arresten van het hof van 23 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:11086 en 15 juli 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5545).

15. De grond dat het dossier geen foto bevat, mist feitelijke grondslag. Bij de brief van de officier van justitie d.d. 30 januari 2019 is een foto gevoegd.

16. De overige gronden richten zich tegen de inleidende beschikking. Aan de betrokkene is bij die beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren voor een in- en/of uitrit”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 september 2017 om 12.10 uur op de Brueghelstraat ter hoogte van huisnr: 78 in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

17. De gemachtigde stelt dat de ambtenaar met nummer 3933 niet bestaat. De nummers van de ambtenaren die zijn opgegeven komen niet overeen met de nummers die in het zaakoverzicht staan vermeld. De in- en uitrit is van de werkplaats van de betrokkene. De betrokkende moest omlopen om de deur open te kunnen doen, omdat de automatische deur niet reageerde.

18. Het hof heeft in het arrest van 23 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10797 overwogen dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties - zoals hetgeen de gemachtigde in casu naar voren brengt omtrent de nummers van ambtenaren - doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Het verweer faalt.

19. De gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling verbiedt het parkeren voor een in- of uitrit.

20. Voor zover de gemachtigde stelt dat geparkeerd is op eigen grond van de werkplaats van de betrokkene en aan de betrokkene derhalve geen sanctie kan worden opgelegd, wordt overwogen dat de gemachtigde niet heeft onderbouwd dat het eigen terrein betreft dat niet voor het openbaar verkeer openstaat (vgl. het arrest van het hof van 18 januari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:409). Het verweer van de gemachtigde treft dan ook geen doel.

21. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er desondanks omstandigheden zijn om te oordelen dat oplegging van de sanctie niet billijk is of het bedrag van de sanctie moet worden gematigd.

22. Het hof is van oordeel dat dergelijke omstandigheden zich in casu niet voordoen. Het bepaalde in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990 is niet afhankelijk van de toestemming van de eigenaar of gebruiker van de in- of uitrit (vgl. het onder 20. vermelde arrest). Ook dit verweer faalt.

23. Gelet op het voorgaande zal het hof tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

24. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.