Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2970

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
Wahv 200.247.607/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bebording aanwezig? Parkeerverbodszone. Een verwijzing naar een website, in dit geval een route op Google Maps, is geen beroepsgrond, zodat het hof daarvan geen kennis hoeft te nemen. Nu de gevolgde route dus niet is aangegeven, is nadere informatie omtrent de aanwezigheid van bebording niet vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.247.607/01

CJIB-nummer

: 207889826

Uitspraak d.d.

: 30 maart 2021

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 27 juli 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is aanvullende informatie in het geding gebracht.

De gemachtigde van de betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid daarop te reageren.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 mei 2017 om 07.49 uur op de Badweg in Geldermalsen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter heeft miskend dat nader onderzoek had moeten worden gelast. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding is geweest nu uit het zaakoverzicht niets hierover blijkt.

3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Overtreden artikel: 62 jo. bord E1 RVV 1990 (…)

Opmerkingen ambtenaar 1: buiten de aangegeven parkeervakken geparkeerd in parkeerverbodszone”.

4. Daarnaast heeft de advocaat-generaal in hoger beroep een aanvullend proces-verbaal overgelegd. In dit proces-verbaal verklaart de ambtenaar:

“De locatie waar de betreffende auto stond geparkeerd is een parkeerverbodszone. Bij alle drie de ingangen van deze parkeerverbodszone stond het bord E1 zb. Het voertuig stond geparkeerd buiten de aangegeven parkeervakken in deze parkeerverbodszone.

Het voertuig is op kenteken bekeurd. Betrokkene was op het moment van bekeuren niet aanwezig bij het voertuig.”

5. Als bijlage bij het onder 4. genoemde aanvullend proces-verbaal is de aankondiging van beschikking gevoegd. De aankondiging bevat twee foto’s. Op deze foto’s is het voertuig met het onder 1. genoemde kenteken te zien. De schaduw van degene die de foto’s maakt, is zichtbaar op de foto’s. Er zijn verder geen personen zichtbaar op de foto’s.

6. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.

7. Uit de onder 4. genoemde verklaring volgt dat zich geen reële mogelijkheid voor de ambtenaar voordeed om de identiteit van de bestuurder van het voertuig vast te stellen en de sanctie aan de bestuurder op te leggen, omdat niemand werd aangetroffen bij het geparkeerde voertuig. Het voorgaande houdt in dat de ambtenaar de onderhavige sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder van het voertuig heeft opgelegd.

8. Met de gemachtigde is het hof van oordeel dat de kantonrechter het hiervoor overwogene heeft miskend. De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat, zakelijk weergegeven, ervan moet worden uitgegaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan aangezien uit het zaakoverzicht niet blijkt dat er bij het voertuig iemand is aangetroffen.

9. Voorts wordt namens de betrokkene de gedraging ontkend. De betrokkene heeft de route opnieuw uitgezocht en de gemachtigde heeft hiervan een kaartje gemaakt. De gemachtigde verwijst in dit verband naar een link. De betrokkene kwam vanuit het zuiden. Door middel van Google Maps Street View is de afgelegde route te volgen. Op geen enkel moment is een bord E1 te zien op de route die de betrokkene reed. De betrokkene zou graag vernemen waar de bebording zou hebben gestaan en wanneer deze is gecontroleerd.

10. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het beroepschrift de gronden van het beroep. De beroepsgronden moeten op schrift worden uitgewerkt, omdat in het woord beroepschrift de schriftelijkheid ligt besloten. Een link voldoet niet aan het schriftelijkheidsvereiste. Een link als zodanig bevat evenmin de uitwerking van de beroepsgrond aangezien daarvoor nog handelingen op een website moeten worden verricht om, in dit geval, de route te kunnen volgen.

11. Het hof zal voorbijgaan aan de door de gemachtigde gedane verwijzing naar een link. Het ligt immers op de weg van de gemachtigde om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die ertoe moeten leiden dat aan de gegevens in het zaakoverzicht dient te worden getwijfeld. Daartoe kan de gemachtigde uitdraaien overleggen van hetgeen volgens hem op Google Maps of een applicatie daarvan is waar te nemen. Het is niet aan het hof om hiernaar zelf onderzoek te doen (vgl. het arrest van het hof van 8 oktober 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8813).

12. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) juncto bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990. Volgens bijlage 1 van het RVV 1990 wordt met een bord E1een parkeerverbod aangeduid.

Artikel 62 van het RVV 1990 luidt:

“Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.”

13. Artikel 66, tweede lid, van het RVV 1990 luidt:

“Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.”

14. Bij een parkeerverbodszone als in casu worden de grenzen daarvan door middel van meerdere verkeersborden aangegeven. Iedere voor motorvoertuigen openstaande toegangsweg waarlangs de zone kan worden bereikt, moet van een bord E1 zijn voorzien. Om te kunnen vaststellen dat de gedraging, waarvoor de vaststelling dat deze heeft plaatsgehad in de desbetreffende zone van belang is, is verricht, is voldoende dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de zone is ingereden van een deugdelijk bord is voorzien.

15. In zijn arrest van 28 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1803 heeft het hof in dit verband overwogen:

“Om te kunnen vaststellen dat de gedraging, waarvoor de vaststelling dat deze heeft plaats gehad in de bebouwde kom of in de desbetreffende zone van belang is, is verricht, is niet noodzakelijk dat de aanwezigheid van alle borden wordt vastgesteld. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de zone is ingereden, van een deugdelijk bord is voorzien. Dit uitgangspunt brengt mee dat een betrokkene die stelt dat deugdelijke bebording ontbrak, moet aangeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken (vgl. het arrest van het hof van 9 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:4055). Vervolgens zal uit (nadere) stukken moeten blijken dat op de gevolgde toegangsweg:

( a) op enig moment vóór de vermeende gedraging een bord is geplaatst;

( b) op enig moment ná de vermeende gedraging dat bord nog aanwezig was en

( c) na verificatie van daarvoor beschikbare bronnen is gebleken dat dit bord in de tussentijd niet is verwijderd of vervangen.”

16. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de locatie waar de betreffende auto stond geparkeerd een parkeerverbodszone is en bij alle drie de ingangen van deze parkeerverbodszone het zonebord E1 stond. In het onder 15. vermelde arrest heeft het hof overwogen dat een betrokkene die stelt dat deugdelijke bebording ontbrak, moet aangeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak namens de betrokkene, mede gelet op het overwogene onder 11., niet aangegeven welke route de betrokkene heeft afgelegd. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar omtrent de bebording. De opmerking dat op geen enkel moment een bord E1 is te zien op de route die de betrokkene reed - wat daarvan ook zij - doet hieraan niet af. De gemachtigde heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat die route de route is die de betrokkene heeft gereden. Op grond van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

17. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen, zij het met verbetering van gronden, gelet op de overwegingen 4, 6 en 7.

18. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.