Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2877

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
19/01555 en 19/01556
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:4492, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Gebruikelijk loon. Verzuimboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-04-2021
FutD 2021-1091
V-N Vandaag 2021/828
NTFR 2021/1274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 19/01555 en 19/01556

uitspraakdatum: 23 maart 2021

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 oktober 2019, nummers LEE 18/2869 en 18/2870, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2014 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en voor de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een verzuimboete opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 mei 2017 de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank NoordNederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de zaken voor inhoudelijke behandeling teruggewezen naar de Inspecteur.

1.4.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 30 juli 2018 de bezwaren ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende werd in deze procedure vertegenwoordigd door [A] (hierna: [A] ) van de Stichting [B] .

1.7.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021 via videobellen (een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid). Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden.

1.9.

De gemachtigde van belanghebbende is bij aangetekende brief van 15 december 2020 uitgenodigd voor de zitting. Nadat was gebleken dat PostNL deze brief onjuist had bezorgd, is de gemachtigde van belanghebbende bij aangetekende brief van 21 december 2020 uitgenodigd voor de zitting. Blijkens informatie van PostNL kon de brief niet worden bezorgd en is een afhaalbericht achtergelaten. Omdat de brief niet is afgehaald is deze retour gezonden aan het Hof. Bij per gewone post verzonden brief van 6 januari 2021 is de uitnodiging nogmaals verzonden.

1.10.

Namens belanghebbende is niemand verschenen. Bij de aanvang van de zitting heeft de griffier tevergeefs telefonisch contact gezocht met de gemachtigde van belanghebbende.

1.11.

Naderhand is het Hof gebleken dat [A] in oktober 2020 is overleden. Het Hof heeft daarop aan belanghebbende gevraagd of hij wenste dat het Hof de zaak opnieuw ter zitting zou behandelen. Deze vraag is belanghebbende gesteld bij gewone brief van 4 februari 2021 en bij aangetekende brief van 23 februari 2021. Uit informatie van PostNL blijkt dat de aangetekende brief op 24 februari 2021 op het adres van belanghebbende is afgeleverd, waarbij voor ontvangst is getekend. Belanghebbende heeft op deze brieven niet gereageerd. Het Hof heeft geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was van 6 maart 2013 tot 5 september 2014 enig aandeelhouder en bestuurder van [C] B.V. Deze vennootschap heeft na daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand over 2013 en 2014 geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan. Volgens haar aangiften omzetbelasting had deze vennootschap in het eerste kwartaal van 2014 een omzet van € 44.619 en in het tweede kwartaal nihil. [D] .nl heeft in 2013 aan deze vennootschap een lening verstrekt van € 72.800.

2.2.

Belanghebbende was het gehele jaar 2014 enig aandeelhouder en bestuurder van [E] B.V. en van [F] B.V. Deze vennootschappen hebben na daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand over 2013 en 2014 geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan. Volgens haar aangiften omzetbelasting had [E] B.V. in het eerste kwartaal van 2014 een omzet van € 27.400 en in het tweede kwartaal nihil. Volgens haar aangiften omzetbelasting had [F] B.V. in het eerste kwartaal van 2014 een omzet van € 18.309 en in het tweede kwartaal nihil.

2.3.

Belanghebbende is met dagtekening 28 februari 2015 uitgenodigd voor het jaar 2014 aangifte te doen voor de IB/PVV en voor de ZVW. Bij brief van 19 juni 2015 is belanghebbende herinnerd en bij brief van 22 september 2015 is belanghebbende aangemaand.

2.4.

De Inspecteur heeft, omdat hij geen aangifte had ontvangen, aan belanghebbende met dagtekening 27 juli 2016 voor het jaar 2014 (ambtshalve) een aanslag in de IB/PVV en een aanslag voor de ZVW opgelegd. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 108.181 en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen op € 81. Er is € 5.530 als voorheffing verrekend. De aanslag ZVW is berekend over een bijdrage-inkomen van € 31.233.

2.5.

Op 31 augustus 2016 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 ingestuurd, waarin is vermeld een verzamelinkomen van € 65.628, bestaande uit loon van [G] B.V. € 20.181 (loonheffing € 5.530) en van [H] Ltd € 45.447 (loonheffing € 19.375). De Inspecteur heeft deze aangifte aangemerkt als bezwaar tegen de aanslagen.

2.6.

[H] Ltd heeft geen aangiften loonheffingen ingediend over (tijdvakken in) 2014.

2.7.

In een bij het beroepschrift gevoegde aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 is opgenomen een verzamelinkomen van € 33.437, bestaande uit loon van [G] B.V. € 20.181 (loonheffing € 5.530) en van [H] Ltd € 13.256 (loonheffing € 5.762).

3 Het geschil

In geschil is of de aanslagen en de boete tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of terecht een fictief loon in aanmerking is genomen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende voert aan er bezwaar tegen te hebben dat dezelfde ambtenaar (het Hof begrijpt: als in beroep) ook in hoger beroep het dossier kan behandelen. Het Hof verwerpt deze klacht. Er is geen rechtsregel of beleidsregel die aan een dergelijke handelwijze van de Belastingdienst in de weg staat.

4.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Tegen dat oordeel is in hoger beroep niet opgekomen. Daaruit vloeit voort dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

4.3.

Omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag moet uitgaan van een redelijke schatting van de aanslagen. Dit vereiste strekt ertoe te voorkomen dat deze naar willekeur worden opgelegd. In dat kader rust op de Inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. Wanneer de Inspecteur daarin slaagt, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende, wanneer hij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

4.4.

De Inspecteur verdedigt dat het vastgestelde belastbare inkomen uit sparen en beleggen niet te hoog is vastgesteld. Hij wijst erop dat belanghebbende € 20.181 loon heeft genoten van [G] B.V. Voorts heeft belanghebbende arbeid verricht voor drie vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang had, zodat op grond van de gebruikelijkloonregeling (artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964; hierna: Wet LB) het loon ten minste wordt gesteld op driemaal € 44.000. De Inspecteur acht in verband daarmee een gebruikelijk loon van € 88.000 niet te hoog.

4.5.

Belanghebbende voert in hoger beroep daartegen aan dat de Inspecteur ten onrechte een fictief loon in aanmerking heeft genomen ten aanzien van de vennootschappen waarvan hij bestuurder en aandeelhouder is, aangezien deze vennootschappen geen ruimte hadden voor de betaling van loon of voor privé-opnamen. Aldus wil de Inspecteur belasting heffen over niet genoten inkomen. Volgens belanghebbende kent de Inspecteur ten onrechte betekenis toe aan een aan [C] B.V. verstrekte lening. De omzet en de lening zijn aangewend om te investeren en niet gebruikt voor privé-uitgaven, aldus nog steeds belanghebbende.

4.6.

Op grond van artikel 12a van de Wet LB wordt een gebruikelijk loon in aanmerking genomen ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht voor een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Belanghebbende stelt dat de vennootschappen waar het hier om gaat geen loon konden betalen, maar hij maakt die stelling niet aannemelijk. De Inspecteur heeft erop gewezen dat de vennootschappen over financiële middelen beschikten, omdat zij omzet hadden en aan een van de vennootschappen een lening was verstrekt. Belanghebbende heeft over het wel en wee van de vennootschappen geen informatie verstrekt. De vennootschappen hebben geen aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting. Aldus ontbreekt elke vorm van informatie op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat een lager loon noodzakelijk is voor het waarborgen van de continuïteit van het bedrijf.

4.7.

Belanghebbende heeft geen grieven ingebracht tegen het door de Inspecteur vastgestelde belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat de Inspecteur de aanslagen redelijk heeft geschat en dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat deze te hoog zijn. Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

4.9.

De Inspecteur heeft een verzuimboete opgelegd van € 344. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand niet binnen de gestelde termijn aangifte heeft gedaan. Voor zijn stelling (ter zitting van de Rechtbank) dat hij wegens ziekte niet eerder aangifte kon doen, ontbreekt elke onderbouwing. Het Hof acht de opgelegde boete passend en geboden.

4.10.

De boete is opgelegd op 27 juli 2016. Er zijn geen aanwijzingen dat de Inspecteur eerder uitlatingen heeft gedaan waaruit belanghebbende kon afleiden dat hem een boete zou worden opgelegd. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 29 oktober 2019, dus na verloop van ongeveer drie jaren en drie maanden. Tot het moment waarop het Hof uitspraak doet zijn sinds het opleggen van de boete ruim vier en een half jaar verstreken. Daarmee is de redelijke termijn overschreden. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij het redelijk acht als in verband daarmee de boete met 25% zal worden verminderd. Het Hof sluit zich daarbij aan en zal de boete verminderen tot € 258.

4.11.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd zodat het hoger beroep ook in zoverre ongegrond is.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Het Hof zal wel de boete verminderen.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de boetebeschikking,

– vermindert de boete tot € 258, en

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.

De griffier,

De voorzitter,

(M.T.M. Hennevelt)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 maart 2021.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.