Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2953

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
21-005130-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op Facebook een bericht geplaatst waarin wordt opgeroepen tot moord of doodslag op de acteur die bij de nationale intocht de rol van Sinterklaas speelt, tijdens de intocht die op televisie wordt uitgezonden. Dat bericht is vervolgens gedeeld en later ook door verdachte op Twitter geplaatst. Het hof is van oordeel dat verdachte met dat bericht de grens van het toelaatbare heeft overschreden, ook in het kader van het maatschappelijke debat rondom de viering van het sinterklaasfeest, en veroordeelt verdachte tot een taakstraf. Een geconstateerd vormverzuim met betrekking tot de voorlopige hechtenis leidt tot strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005130-18

Uitspraak d.d.: 29 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 31 augustus 2018 met parketnummer 16-660038-17 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 19 mei 2020 (waarna het hof op 2 juni 2020 een tussenarrest heeft gewezen), 1 maart 2021 en 29 maart 2021 (sluiting van het onderzoek) en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. W.H. Jebbink, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat hij tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 1

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe is primair aangevoerd dat de beslissing om verdachte aan te houden in strijd is met het verbod op détournement de pouvoir. Het Openbaar Ministerie heeft deze beslissing niet in het kader van het opsporingsbelang genomen, maar, zo blijkt uit berichten in de media in samenhang met de besluitenlijst van de gezagsdriehoek Dongeradeel, in het kader van de openbare orde, voorzorg en preventie.

Vervolgens is verdachte, in dat kader, twee maal voor hetzelfde feit aangehouden en te lang vast gehouden.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de lichamelijke integriteit van verdachte is geschonden door het tot twee maal toe, onrechtmatig aanleggen van transportboeien.

Meer subsidiair heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat verdachte in zijn recht op demonstratie en zijn recht om zijn mening te uiten is geraakt.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu tot aanhouding is bevolen omdat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld terzake van een ernstig strafbaar feit. Het is juist dat verdachte te lang in voorarrest heeft gezeten, maar per saldo heeft dit geen nadeel voor verdachte opgeleverd, aangezien de vrijheidsbeneming na de eerste aanhouding even lang had kunnen duren als de vrijheidsbeneming na de twee verrichte aanhoudingen. Van onrechtmatig aanleggen van transportboeien is niet gebleken. Het recht op demonstratie en aldaar zijn mening te uiten heeft verdachte inderdaad niet kunnen uitoefenen, maar dit hield verband met het door hem gepleegde strafbaar feit waarnaar onderzoek diende te worden verricht.

Het oordeel van het hof

Ten aanzien van de aanhoudingsbeslissingen

De officier van justitie kan aanhouding buiten heterdaad bevelen in het geval een verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Binnen de kaders van artikel 54 Sv staat het de officier van justitie in beginsel vrij te beoordelen of en op welk moment hij van deze bevoegdheid gebruik maakt.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep kan, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, het navolgende worden afgeleid.

Op 31 oktober 2017 is door de bestuursadviseur van de burgemeester van Utrecht een printscreen van een bericht op social media aan de politie van Midden-Nederland overgelegd inhoudende:

Zit niks anders op. We moeten een prijs op het hoofd van sinterklaas zetten. Dubbele prijs als het tijdens de nationale intocht is zodat alle kinderen er getuige van zijn

De politie Midden-Nederland is daarop een onderzoek gestart naar het openbare karakter van het overgelegde bericht.2

Op 6 november 2017 heeft [aangever] (hierna: aangever) bij de politie te Den Haag aangifte gedaan van bedreiging.3 Aangever speelt reeds een aantal jaren Sinterklaas bij de landelijke intocht welke uitgezonden wordt op televisie. Ook heeft hij als acteur een rol gespeeld in de televisieserie “Flodder”. Op 27 oktober 2017 is aangever via zijn Facebook Messenger gewezen op een bericht dat op Facebook is geplaatst met de tekst:

Zit niks anders op … We moeten een prijs op het hoofd van Sinterklaas zetten. Dubbele prijs als het tijdens de Nationale intocht is zodat alle kinderen getuigen ervan zijn, zelfs massaal onder zijn hersenen en botsplinters bedenkt zitten. Maw zonder twijfel morsdood. Zo kan NPO geen onzin verhaaltje ophangen met een nieuwe Sinterklaas en zijn we voorgoed van dat feest af. (en van die irritante Flodder acteur die Sinterklaas speelt)

En iedereen die oooh aaaah kinderfeestjes boehoe jankt wijzen we op de genocidefeestjes die kinderen hier vieren, waarmee ze al helemaal klaargestoomd werden voor bloed, grof geweld en dood.

(Hoi TPO ga maar copy/pasten, screenshotten en framen ”.

Voormeld bericht is verwijderd door Facebook en verdachte heeft het bericht daarvan vervolgens op 29 oktober 2017 via het twitteraccount @ [accountnaam] in het openbare gedeelte van Twitter geplaatst. Dit twitterbericht is op 31 oktober 2017 aan de politie verstrekt.4

Uit onderzoek van de politie Noord-Nederland, vastgelegd in een proces-verbaal van verdenking op 15 november 2017 blijkt dat het bericht op facebook is geplaatst in de Zwarte Pieten fanclub van [betrokkene] door een gebruiker onder de naam [verdachte] . De bij dat account gevoegde profielfoto komt overeen met een foto van verdachte in de strafrechtketendatabank. Verder is daarin vermeld dat deze gebruiker bijzonder actief is op sociale media, met name Facebook en Twitter, waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende accounts. Foto’s die de gebruiker van die accounts van zichzelf plaatst komen sterk overeen met de foto van verdachte zoals die zich in de strafrechtketendatabank bevindt. 5

Op verzoek van een officier van justitie uit Den Haag is verdachte op donderdag 16 november 2017 (op bevel van een Utrechtse officier van Justitie) in Utrecht buiten heterdaad aangehouden als verdachte van bedreiging. Voor verhoor in dat kader werd verdachte overgebracht naar het politiebureau te Den Haag.6

Op vrijdag 17 november 2017 is verdachte op het politiebureau te Den Haag in verzekering gesteld.

Op zaterdag 18 november 2017 was de nationale intocht van sinterklaas, uitgezonden op televisie, waarbij aangever de rol van sinterklaas speelde.

Op zondag 19 november 2017 werd verdachte in Den Haag uit zijn inverzekeringstelling ontslagen maar op bevel van een andere Utrechtse officier van justitie was hij op het politiebureau te Den Haag buiten heterdaad aangehouden als verdachte van opruiing. Voor verhoor in dat kader is verdachte overgebracht naar het politiebureau te Utrecht.7

Door de politie Midden-Nederland was besloten de tijd van de inverzekeringstelling lopende in Den Haag te gebruiken voor het verhoor8 maar op maandag 20 november 2017 is de politie Midden-Nederland erachter gekomen dat de politie te Den Haag verdachte ontslagen heeft uit zijn inverzekeringstelling nadat verdachte aangehouden was ter zake van opruiing en in verband daarmee naar Utrecht was vervoerd. Na het verhoor is verdachte op 20 november 2017 heengezonden.9

Het hof stelt op grond van hiervoor geschetste feiten en omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – vast dat er ten tijde van de aanhouding van verdachte op zowel 16 november 2017 als op 19 november 2017 een redelijk vermoeden van schuld, als bedoeld in artikel 27 Sv, voor bedreiging respectievelijk opruiing bestond. Dat betreffen feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat verdachte twee keer is aangehouden is een gevolg van het feit dat er op twee verschillende plaatsen onder leiding van twee verschillende officieren van justitie een onderzoek liep met een verdenking voor een ander strafbaar feit.

De aanhouding op 16 november 2017 heeft weliswaar niet onmiddellijk na de aangifte (op 6 november 2017) plaats gevonden, maar wel binnen een kort tijdsbestek na afronding van het politieonderzoek op het internet (14 november 2017) en het opmaken van het proces-verbaal van verdenking (15 november 2017). Dat de aanhouding buiten heterdaad plaatsvond de dag voor de landelijke intocht van Sinterklaas is gezien de aard van de onderhavige verdenking, de dreiging die hiervan uitging, de specifieke vermelding van de dag (nationale intocht) en de persoon (Flodder acteur die Sinterklaas speelt), naar het oordeel van het hof alleszins te rechtvaardigen.

Het hof is om die reden van oordeel dat de officier van justitie rechtmatig gebruik heeft gemaakt van de aanhoudingsbevoegdheid en dat deze niet uitsluitend voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor deze gegeven. De berichtgeving in de media over preventieve maatregelen tijdens de nationale intocht van Sinterklaas maakt dit niet anders en datzelfde geldt voor het feit dat verdachte mogelijk onderwerp van gesprek is geweest tijdens het driehoeksoverleg. Het was immers de officier van justitie die, alle belangen afwegende, het (legitieme) bevel tot aanhouding heeft gegeven.

Bij deze stand van zaken acht het hof het niet noodzakelijk dat de officieren van justitie, de burgemeester van Dongeradeel, de wethouder en locoburgemeester van Dongeradeel, de teamchef van politie Noordoost Fryslân of de verbalisanten die de in de NRC Handelsblad gepubliceerde informatie hebben gedeeld, alsnog als getuigen worden gehoord omtrent de start van het strafvorderlijk onderzoek en meer in het bijzonder omtrent de aanhoudingsbeslissing, zoals subsidiair door de raadsman is verzocht. Dat verzoek wordt dan ook afgewezen.

Ten aanzien van de (duur van de) vrijheidsberoving

Vast is komen te staan dat verdachte op zondag 19 november 2017 in Den Haag opnieuw is aangehouden. Omdat zijn inverzekeringstelling die dag ook is beëindigd had verdachte na die tweede aanhouding niet langer dan 9 uur mogen worden opgehouden. Nu dat feitelijk in totaal ruim 25 uur is geweest is hij daarmee te lang van zijn vrijheid beroofd. Dit vormverzuim leidt evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvoor is alleen dan plaats indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, maar daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Uit het vorenstaande blijkt dat de politie in Utrecht tot 20 november 2017 in de veronderstelling verkeerde dat verdachte nog in verzekering was gesteld en dat die inverzekeringstelling liep tot 20 november 2017. Toen dit misverstand werd ontdekt is verdachte direct na zijn verhoor heengezonden. Dat er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, is dan ook niet gebleken.

Oordeel ten aanzien van het gebruik van de transportboeien

In artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewone opsporingsambtenaar is bepaald:

1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt.

Artikel 23 van deze ambtsinstructie schrijft voor dat de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien als bedoeld in artikel 22, eerste lid, dit onverwijld schriftelijk meldt aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.

Het hof stelt vast dat in de ambtsinstructie niet is voorgeschreven dat die redenen ook in het proces-verbaal van bevindingen (van in dit geval: aanhouding) moeten worden vermeld. Indien echter, zoals in onderhavige zaak door de verdediging een beroep is gedaan op het onrechtmatig toepassen van de handboeien, dient het hof - op zijn minst genomen - marginaal te toetsen of het voorschrift in artikel 22 van de ambtsinstructie juist is toegepast.
In het licht van dat toetsingskader overweegt het hof als volgt.

Verdachte is ter zake van bedreiging op 16 november 2017 aan de [locatie] te Utrecht buiten heterdaad aangehouden. In het proces-verbaal van aanhouding is vermeld dat bij het transport naar het politiebureau te Houten transportboeien zijn aangelegd. Een reden daarvoor is in het proces-verbaal niet vermeld.

Op 19 november 2017 is verdachte op het hoofdbureau van politie te Den Haag opnieuw aangehouden en overgebracht naar het politiebureau te Utrecht. In het proces-verbaal van die aanhouding is vermeld dat bij het transport van verdachte vanwege vluchtgevaar transportboeien zijn aangelegd.

Het hof is van oordeel dat de beslissing van 16 november 2017 voornoemde marginale toets kan doostaan. Er was sprake van een zeer ernstige verbale bedreiging en van een aanhouding van verdachte op de openbare weg. Dat er op dat moment voor is gekozen verdachte te boeien acht het hof niet onredelijk.


Anders is dat evenwel voor de aanhouding op 19 november 2017. Hierbij is in het proces-verbaal van aanhouding specifiek vermeld dat er is geboeid vanwege vluchtgevaar. Gelet op de plaats van aanhouding (het politiebureau in Den Haag), het vervoer onder politiebegeleiding en de eindbestemming van het transport (het politiebureau in Utrecht) is het hof onduidelijk waarom er gevaar voor vlucht bestond. Er zijn geen omstandigheden gerelateerd en ook anderszins valt uit het dossier niet af te leiden op grond waarvan zou moeten worden veronderstelt dat dat gevaar bestond. Naar het oordeel van het hof moet het er dan ook voor worden gehouden dat er geen feiten en omstandigheden waren die het gebruik van handboeien redelijkerwijs vereisten en is er dan ook sprake van het onnodig gebruik van transportboeien bij de verdachte geweest.

Derhalve ligt ook hier de vraag voor of dit onherstelbare vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie maar ook hier is het hof van oordeel dat dat niet het geval is. Ook hier kan immers niet worden gezegd dat er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Oordeel ten aanzien van het recht op demonstratie / vrije meningsuiting

Het hof is van oordeel dat de aanhoudingen en de inverzekeringstelling van verdachte vanwege bedreiging en opruiing (behoudens ten aanzien van de duur van de vrijheidsberoving na de tweede aanhouding) en de tijdstippen daarvan rechtmatig waren. Het hof verwijst hierbij naar hetgeen hiervoor is overwogen onder ‘Ten aanzien van de aanhoudingsbeslissingen’ en onder ‘Ten aanzien van de (duur van de) vrijheidsberoving’. Dat er door deze aanhoudingen sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op de rechten van verdachte betreffende het recht op demonstratie / vrije meningsuiting zoals door de raadsman aan zijn verweer ten grondslag is gelegd is het hof niet gebleken. Het neemt daarbij in ogenschouw dat is gesteld noch gebleken dat aan verdachte systematisch het demonstreren of het uiten van zijn mening anderszins onmogelijk is gemaakt.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande is het hof dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2017 tot en met 19 november 2017 te Utrecht en/of Dokkum, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens, in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door op/via internet/facebook/twitter/social media de volgende tekst(en)/tweet(s) te schrijven/plaatsen/delen: "Er zit niks anders op.. we moeten een prijs op het hoofd van Sinterklaas zetten. Dubbele prijs als het tijdens de Nationale intocht is zodat alle kinderen getuigen ervan zijn, zelfs massaal onder zijn hersen en botsplinters bedenkt zitten. Maw zonder twijfel morsdood. Zo kan de NPO geen onzin verhaaltje ophangen met een nieuwe Sinterklaas en zijn we voorgoed van dat feest af (En van die irritante Flodder acteur die Sinterklaas speelt.)".

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs


Zoals hiervoor reeds overwogen is uit het opsporingsonderzoek komen vast te staan dat het bericht op facebook is geplaatst in de Zwarte Pieten fanclub van [betrokkene] door een gebruiker onder de naam [verdachte] . De bij dat account gevoegde profielfoto komt overeen met een foto van verdachte in de strafrechtketendatabank. Verder is daarin vermeld dat deze gebruiker bijzonder actief is op sociale media, met name Facebook en Twitter, waarbij gebruik wordt gemaakt van verschillende accounts. Foto’s die de gebruiker van die accounts van zichzelf plaatst komen sterk overeen met de foto van verdachte zoals die zich in de strafrechtketendatabank bevindt en het bericht dat is verwijderd door Facebook. Ook is komen vast te staan dat verdachte het bericht daarvan vervolgens op 29 oktober 2017 via het twitteraccount @ [accountnaam] in het openbare gedeelte van Twitter heeft geplaatst. 10

Verdachte heeft bekend dat hij het bericht zoals in de tenlastelegging is opgenomen op social media heeft geplaatst.11

Het hof stelt dan ook vast dat het verdachte is geweest die het bericht op Facebook heeft geplaatst en, na de verwijdering ervan door facebook, het bericht op 29 oktober 2017 op Twitter heeft geplaatst.

Ten aanzien van de vraag of het plaatsen van dit bericht op Facebook en Twitter te kwalificeren is als opruiing, in de zin van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), overweegt het hof als volgt.

Voor een bewezenverklaring van opruiing moet aan de volgende - kort weergegeven - vier vereisten zijn voldaan.

1.Opruien moet worden gezien als het aanzetten tot iets ongeoorloofds. Dit ongeoorloofde gedrag moet een naar Nederlands recht strafbaar feit zijn. Het is niet nodig dat het feit waartoe wordt aangezet ook daadwerkelijk wordt gepleegd.

2.Er moet sprake zijn van opzet. Dat kan voorwaardelijk opzet zijn: het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat wordt opgeruid tot het plegen van een strafbaar feit.

3. Verder is vereist dat de opruiende uitlating in het openbaar is gedaan. Dat wil zeggen onder zodanige omstandigheden en op een manier dat deze door het publiek gehoord (hof: of gelezen, of gezien) kon worden (HR 22 mei 1939, NJ 1939, 861).

4. De uitlating moet bovendien mondeling of bij geschrift of afbeelding zijn gedaan. Daaronder zijn begrepen tekstberichten op internet en social media.

Het hof is van oordeel dat met de woorden

we moeten een prijs op het hoofd van Sinterklaas zetten. Dubbele prijs als het tijdens de Nationale intocht is zodat alle kinderen getuigen ervan zijn, zelfs massaal onder zijn hersen en botsplinters bedenkt zitten. Maw zonder twijfel morsdood. Zo kan de NPO geen onzin verhaaltje ophangen met een nieuwe Sinterklaas en zijn we voorgoed van dat feest af (En van die irritante Flodder acteur die Sinterklaas speelt.) En iedereen die oooh aaaah kinderfeestjes boehoe jankt wijzen we op de genocidefeestjes die kinderen hier vieren, waarmee ze al helemaal klaargestoomd werden voor bloed, grof geweld en dood.(Hoi TPO ga maar copy/pasten, screenshotten en framen

expliciet wordt opgeroepen tot het plegen van een in Nederland strafbaar feit, namelijk doodslag of moord.

Facebook alsmede Twitter is een medium op internet waarbij het niet altijd duidelijk is wie de persoon is die het bericht heeft verzonden. Daarmee wordt het moeilijk, zo niet onmogelijk, voor de ontvanger van het bericht het te interpreteren als bedoeld door de plaatser. Nog minder duidelijk is wie het bericht leest en hoe deze persoon het bericht op zal vatten. De verzender heeft hier nauwelijks tot geen invloed op. Onder deze omstandigheden komt aan de woorden zelf veel betekenis toe. De door verdachte gebruikte woorden laten niets aan de verbeelding over en gaan de grenzen van een sarcastische grap te buiten. Door het hierboven vermelde bericht op Facebook, en na verwijdering ervan op Twitter, te plaatsen heeft verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hiermee zou opruien tot het plegen van een strafbaar feit.

Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven (zie onder meer: HR 5 juli 2011, NJ 2011/325, Rechtbank Den Haag 26 oktober 2016, NJFS 2017/6 en Hof Amsterdam 23 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4139). Verdachte heeft het betreffende bericht op Facebook geplaatst waar het vervolgens is gedeeld. Facebook heeft een potentieel groot publieksbereik. Alleen al uit het feit dat aangever de uitlating van verdachte aan de politie heeft overhandigd 12, valt af te leiden dat een breed publiek, waaronder ook personen die niet tot de Facebookvrienden van verdachte behoren, het bericht onder ogen konden krijgen. Dat dit ook de bedoeling van verdachte was blijkt niet alleen uit de oproep aan het einde van het bericht, maar ook door het bericht -nadat dit door Facebook was verwijderd- vervolgens ook nog eens op twitter te plaatsen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan en dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2017 tot en met 19 november 2017 te Utrecht en/of Dokkum, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens, in het openbaar, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, door op/via internet/facebook/twitter/social media de volgende tekst(en)/tweet(s) te schrijven/plaatsen/delen: "Er zit niks anders op.. we moeten een prijs op het hoofd van Sinterklaas zetten. Dubbele prijs als het tijdens de Nationale intocht is zodat alle kinderen getuigen ervan zijn, zelfs massaal onder zijn hersen en botsplinters bedenkt zitten. Maw zonder twijfel morsdood. Zo kan de NPO geen onzin verhaaltje ophangen met een nieuwe Sinterklaas en zijn we voorgoed van dat feest af (En van die irritante Flodder acteur die Sinterklaas speelt.)".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

het in het openbaar, bij geschrift, tot enig strafbaar feit opruien.

Strafbaarheid van de verdachte

Nu het hof tot een bewezenverklaring is gekomen, is het de vraag of de vrijheid van meningsuiting een veroordeling van verdachte in de weg staat.

Het recht op vrijheid van meningsuiting is onder meer neergelegd in artikel 7 van de Grondwet en in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

De vrijheid van meningsuiting is één van de belangrijkste fundamenten van een democratische rechtsstaat. Daarnaast is het één van de grondvoorwaarden voor de ontwikkeling van de democratische samenleving en voor de ontwikkelingen van individuen binnen die samenleving. De vrijheid van meningsuiting gaat dan ook niet slechts op voor opvattingen die in de samenleving op breed draagvlak kunnen rekenen, maar ook, juist, voor die opvattingen die shockeren, kwetsen of verontrusten (EHRM 7 december 1976, NJ 1978/236 (Handyside)).

Het voorgaande betekent niet dat de vrijheid van meningsuiting onbeperkt is. In lid 2 van artikel 10 EVRM is bepaald onder welke voorwaarden de vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt, namelijk:

1.de beperking is voorzien bij wet;

2.de beperking dient een geoorloofd doel;

3.de beperking is noodzakelijk in een democratische samenleving.

De onder 3) genoemde noodzaak moet worden gezien als een dwingende maatschappelijke noodzaak (pressing social need). Daarnaast is het vereist dat de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting proportioneel is.

Voor de beoordeling van de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving, hebben de nationale autoriteiten een ruime beoordelingsvrijheid. Over het algemeen kan worden gesteld dat wanneer een uitlating als bijdrage aan een maatschappelijk debat moet worden gezien, een beperking daarvan schending van artikel 10 EVRM oplevert. In het geval een uitlating geen bijdrage levert aan een publiek debat, is een beperking van de vrijheid van meningsuiting eerder geoorloofd.

Oordeel ten aanzien van de uitlating van verdachte

Opruiing is strafbaar gesteld in artikel 131 Sr zodat aan de onder 1) gestelde voorwaarde is voldaan. Deze beperking is voorzien bij wet. Ook aan de voorwaarde onder 2) is voldaan omdat deze beperking een geoorloofd doel dient, te weten het voorkomen van een strafbaar feit. Ten slotte is het hof van oordeel dat aan de derde voorwaarde is voldaan. De uitlating van verdachte kan niet worden beschouwd als een bijdrage aan een maatschappelijk debat.

Het hof constateert dat veel mensen online kennelijk makkelijker over de schreef gaan dan in het ‘normale leven’. Maar ook voor uitlatingen die op internet worden gedaan gelden de hiervoor omschreven kaders van de vrijheid van meningsuiting. Het kan zo zijn dat verdachte het niet eens is met het sinterklaasfeest zoals dat in 2017 gevierd werd, maar dat vormt nog geen vrijbrief om een bericht zoals door hem is geplaatst op het internet te zetten. Het hof is van oordeel dat verdachte met zijn uitlating de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Dit maakt dat er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestaat om verdachte in zijn recht op vrijheid van meningsuiting te beperken. Er is geen minder ingrijpend middel denkbaar om dat doel (het voorkomen van een strafbaar feit) te bereiken.

Het hof is van oordeel dat een veroordeling van verdachte in dit geval een geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting betreft en het bewezen geachte feit strafbaar is.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden en verdachte is dan ook strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van

€ 300,-.

De verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr door er op te wijzen dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, dat de zaak publiekelijk, in de media en zelfs in de Tweede Kamer, uitgebreid is besproken en dat er sprake is van diverse vormverzuimen.

He hof is van oordeel dat de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opruiing door op Facebook de tekst: “Er zit niks anders op.. we moeten een prijs op het hoofd van Sinterklaas zetten. Dubbele prijs als het tijdens de Nationale intocht is zodat alle kinderen getuigen ervan zijn, zelfs massaal onder zijn hersen en botsplinters bedenkt zitten. Maw zonder twijfel morsdood. Zo kan de NPO geen onzin verhaaltje ophangen met een nieuwe Sinterklaas en zijn we voorgoed van dat feest af (En van die irritante Flodder acteur die Sinterklaas speelt.)" te plaatsen. Verdachte doelde hiermee op aangever die bij de nationale intocht van Sinterklaas, uitgezonden op televisie, de rol van Sinterklaas speelt. Door deze uitlating heeft verdachte aangezet tot het plegen van een moord of doodslag. Dat zich dit niet heeft geopenbaard doet niet af aan het opruiende karakter van de gedraging van verdachte.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 27 januari 2021 is verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke delicten veroordeeld zodat dat niet strafverhogend werkt.

Alles afwegende acht het hof voor het bewezenverklaarde feit een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren in beginsel passend en geboden.

Vormverzuim

Transportboeien:

Zoals hierboven is overwogen heeft de politie onnodig gebruik gemaakt, althans onvoldoende onderbouwd, waarom gebruik is gemaakt van transportboeien bij de overbrenging van verdachte van het politiebureau in Den Haag naar Utrecht. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en doet zich de vraag voor of en zo ja, welk rechtsgevolg daaraan verbonden moet worden. Het hof betrekt bij die vraag de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde aspecten, te weten het belang van het geschonden voorschrift - verdachten dienen niet onnodig te worden geboeid - alsmede de ernst van het verzuim – verdachte is gedurende zijn transport onnodig geboeid geweest –. Ook betrekt het hof daarbij dat niet is gebleken op welke wijze verdachte door bedoeld vormverzuim daadwerkelijk nadeel – bijvoorbeeld bestaande uit pijn en/of letsel - heeft ondervonden. Deze aspecten in onderling verband afwegende volstaat het hof met het constateren van dat vormverzuim, zonder daaraan verdere consequenties ten aanzien van de strafmaat te verbinden.

Inverzekeringstelling:

Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte bijna een dag zonder dat hij in verzekering was gesteld, vast gezeten en is daarmee sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Bij de beantwoording van de vraag of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden heeft het hof eveneens de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde aspecten in ogenschouw genomen. Het belang dat het geschonden voorschrift dient is dat wordt voorkomen dat verdachten van hun vrijheid worden beroofd zonder dat daarvoor een geldige titel bestaat. Ook heeft het hof gelet op de ernst van het verzuim. dat in dit geval inhoudt dat verdachte16 uur zonder geldige titel van zijn vrijheid is beroofd. Tenslotte slaat het hof acht op het nadeel daarvan voor verdachte. Voor wat betreft dat laatste is het hof van oordeel dat er sprake is van een tamelijk gering nadeel voor de verdachte, nu hij uiteindelijk niet langer vast heeft gezeten dan rechtens was toegestaan als verdachte in Den Haag niet ontslagen was uit de inverzekeringstelling.

Het hof is van oordeel dat, dit alles in onderling verband afwegende, het hiervoor geconstateerde onherstelbaar vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering in die zin dat de tijd die verdachte zonder titel van zijn vrijheid was beroofd op de op te leggen taakstraf in mindering moet worden gebracht door twee uren in mindering te brengen.

Redelijke termijn

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Op 14 september 2018 heeft verdachte hoger beroep ingesteld. De behandeling in hoger beroep is afgerond met een eindbeslissing op 29 maart 2021: bijna twee jaar en zeven maanden na de instelling van het rechtsmiddel. Ook hiermee dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden.

Conclusie

Zoals hiervoor overwogen acht het hof voor het bewezenverklaarde feit een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren in beginsel passend en geboden, doch ziet hij gelet op het geconstateerde vormverzuim en op de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding de overwogen straf te matigen met 2 respectievelijk 4 uur tot een taakstraf voor de duur van 34 uren.
Deze straf is hoger dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Het hof heeft echter in het bijzonder rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof is dan ook van oordeel dat van toepassing van artikel 9a Sr, zoals door de raadsman verzocht, geen sprake kan zijn en dat de straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd onvoldoende recht doet aan het bewezenverklaarde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 131 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 34 (vierendertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. M.J. Vos en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.J.H. Muurmans, griffier,

en op 29 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.S. van Duurling is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de voetnoten hierna wordt telkens verwezen naar pagina’s zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de politie Midden-Nederland met registratienummer PL0900-2017349691, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en gesloten op 21 november 2017.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 04.

3 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 56-58.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 4 en 5.

5 Het proces-verbaal van verdenking, pagina 67-69.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 06.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 06.

8 Het proces-verbaal, pagina 02.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 07.

10 Voor de vindplaatsen verwijst het hof naar de hiervoor opgenomen voetnoten 4 en 5

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 41.

12 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 56-58.