Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2782

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
21-004596-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens mishandeling van een portier tot een taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004596-19

Uitspraak d.d.: 25 maart 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 21 augustus 2019 met parketnummer 18-207726-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij bovengenoemd vonnis verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. De vordering van de benadeelde partij is volledig toegewezen tot een bedrag van € 716,- aan materiële schade en € 450,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 september 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] met een glas tegen het hoofd te slaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beroep op noodweer

Verdachte heeft zowel bij de politie1 als ter terechtzitting van het hof erkend dat hij aangever [benadeelde partij] , die op dat moment werkzaam was als portier, met een glas heeft geslagen. Verdachte heeft omtrent de aanleiding verklaard dat hij een ruzie tussen anderen aan het sussen was en dat toen [benadeelde partij] erbij kwam, er een woordenwisseling tussen hem en [benadeelde partij] ontstond. Vervolgens begonnen andere mensen zich ermee te bemoeien, waardoor verdachte zich door [benadeelde partij] en de situatie eromheen zó bedreigd voelde, dat hij daarom uit een reflex heeft geslagen. Het hof vat dit op als een beroep op noodweer.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Het hof stelt vast dat niets in het dossier erop wijst dat verdachte uit verdediging heeft gehandeld. De volgende verklaringen zijn van belang.

Aangever2 heeft verklaard dat hij op 24 september 2017 als portier werkzaam was bij café [naam1] in [plaats] toen hij omstreeks 03:00 uur zag dat er een ruzie gaande was. Nadat hij er naar toe was gelopen kwam er een jongen bij, die later [verdachte] bleek te heten. Aanegever verklaart: “Deze jongen, ik noem hem nu in mijn verklaring verder [verdachte] , begint wat druk en agressief naar mij te doen. Ik maan hem rustig te blijven. Ik hoor hem daarop zeggen "moet ik rustig doen moet ik rustig doen". Ik waarschuw hem op gegeven moment dat hij rustig en normaal moet doen anders zou hij er uit worden gezet. Met agressief bedoel ik dat hij dicht tegen mij aan kwam staan, hij maakte zich wat breed en ik zag daarbij dat hij met zijn vinger gebaarde en hij sprak op een vervelende toon. Zijn gehele houding was gewoon agressief. Hij bleef doorgaan en hij luisterde niet. Daarop heb ik besloten hem er uit te zetten. Daarmee bedoel ik uit [naam1] . (…) Ik pakte [verdachte] beet

en wilde hem naar buiten begeleiden. Ik zag en voelde dat [verdachte] niet mee werkte. Hij

wilde de andere richting op dan de richting die ik hem probeerde te krijgen. Ik

voelde dat hij tegenwerkte. (…) Op gegeven moment stond ik nagenoeg weer voor [verdachte] . Uit het niets krijg ik een klap met een glas tegen mijn hoofd. Dit is een shortdrink glas. Dit zijn extra harde glazen die niet zo snel breken. Ik zag in een flits dat [verdachte] dit deed met kracht en met zijn rechterhand waarin hij een glas vast hield. Ik voelde dat dit met een behoorlijk kracht gebeurde. Ik voelde meteen pijn. Ik hoorde een hele harde piep en ik viel half op de grond. (…) Ik hoorde dat ik een behoorlijk snee had op mijn hoofd. De snee zat aan de linker zijkant van mijn hoofd, ik ben daarop naar het ziekenhuis gegaan. Ik ben bij de eerste hulp geholpen. Ik heb drie hechtingen gekregen.”

Deze verklaring van aangever, waaruit blijkt dat het geweld van verdachte uitging, vindt bevestiging in de verklaring van na te noemen getuigen.

Getuige [getuige1]3 heeft verklaard dat er ruzie was, dat verdachte zich met de ruzie begon te bemoeien en dat [benadeelde partij] er toen bij kwam. Getuige [getuige1] verklaart hierover: “ [benadeelde partij] hield [verdachte] beet en wou hem naar buiten brengen. Toen zag ik dat [verdachte] met een bierglas [benadeelde partij] op zijn hoofd sloeg. Ik zag [verdachte] uithalen met zijn rechterhand. Ik hoorde een doffe glasklap, deze klap hoorde ik boven de muziek uit komen. Ik zag dat [benadeelde partij] achterover viel op de grond, hierop heb ik [verdachte] in de houdgreep vastgepakt en heb ik gewacht op de beveiligers.”

Ten slotte heeft getuige [getuige2]4 verklaard: “Ik was samen met een groepje aan het uitgaan. [verdachte] was één van de jongens die bij dit groepje hoorde. (…) Ik zag dat kort daarop een beveiliger aan kwam lopen. Ik zag dat de beveiliger [benadeelde partij] was. Ik zag dat de beveiliger vertelde aan [verdachte] dat hij rustig moest doen. Daarop hoorde ik in de omgeving dat [verdachte] beetgepakt werd en dat hij eruit moest. Ik zag daarop dat de beveiliger en [verdachte] aan elkaar aan het trekken en duwen waren. Ik zag dat hij op dat moment in zijn rechterhand een glas had. Ik zag daarop dat [verdachte] met zijn rechterarm uithaalde, waarna het glas tegen het hoofd van de beveiliger in duizend stukjes brak. Ik zag daarop dat de beveiliger een behoorlijke snee op de linkerkant boven op zijn hoofd had. Ik zag daarop dat [naam2] , een andere jongen van de groep waarmee ik aan het uitgaan was, [verdachte] beetpakte.”

Voornoemde verklaringen ondersteunen elkaar en het hof ziet geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van aangever en de getuigen te twijfelen. Anderzijds vinden de feiten die verdachte aan zijn beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd, geen steun in het dossier. Deze feiten zijn dan ook niet aannemelijk geworden. Van een noodweersituatie was geen sprake en het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Het hof acht op grond van de opgenomen verklaringen wettig en overtuigend aanwezig dat verdachte aangever opzettelijk heeft geslagen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 september 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] met een glas tegen het hoofd te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een portier toen deze hem uit het café wilde zetten. Verdachte heeft hem met een glas geslagen, waardoor pijn en letsel is ontstaan. Het hof rekent verdachte aan dat hij zich zo agressief heeft gedragen tegen iemand die niets anders dan zijn werk deed.

In het voordeel van verdachte spreekt dat hij blijkens een betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 3 februari 2021 niet eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten. Daarnaast is ter terechtzitting van het hof gebleken dat verdachte zijn leven goed op orde heeft. Hij heeft een baan, woont zelfstandig en heeft geen financiële problemen.

Het hof acht de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf een passende bestraffing en ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. Daarom wordt aan verdachte net als in eerste aanleg een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.166,00, bestaande uit € 716,- aan gederfde inkomsten en € 450,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rechter en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte heeft de vordering niet betwist en ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij bereid is de gevorderde schade te betalen. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.166,00 (duizend honderdzesenzestig euro) bestaande uit € 716,00 (zevenhonderdzestien euro) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.166,00 (duizend honderdzesenzestig euro) bestaande uit € 716,00 (zevenhonderdzestien euro) materiële schade en € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 september 2017.

Aldus gewezen door

mr. F. van der Maden, voorzitter,

mr. A.H. Toe Laer en mr. M. van der Horst, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 25 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 september 2017, p. 24 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2017254405;

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 25 september 2017, p. 8 e.v. van het hiervoor genoemde dossier;

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 september 2017, p. 20 e.v. van het hiervoor genoemde dossier;

4 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 september 2017, p. 22 e.v. van het hiervoor genoemde dossier.