Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2785

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
21-006323-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van medeplichtigheid aan hennepteelt door een woning daarvoor ter beschikking te stellen. Dat verdachte niet van de kwekerij heeft geweten acht het hof ongeloofwaardig. Oplegging voorwaardelijke taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006323-18

Uitspraak d.d.: 25 maart 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 5 november 2018 met parketnummer 18-126213-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [gebooteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman, mr. B.P.M. Canoy, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij bovengenoemd vonnis is verdachte ter zake van medeplichtigheid aan het telen van hennep veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, het medeplichtig zijn aan diefstal van elektriciteit, is verdachte vrijgesproken.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, kan zij daarin niet worden ontvangen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd dat:

1.
[naam1] en/of een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 31 augustus 2016 tot en met 24 november 2016 te [plaats] met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval op of omstreeks 24 november 2016 opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van ongeveer 225, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 31 augustus 2016 tot en met 24 november 2016 te [plaats] , in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte van het haar ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken nu het vereiste (dubbel) opzet ontbreekt. Verdachte was er niet van op de hoogte dat er zich op de bovenverdieping van de woning een hennepkwekerij bevond, zo heeft de raadsman daartoe aangevoerd.

Het hof volgt de raadsman niet in zijn verweer en is net als de politierechter en de advocaat-generaal van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe stelt het hof voorop dat verdachte ten tijde van het aantreffen van de kwekerij ingeschreven stond op het desbetreffende adres en dat gebleken is dat zij er ook daadwerkelijk woonachtig was. De kwekerij die op de bovenverdieping is aangetroffen, is daar door haar toenmalige vriend [naam1] aangelegd, zo heeft hij erkend. Het ging om een aanzienlijke kwekerij van 225 planten, welke een aantal maanden actief is geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepplanten een doordringende, kenmerkende geur verspreiden. Dat verdachte een bepaalde periode gedetineerd is geweest, is juist, maar dat is niet de gehele periode het geval geweest. Voorts is van belang dat ten tijde van het aantreffen van de kwekerij, verdachte zich in de woning bevond en dat er toen in de woonkamer, waar verdachte kennelijk sliep, een zwarte afvalzak met daarin afvalresten van oude hennepplanten is aangetroffen. Ook verdachtes eigen verklaring is relevant. Zij heeft immers verklaard: “Ik wist wel dat er iets zou zijn boven in de woning (…)”. En: “Ik zag het wel via de trap (…)”. Dat de aanwezigheid van de kwekerij haar niet kan zijn ontgaan, wordt hierdoor bevestigd. Dat geldt ook voor het feit dat de buurman heeft verklaard dat hij overlast ervoer van de kwekerij (hij zag naar eigen zeggen de dealers en de vuilniszakken).

Dat verdachte niet van de kwekerij heeft geweten, acht het hof gezien het hiervoor overwogene volstrekt ongeloofwaardig. Deze verklaring wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. Dat verdachte wellicht zelf niet in de kwekerij is geweest, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Immers gaat het erom dat zij van de kwekerij heeft geweten en dat zij opzettelijk haar woning daartoe ter beschikking heeft gesteld. Dat kan op grond van het voorgaande wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
[naam1] in de periode van 31 augustus 2016 tot en met 24 november 2016 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van ongeveer 225 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 31 augustus 2016 tot en met 24 november 2016 te [plaats] , opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die persoon voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan/tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft iemand anders in de gelegenheid gesteld om in haar woning een hennepkwekerij met een aanzienlijk aantal hennepplanten in te richten en te exploiteren. Door dit handelen heeft verdachte bijgedragen aan de bevordering en instandhouding van het illegale softdrugscircuit. Algemeen bekend is dat dergelijke feiten plegen te leiden tot allerlei maatschappelijke problemen, waaronder in de omliggende woongemeenschap.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister is zij eerder veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet ten aanzien van overtreding van de Opiumwet.

Gelet hierop, alsmede het feit dat het een oud feit betreft en er ten aanzien van de procedure in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met een aantal maanden, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat volstaan kan worden met oplegging van een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Deze straf is passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. A.H. toe Laer, voorzitter,

mr. E.M.J. Brink en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 25 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.