Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2968

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
TBS P20/0392
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

OM-appel. Afwijzing vordering officier van justitie ondanks nieuwe strafbare feiten.

Gelet op de vaardigheden die de terbeschikkinggestelde heeft ontwikkeld en zijn beperkte stoornis, maar ook gezien de steun van zijn netwerk, is het recidivegevaar tot een zodanig aanvaardbaar niveau teruggebracht, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van goederen of personen een verlenging van de terbeschikkingstelling niet langer eist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P20/0392

Beslissing d.d. 18 maart 2021

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

verblijvende in [detentie] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 6 oktober 2020, houdende afwijzing van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de officier van justitie van 19 oktober 2020;

- het advies voorgeleiding rechter-commissaris van Reclassering Nederland [locatie]

van 7 oktober 2020;

- het advies voorlopige hechtenis van Reclassering Nederland [locatie]

van 20 oktober 2020;

- een schriftuur hoger beroep van het openbaar ministerie van 2 november 2020;

- het reclasseringsadvies van GGZ [naam] van

18 januari 2021;

- het aanvullend reclasseringsadvies van GGZ [naam]

van 28 januari 2021;

- een schrijven van de terbeschikkinggestelde aan de raadsman, ongedateerd, per

e-mailbericht van 2 maart 2021 door de raadsman aan het hof verzonden;

- het aanvullend psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van psychiater I. Maksimovic van

7 februari 2021;

- het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 2 maart 2021.

Het hof heeft ter zitting van 4 maart 2021 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.W. Knoester, advocaat te 's-Gravenhage, en de advocaat- generaal mr. R. Segerink.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkinggestelde heeft opnieuw strafbare feiten gepleegd. Hij is hiervoor eerder deze week veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden, waarvan hij na aftrek voorarrest nog een aantal maanden moet uitzitten. Hij zal geen hoger beroep instellen tegen deze uitspraak. In zijn brief en ter zitting heeft hij uitgelegd hoe het zover heeft kunnen komen en hoe hij nu naar de toekomst kijkt. Zijn partner en familie hebben hem een spiegel voorgehouden, maar zij blijven hem steunen. Hij heeft er lering uit getrokken. Gelet op de rapportages van de reclassering en van psychiater Maksimovic, wordt aan de criteria voor een verlenging van de terbeschikkingstelling niet voldaan. De raadsman heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De nieuwe strafbare feiten gaven aanleiding om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de rechtbank. Thans twijfelt de reclassering of een justitieel kader nog kan bijdragen aan een afname van de risico’s. Gelet op de beperkte stoornis en het lage recidivegevaar zijn er onvoldoende gronden om de maatregel te verlengen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak waarvan beroep.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de terbeschikkingstelling te beëindigen. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep, met overneming van die gronden worden bevestigd. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

De rechtbank Noord-Nederland heeft de terbeschikkinggestelde op 2 maart 2021 veroordeeld ter zake van diefstallen van vogels (al dan niet met braak of in vereniging) tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden en tot vergoeding van de schade van de benadeelde partijen. In verband met deze feiten is hij op 5 oktober 2020, de dag voor de beslissing waarvan beroep, aangehouden en vervolgens is zijn voorlopige hechtenis bevolen. De diefstallen heeft hij op 5 oktober 2020 en in de weken daarvoor gepleegd.

De rechtbank Overijssel heeft in de beslissing waarvan beroep de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling afgewezen. Nadat bekend werd dat de terbeschikkinggestelde vanwege de genoemde diefstallen was aangehouden, heeft de officier van justitie tijdig hoger beroep ingesteld.

De terbeschikkinggestelde is ter zitting en in zijn brief aan zijn raadsman uitgebreid ingegaan op wat hem ertoe heeft gebracht om de diefstallen te plegen. Hij heeft verklaard dat hij naast zijn Wajong-uitkering heeft gewerkt en dat hij, vanwege een vertraging bij de verrekening van zijn inkomsten met die uitkering, van het UWV een fikse naheffing heeft ontvangen. Ook moest hij gemeentelijke heffingen betalen. Alles kwam tegelijk en de schulden stapelden zich op. Door corona was het lastig om werk te vinden, waardoor hij niet aan zijn financiële verplichtingen kon voldoen. Dat hij betalingsregelingen had kunnen treffen, was hem niet bekend. Uit angst voor mogelijke consequenties durfde hij zijn financiële situatie niet met de reclassering te bespreken. In zijn brief en ter zitting heeft hij verantwoordelijkheid genomen en spijt betuigd. De terbeschikkinggestelde en de raadsman hebben ter zitting aangegeven dat de terbeschikkinggestelde geen hoger beroep zal instellen tegen het vonnis van 2 maart 2021.

Aan het hof ligt thans de vraag voor of de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2020, mede in het licht van de nieuwe strafbare feiten, kan worden bevestigd of dat de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd.

Nadat de reclassering in eerste aanleg nog adviseerde de terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen, heeft zij in de meest recente rapportage van 28 januari 2021 uiteengezet dat er thans twijfel bestaat over het effect van een verlenging, nu de terbeschikkinggestelde slechts beperkt gevoelig is gebleken voor justitiële druk. Zij hebben geen eenduidig advies kunnen geven.

In zijn aanvullende rapportage heeft psychiater Maksimovic, evenals bij de zitting in eerste aanleg, geadviseerd om de terbeschikkingstelling niet te verlengen. Volgens hem voldoet het functioneren van de terbeschikkinggestelde niet meer aan de criteria van een persoonlijkheidsstoornis en is de vastgestelde ADHD in gedeeltelijke remissie. De terbeschikkinggestelde heeft thans een betere controle over zijn gedrag en beschikt over adequate copingstrategieën en probleemoplossende vaardigheden om zelf het risicomanagement betreffende geweldsproblematiek vorm te geven. Het risico op een geweldsdelict is hierdoor aanvaardbaar laag. Als gevolg van het voortbestaan van antisociale cognities, in samenhang met impulsiviteit, blijft de kans op vermogenscriminaliteit wel bestaan. Die kans wordt evenwel als hooguit matig ingeschat. De nieuwe strafbare feiten geven geen aanleiding voor een ander advies, aldus Maksimovic.

Met de raadsman en de advocaat-generaal komt het hof, alles overwegende, tot het oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen. Gelet op de vaardigheden die de terbeschikkinggestelde heeft ontwikkeld en zijn beperkte stoornis, maar ook gezien de steun van zijn netwerk, is het recidivegevaar tot een zodanig aanvaardbaar niveau teruggebracht, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van goederen of personen een verlenging van de terbeschikkingstelling niet langer eist. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank bevestigen.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt, met aanvulling van gronden, zoals hiervoor is overwogen de beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 6 oktober 2020 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr. M.E. van Wees als voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. E.A.K.G. Ruys als raadsheren,

en drs. I.M. van Woudenberg en drs. E.M.M. Mol als raden,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.G. Nijenhuis als griffier,

en op 18 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.

Mr. E.A.K.G. Ruys en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.