Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2783

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
21-004405-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging van het vonnis waarbij verdachte is veroordeeld ter zake van het meermalen vervaardigen van kinderporno, het in bezit hebben van kinderporno, het plegen van ontucht met zijn stiefdochter en het in bezit hebben van dierenporno, met uitzondering van de straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004405-19

Uitspraak d.d.: 25 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 augustus 2019 met parketnummer 18-242410-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis, met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 1 dag onvoorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, en daarnaast een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 5 augustus 2019 de verdachte ter zake van het meermalen vervaardigen van kinderporno, het in bezit hebben van kinderporno, het plegen van ontucht met zijn stiefdochter en het in bezit hebben van dierenporno veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder een behandelverplichting.

Verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het betreft een zogenoemd strafmaatappel. Verdachte heeft bekend de feiten zoals die door de rechtbank zijn bewezenverklaard, te hebben gepleegd.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring juist en op goede gronden heeft beslist. Op grond van de inhoud van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar. Ook verdachte is strafbaar. Het vonnis kan in zoverre worden bevestigd.

Ten aanzien van de straf komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank, zodat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging ten aanzien van de door verdachte gepleegde feiten het volgende overwogen:

“Verdachte heeft zich ten aanzien van zijn stiefdochter allereerst, toen zij veertien jaar was, schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen door het betasten van haar (ontblote) borsten. Verdachte heeft hiervan tevens een filmopname gemaakt. Ook heeft hij haar meerdere malen, met zijn telefoon die hij in de badkamer van hun woning had verborgen, heimelijk gefilmd. Zij was toen nog steeds minderjarig. Verdachte heeft vervolgens van deze films afbeeldingen gemaakt waarbij hij nadrukkelijk heeft ingezoomd op haar ontblote geslachtsdelen, borsten en billen. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervaardigen van kinderporno. Verdachte heeft het gewraakte materiaal jarenlang bewaard waarmee hij zich tevens aan het bezit van kinderporno heeft schuldig gemaakt. Verdachte heeft hiermee op zeer laakbare wijze misbruik gemaakt van zijn rol als stiefvader. Hij heeft het vertrouwen van het slachtoffer beschaamd door haar stiekem te filmen op een plaats in haar ouderlijke woning, waar zij zich veilig waande en waar zij veilig had behoren te zijn. Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit en de waardigheid van het slachtoffer op grove wijze geschonden. De rechtbank rekent verdachte zijn handelwijze zwaar aan. Slachtoffers van dergelijke feiten kunnen daarvan nog lange tijd nadelige psychische gevolgen ondervinden. Daarnaast heeft verdachte afbeeldingen en films van dierenporno in zijn bezit gehad. Voor de vervaardiging daarvan zijn dieren misbruikt en geëxploiteerd ten behoeve van een onzedelijke behoeftebevrediging van personen. Door het bekijken en bewaren van dit soort afbeeldingen blijft de vraag daarnaar bestaan en wordt het vervaardigen ervan bevorderd.”

Uit deze overweging van de rechtbank blijkt duidelijk dat de bewezenverklaarde feiten ernstige delicten betreffen, in het bijzonder de feiten die gepleegd zijn jegens verdachtes stiefdochter. Terecht heeft de rechtbank gesteld dat verdachte op zeer laakbare wijze misbruik heeft gemaakt van zijn rol als stiefvader. Ook het hof rekent dit verdachte in ernstige mate aan.

Er zijn echter meer aspecten die het hof bij de strafoplegging heeft meegewogen. Ten eerste houdt het hof rekening met het feit dat de bewezenverklaarde feiten zeer lang geleden zijn begaan. De ontucht heeft plaatsgevonden in 2006, het filmen van zijn stiefdochter in 2008, waarna verdachte in de jaren daarna vele strafbare afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad. In 2017 zijn de feiten aan het licht gekomen.

Verdachte heeft vervolgens direct openheid van zaken gegeven en is op vrijwillige basis gestart met een tot op heden voortdurende behandeling bij de GGZ. Deze behandeling verloopt goed, zo is te lezen in een voortgangsverslag van 10 december 2020. Daarin wordt geschreven: “Patiënt is actief in de behandeling en de seksuele anamnese is afgerond. Hij heeft op dit moment een individueel behandelcontact voor het maken van een delictscenario en volgt de groep. Patiënt is trouw in het nakomen van de afspraken en is in proces waarbij er sprake is van meer delen en het willen onderzoeken wat er is gebeurd. Dit is voor patiënt soms ook confronterend, omdat hij graag verder wil met zijn leven. Hij blijft dit bespreken en dit geeft ruimte om het proces aan te gaan.”

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij veel geleerd heeft van de behandeling. Zo weet hij beter wat zijn valkuilen zijn, wanneer hij op zijn hoede moet zijn, en hoe hij dan moet handelen om een terugval te voorkomen. Ook is veel over de achtergrond van de delicten gesproken. Verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard enorm veel spijt van zijn handelen te hebben en zich ervoor te schamen. Tot zijn grote opluchting is de relatie met zijn stiefdochter en zijn partner inmiddels - na een heel moeizame periode - hersteld.

Bij de bespreking van de persoonlijke omstandigheden zijn verder geen bijzonderheden naar voren gekomen die van invloed op de op te leggen straf zijn. Verdachte is gepensioneerd en heeft voldoende, nuttige dagbesteding. Er doen zich op de verschillende leefgebieden geen problemen voor.

Gelet op voorgaande positieve ontwikkelingen en het feit dat een gevangenisstraf niet alleen een enorm zware impact zou hebben op verdachte, maar óók op zijn familie en leefomgeving, heeft de verdediging het hof verzocht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest, achterwege te laten.

Hoewel het hof van oordeel is dat de bewezenverklaarde feiten in beginsel oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, zoals de rechtbank heeft gedaan, komt het hof, in navolging van de advocaat-generaal, tot een ander oordeel. Naast de ouderdom van de feiten en de resultaat genererende behandeling die verdachte sindsdien heeft ondergaan, weegt het hof mee dat het recidiverisico in het reclasseringsadvies d.d. 28 februari 2019 wordt ingeschat als laag. Het thans nog opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zekere duur zou vanuit het oogpunt van vergelding plaatsvinden. Mede gelet op het gegeven dat verdachte voor noch na het plegen van de feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen, de ondergane behandeling is aangeslagen en in die zin als recidivebeperkend beschouwd moet worden én de familierelaties zijn hersteld, ziet het hof aanleiding om aan verdachte wel een gevangenisstraf op te leggen maar vrijwel geheel in voorwaardelijke vorm.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en in onderling verband en samenhang bezien, zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 360 dagen, waarvan 359 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Deze straf is passend en noodzakelijk. Voor een kortere proeftijd zoals de raadsvrouw heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.

Om voldoende recht te doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten legt het hof daarnaast een taakstraf op. De door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf van 160 uren doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Het hof is van oordeel dat een taakstraf van de maximale duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, passend en geboden is. Het hof is net als de advocaat-generaal van oordeel dat oplegging van bijzondere voorwaarden gezien het tijdsverloop en de ontwikkelingen sindsdien, niet langer aangewezen is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 240b, 247 en 254a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. F. van der Maden, voorzitter,

mr. A.H. toe Laer en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 25 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.