Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2921

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
200.287.188/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De ouders zijnin2011 ontheven van het ouderlijk gezag over hun kind. In 2019 is het kind thuis komen wonen. Hof herstelt de ouders vlak voor de meerderjarigheid van het kind in het gezag over hun kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.287.188/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200419)

beschikking van 23 maart 2021

inzake

[verzoeker] en [verzoekster],

wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. S.M. Wolfert te Leek,

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de voogd.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 1 december 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 11 december 2020;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Wolfert van 9 februari 2021 met productie(s).

2.2

Op 11 maart 2021 is (de hierna te noemen) [de minderjarige1] voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van zijn ouders door het hof gehoord en heeft hij daarbij zijn mening gegeven over het verzoek van zijn ouders.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 11 maart 2021 plaatsgevonden. De ouders zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de voogd is verschenen de heer [B] .

Namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) is in het kader van zijn adviserende taak mevrouw [C] verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders is [in] 2003 [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ) geboren. Bij beschikking van 1 september 2005 is [de minderjarige1] voorlopig onder toezicht gesteld van de voogd en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing afgegeven. Bij beschikking van 14 september 2005 is de ondertoezichtstelling definitief verleend en is een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven. Die maatregelen zijn steeds verlengd totdat de ouders bij beschikking van 11 oktober 2011 van hun ouderlijk gezag zijn ontheven en voornoemde voogd is benoemd.

3.2

[de minderjarige1] heeft twee broers: [D] , geboren [in] 2005, en [E] , geboren [in] 2006. Zij zijn ook onder toezicht gesteld geweest en zijn uit huis geplaatst. De ouders zijn ook van het ouderlijk gezag over hen ontheven bij genoemde beschikking van 11 oktober 2011.

3.3

Sinds september 2019 woont [de minderjarige1] weer bij zijn ouders.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de ouders om herstel in het gezag over [de minderjarige1] afgewezen.

4.2

De ouders zijn met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 december 2020. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De ouders verzoeken het hof deze beschikking te vernietigen en hun verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] alsnog toe te wijzen.

4.3

De voogd voert verweer en verzoekt de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde beroep dan wel het beroep af te wijzen en de beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Wat zegt de wet

5.1

Op grond van artikel 28 lid 2 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek wordt een beschikking waarin de ontheffing van het gezag is uitgesproken aangemerkt als beschikking waarin het gezag of de voogdij is beëindigd, als bedoeld in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.2

Op grond van artikel 1:277, eerste lid, BW kan, voor zover hier van belang, de rechter de

ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien:

a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en

b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de

minderjarige, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen.

Wat vinden de partijen

5.3

De ouders wijzen erop dat [de minderjarige1] inmiddels anderhalf jaar thuis woont en dat het goed met hem gaat. Daarmee hebben zij laten zien dat zij in staat zijn om duurzaam zorg te dragen voor [de minderjarige1] . De ouders vinden het in het belang van [de minderjarige1] dat zij het gezag weer krijgen. [de minderjarige1] heeft de rechter verteld dat hij dat ook wil.

De voogd voert aan dat de ouders tot de thuisplaatsing van [de minderjarige1] voortdurend de strijd hebben gezocht. Daardoor was een thuisplaatsing van [de minderjarige1] uiteindelijk het minst schadelijk voor hem. De voogd vindt het belangrijk dat de voogdij blijft bestaan en dat er een onderbewindstelling komt voor [de minderjarige1] zodra hij meerderjarig wordt. De voogd stelt dat de ouders met deze voorwaarden voor thuisplaatsing akkoord zijn gegaan.

De raad vraagt zich af of de ouders voldoende in staat zijn om allerlei zaken te regelen voor [de minderjarige1] die samenhangen met het feit dat hij binnenkort 18 jaar wordt. Wanneer de voogdij blijft bestaan, blijft hier zicht op. De raad begrijpt het belang van een bewind.

Wat vindt het hof

5.4

Het hof vindt dat de ouders weer het gezag moeten krijgen over [de minderjarige1] . Uit de overgelegde stukken en de behandeling op de zitting blijkt dat aan beide criteria daarvoor wordt voldaan.

[de minderjarige1] woont al sinds september 2019 thuis. In die tijd heeft hij het VSO Renn 4 onderwijs afgerond en een beschutte werkplek gevonden bij [F] . Daarvoor was een Indicatie Beschut Werk nodig. De vader heeft [de minderjarige1] hierin begeleid. Bij de arbeidsdeskundige heeft de vader een reëel beeld geschetst van wat [de minderjarige1] kan en wat hij nodig heeft. Daarnaast hebben de ouders aandacht voor de financiën van [de minderjarige1] . [de minderjarige1] krijgt leefgeld en moet sparen voor grote uitgaven. Als hij 18 jaar is, wordt zijn zorgverzekering geregeld via het werk en gaat [de minderjarige1] kostgeld betalen. Voor praktische zaken kunnen de ouders voor hulp terecht bij [G] . Ook de grootouders en de huisarts zijn betrokken bij het gezin en kunnen de ouders ondersteunen als dat nodig is. De ouders laten naar het oordeel van het hof door hun gedrag en handelen zien dat zij de zorg voor [de minderjarige1] aankunnen en oog hebben voor zijn beperkingen en mogelijkheden. De voogd heeft ter zitting ook aangegeven dat het boven verwachting goed gaat met [de minderjarige1] bij de ouders thuis en dat er in dat opzicht geen zorgen zijn. Herstel van de ouders in het gezag vindt het hof verder in het belang van [de minderjarige1] . De ouders kunnen dan sneller – zonder tussenkomst van de voogd - zaken regelen voor [de minderjarige1] , waaronder zaken die zijn gezondheid betreffen.

5.5

De zorgen die de voogd en de raad hebben over de financiën van [de minderjarige1] na zijn meerderjarigheid deelt het hof niet. De ouders hebben hun eigen schuldsaneringstraject (WSNP) enige tijd geleden positief afgesloten. Zij hebben hier veel van geleerd en zorgen inmiddels voor een goed beheer van hun eigen budget. Dit doen ze ook, samen en in overleg met [de minderjarige1] , voor zijn budget. Wanneer er ooit zorgen komen over de financiën van [de minderjarige1] zullen zij een bewind voor [de minderjarige1] aanvragen. Dat hebben de ouders op de zitting tegen het hof gezegd en het hof heeft er vertrouwen in dat zij dat – indien nodig - zullen doen.

5.6

De vraag of de ouders akkoord zijn gegaan met de voorwaarden die aan de thuisplaatsing van [de minderjarige1] (zouden) zijn gesteld, is voor de beslissing van het hof over het herstel van het gezag niet van belang. Van belang zijn de criteria die de wet daaraan stelt en die onder rechtsoverweging 5.2 staan vermeld. En daaraan is naar het oordeel van het hof voldaan. Duidelijk is wel dat de wijze waarop de thuisplaatsing van [de minderjarige1] heeft plaatsgevonden geen schoonheidsprijs verdient.

5.7

De voogd vreest tot slot dat herstel van het gezag van de ouders over [de minderjarige1] , doorwerkt in hun opstelling ten aanzien van de uithuisplaatsing van [D] en [E] . Wat hier ook van zij, voor deze zaak is ook dat niet van belang.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Ten overvloede overweegt het hof dat de voogdij van rechtswege eindigt daags nadat de beschikking van het hof is verstrekt of verzonden omdat het hof de beschikking uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren (artikel 1:281, tweede lid, BW).

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van

1 december 2020 en opnieuw beschikkende;

herstelt [verzoeker] , geboren [in] 1978 te [A] , en [verzoekster] , geboren [in] 1985 te [A] , in het gezag over [de minderjarige1] , geboren [in] 2003 te [A] ;

draagt de griffier van het hof op – ten behoeve van de aantekening in het gezagsregister - onverwijld van deze beslissing mededeling te doen aan de griffier van de rechtbank Noord-Nederland;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.J. Voerman, G.M. van der Meer en A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en op 23 maart 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.