Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2767

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
200.276.083
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woning na ontdekking hennepkwekerij. Geen tweede kans. Belangenafweging valt uit in voordeel verhuurder. geen misbruik van recht. Geen ruimte voor afzonderlijke werking redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.276.083

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 8123158)

arrest van 23 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [huurder] ,

advocaat: mr. S.G. Blasweiler,

tegen:

de stichting

Stichting Woonstede,

gevestigd te Ede,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Woonstede,

advocaat: mr. R. Boekhoff.

1 De procedure in hoger beroep

Het hof verwijst naar het tussenarrest van 18 augustus 2020. In dat tussenarrest is een mondelinge behandeling bepaald die heeft plaatsgehad op 3 maart 2021. Partijen zijn daar met hun advocaten verschenen. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vordering bij de rechtbank en de beslissing van de rechtbank

Bij de rechtbank heeft Woonstede, kort gezegd, de ontbinding gevorderd van de met [huurder] gesloten huurovereenkomst en de ontruiming van de woning. De kantonrechter heeft in het bestreden eindvonnis van 11 maart 2020 (het vonnis) beide vorderingen toegewezen.

3 De vordering en beslissing in hoger beroep

3.1

[huurder] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij vraagt in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vordering.

3.2

[huurder] heeft een aantal bezwaren (grieven) tegen het vonnis. Het hof komt tot de conclusie dat die bezwaren niet opgaan en dat het vonnis in stand blijft.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Waarover gaat deze zaak?

4.1

[huurder] huurde sinds 15 november 2013 van Woonstede de woning [a-straat 1] in [A] (de woning). Op 27 augustus 2019 heeft de politie in de woning een hennepkwekerij en/of -drogerij aangetroffen. Uit de rapportage van de politie blijkt dat ruim vier kilo henneptoppen zijn aangetroffen, inclusief voorzieningen zoals kweekpotten, negen assimilatielampen, drie koolstoffilters, twee tijdschakelaars, een voorschakelapparaat, een dompelpomp en zes ventilatoren. In het door de politie opgestelde hennepbericht staat dat volgens de netbeheerder sprake was van brandgevaar door manipulatie aan de installatie van de netbeheerder. Woonstede heeft [huurder] ter voorkoming van een gerechtelijke procedure de mogelijkheid geboden de huurovereenkomst zelf op te zeggen. [huurder] heeft de huurovereenkomst niet opgezegd. Daarop is Woonstede de procedure tot ontbinding en ontruiming gestart. Nadat de kantonrechter het vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, heeft gewezen, heeft [huurder] een kort geding procedure gevoerd om de executie van het vonnis (ontruiming uit de woning) in afwachting van dit hoger beroep te voorkomen. De voorzieningenrechter heeft de vordering in kort geding afgewezen en in hoger beroep heeft het hof de beslissing van de voorzieningenrechter in stand gelaten. [huurder] heeft inmiddels de woning verlaten.

Eiswijziging

4.2

Naar aanleiding van zijn vertrek uit de woning heeft [huurder] bij akte zijn eis gewijzigd. Een eiswijziging, ook in hoger beroep, is voorbehouden aan degene die een vordering heeft ingesteld, hetzij in conventie hetzij in reconventie. [huurder] was bij de kantonrechter gedaagde en heeft toen geen eis in reconventie ingesteld. Dat kan niet voor het eerst in hoger beroep (artikel 353 lid 1 Rv).1 Dat [huurder] als eiser in hoger beroep moet worden beschouwd en dat daarom een eiswijziging toch mogelijk moet zijn, zoals zijn advocaat op de zitting heeft betoogd, gaat dus niet op. Het hof gaat aan de eiswijziging voorbij.

De beoordeling

4.3

Tussen partijen staat vast dat [huurder] in de woning een hennepkwekerij en of -drogerij heeft gehad. [huurder] heeft erkend dat hij daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door zich niet te gedragen als een goed huurder (7:213 BW) en het gehuurde niet te gebruiken waarvoor het is bestemd (7:214 BW). Toch vindt hij dat de kantonrechter de ontbinding en ontruiming niet had mogen toewijzen. Volgens [huurder] had de kantonrechter moeten beoordelen of het gevoerde beleid van Woonstede ten aanzien van het verhandelen en/of produceren van hennep en (soft-) drugs in de huurwoning misbruik van bevoegdheid oplevert (grief 1), had de belangenafweging in het voordeel van [huurder] moeten uitvallen (grief 2 en grief 5), heeft de kantonrechter niet onderkend dat artikel 7:11 van de algemene voorwaarden een onredelijk bezwarend beding is (grief 3), had de kantonrechter moeten aannemen dat Woonstede onrechtmatig handelt (grief 4) en dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten onrechte buiten toepassing is gelaten door de kantonrechter (grief 6). Bij de grieven 7 en 8 tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad respectievelijk de termijn waarop de ontruiming moet plaatsvinden, heeft [huurder] geen belang meer omdat hij inmiddels de woning heeft verlaten. Die zullen daarom niet worden besproken.

4.4

Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenis aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De hoofdregel en de tenzij-bepaling brengen samen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst en dat het aan de schuldenaar (hier: [huurder] ) is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Ten aanzien van de ontbinding van een huurovereenkomst van sociale woonruimte (zoals hier aan de orde) gelden geen bijzondere regels. Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is. De inhoudelijke maatstaf dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding van de overeenkomst, stoelt op de redelijkheid en billijkheid en stemt inhoudelijk overeen met vaste rechtspraak van de Hoge Raad.2

4.5

Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat de belangen van Woonstede bij ontbinding en ontruiming zwaarder wegen dan de belangen van [huurder] bij behoud van de woning. Het hof sluit aan bij wat de kantonrechter daarover in 4.4 van het vonnis heeft overwogen.

4.6

In de belangenafweging zijn ook de gevolgen van de ontbinding en ontruiming voor [huurder] meegewogen. In dat oordeel ligt al besloten dat Woonstede geen misbruik van recht maakt door [huurder] geen tweede kans te bieden en voor een periode van vijf jaar uit te sluiten van een sociale huurwoning in haar bestand of in dat van andere verhuurders in de regio. Het op dat punt door Woonstede gevoerde beleid is weliswaar hard (zero-tolerance), maar is niet ongerechtvaardigd gezien de ernst van de tekortkoming, voor de gevolgen waarvan [huurder] ook was gewaarschuwd. Daar komt bij dat [huurder] de mogelijkheid heeft gehad om een gerechtelijke procedure te voorkomen door de huurovereenkomst zelf op te zeggen, wat hij niet heeft gedaan.

4.7

Tijdens de zitting in hoger beroep heeft [huurder] nog verklaard dat zijn psychische gezondheid achteruit is gegaan nu hij daadwerkelijk zijn woning kwijt is en geen vaste verblijfplaats heeft. Hij heeft dat in de stukken in hoger beroep echter niet (bijvoorbeeld met informatie van zijn behandelaars) onderbouwd. Om die reden komt het hof aan het bewijsaanbod niet toe. Evenmin heeft [huurder] voldoende onderbouwd dat hij de hennepplantage onder druk van derden zou hebben gehouden. Feiten of omstandigheden die daarvoor aanknopingspunten geven, heeft [huurder] niet gesteld. Ook die argumenten van [huurder] maken dus niet dat de beslissing anders uitvalt.

4.8

In het kader van artikel 6:265 lid 1 BW zijn alle omstandigheden van het geval al in de beoordeling verdisconteerd, met name ook met betrekking tot de toepassing van de tenzij-bepaling (die ook zelf op de redelijkheid en billijkheid gebaseerd is), zodat daarnaast weinig behoefte bestaat aan en dus weinig ruimte overblijft voor een afzonderlijke werking van de redelijkheid en billijkheid.3 Waarom die werking in dit geval toch moet plaatsvinden heeft [huurder] onvoldoende duidelijk gemaakt. Ook hier verwijst [huurder] naar de verstrekkende gevolgen die de ontbinding van de huurovereenkomst voor hem heeft, maar zoals gezegd zijn die gevolgen al meegewogen in de belangenafweging.

4.9

Het schenden van de verplichtingen van 7:213 en 7:214 BW levert een tekortkoming op. Of artikel 7:11 van de algemene voorwaarden, dat een nadere uitwerking is van die verplichtingen, onredelijk bezwarend is kan dan ook in het midden blijven. Bovendien ziet het hof niet in waarom dat beding onredelijk bezwarend zou zijn. Hetgeen [huurder] daartoe heeft aangevoerd is in ieder geval onvoldoende om die conclusie te trekken. Kennelijk meent [huurder] dat het beding voorziet in een onvoorwaardelijke ontbinding en ontruiming. Daarmee miskent [huurder] echter dat vorderingen tot ontbinding en ontruiming ter beoordeling van de rechter zijn.

4.10

Vast is komen te staan dat [huurder] ernstig tekort geschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst, hetgeen na afweging van alle belangen -waaronder de verstrekkende gevolgen voor [huurder] - de ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van de woning rechtvaardigt. Van misbruik van recht is geen sprake, evenmin van een onredelijk bezwarend beding. Het betoog van [huurder] dat Woonstede op grond van die twee punten onrechtmatig handelt, houdt mede gelet op alles wat hiervoor is overwogen, daarom ook geen stand.

5 De slotsom

De grieven falen. Het vonnis zal worden bekrachtigd. Omdat [huurder] ongelijk krijgt, zal hij de kosten van Woonstede voor het hoger beroep moeten betalen. Die kosten bedragen: € 760 voor griffierecht en € 2.785 (2,5 punt x appèltarief II) voor salaris van de advocaat.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem) van 11 maart 2020,

veroordeelt [huurder] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonstede vastgesteld op € 760 voor verschotten en op € 2.785 voor salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Schoemaker, C.J.H.G. Bronzwaer en G.R. den Dekker, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.

1 HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:261

2 HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810

3 idem