Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2745

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
200.254.608/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenverevening. Afstorting deel vrouw van pensioen in eigen beheer. Is sprake van een beschikbare-premieregeling of van een gegarandeerde uitkering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.254.608

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: NL18.9149)

arrest van 23 maart 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de man,

advocaat: mr. M.F.J. Martens,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J.D. van Vlastuin.

1 Het verdere verloop in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 1 december 2020 een tussenarrest gewezen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de akte van de man;

  • -

    de antwoordakte van de vrouw.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest van 1 december 2020 heeft het hof de man in de gelegenheid gesteld nadere stukken in het geding te brengen. Hij heeft dit gedaan. De vrouw heeft daarop gereageerd.

2.2

De man heeft er terecht op gewezen dat het hof in het tussenarrest een onjuiste datum heeft genoemd waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit is 31 augustus 2012. Dit heeft echter geen gevolgen voor de inhoudelijke beoordeling van de zaak.

2.3

De man heeft zijn hoger beroep ingetrokken. Ter beoordeling ligt nog het incidenteel hoger beroep voor. In geschil is daarbij de omvang van het aan de vrouw toekomende deel van de in de vennootschap van de man opgebouwde pensioenaanspraken. Daarbij is van belang wat de aard van de pensioenregeling is. De man stelt zich op het standpunt dat sprake is van een pensioenregeling op basis van de beschikbare premie, terwijl de vrouw stelt dat zij aanspraak kan maken op een uitkering van de helft van het opgebouwde ouderdomspensioen. Uit de stellingen van de vrouw volgt overigens niet duidelijk of zijn meent dat sprake is van een eindloonregeling, een middelloonregeling of een kapitaalverzekering met pensioenclausule (ook wel: kapitaalovereenkomst). Het hof zal volledigheidshalve alle varianten in de beoordeling betrekken. Uit de oorspronkelijke gedingstukken kon niet met voldoende zekerheid worden opgemaakt welk standpunt juist is. Daarom heeft hof de man opgedragen alle relevante stukken, zoals opgesomd in het tussenarrest, over te leggen. De man heeft hier voor zover mogelijk aan voldaan, al is de informatie niet volledig. Onderliggende berekeningen ter zake van de overgang van het pensioen van [C] naar eigen beheer ontbreken.

2.4

Omdat de stukken nog steeds geen volledig eenduidig beeld geven, zal het hof allereerst de overeenkomst met [C] moeten uitleggen aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf (Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Daarbij kan niet worden volstaan met een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen in de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die de betrokken partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

2.5

Uit de brief van [D] van 27 november 2018 (productie 4 bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep) volgt:

“In de aangeleverde stukken van [E] van 9 december 2003 en 11 december 2003 wordt er door [E] bevestigd dat de pensioenregeling een streefregeling is. De streefregeling is een door de belastingdienst aangewezen beschikbare premieregeling. In de correspondentie van [E] wordt dit bevestigd:

“De pensioentoezegging is een aangewezen beschikbare-premieregeling gebaseerd op eindloon.

De pensioentoezegging is het jaarlijks beschikbaar stellen van een premie voor een kapitaalverzekering met pensioenclausule die op basis van de huidige grondslagen voldoende is voor aankoop van het beoogd ouderdomspensioen op basis van 2,00% per dienstjaar. Met de beschikbaar gestelde premie wordt de premie betaald van een kapitaalverzekering met pensioenclausule. De kapitaalsuitkering uit deze verzekering is bestemd voor aankoop van pensioen. Het vermelde beoogde pensioen is niet gegarandeerd en dient slechts ter indicatie.” (…)”

Als productie 24 heeft de man een verklaring van [F] van [G] (de rechtsopvolger van [C] ) overgelegd, waarin staat:

“Hierbij bevestig ik u dat a.s.r. in 2007 het kapitaal van € 111.050,92, geadministreerd onder polisnummer [00000] als streefregeling/aangewezen beschikbare premieregeling, heeft overgemaakt op rekeningnummer [00001] t.n.v [H] B.V. te [B] ”

Verder heeft de man als productie 18 de brief van [C] van 15 juni 2007 overgelegd. Hierin is het volgende vermeld:

“De waarde van uw verzekering wordt bepaald door de betaalde inleg, en de kosten die verband houden met de pensioenverzekering. (…) De waarde van de beleggingen in uw Garantieverzekering bedraagt per 15-06-2007 € 117.625,33. Bij het vaststellen van deze waarde zijn wij ervan uit gegaan dat de verschuldigde inleg tot op heden is voldaan.(…)”

2.6

Hiermee heeft de man naar het oordeel van het hof aangetoond dat de regeling bij [C] er een was op basis van beschikbare premie en niet, zoals de vrouw stelt, een overeenkomst op basis van een gegarandeerde uitkomst. Dat volgt ook uit het feit dat het bedrag dat eind 2007 is overgemaakt naar [H] B.V. lager is dan de waarde op 15 juni 2007. Dat in de correspondentie met de Belastingdienst ter zake van de waardeoverdracht in de checklist voor pensioenberekeningen (onderdeel van productie 29) is aangegeven dat sprake zou zijn van een eindloonregeling is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Weliswaar duidt die classificatie niet op een beschikbare-premieregeling, maar daar staat tegenover dat de hiervoor geciteerde verklaring van [F] en de brief van [C] van 15 juni 2007 aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Het hof merkt op dat met de hand op de checklist die bij productie 29 is overgelegd is geschreven dat sprake zou zijn van een aangewezen beschikbare-premieregeling, maar het is het hof niet duidelijk op welk moment en door wie dit is toegevoegd. Verder wijst het hof erop dat de verzekering per 1 juli 2007 premievrij is gemaakt. Dit wijst erop dat geen sprake is van een gegarandeerde uitkering. Bij een gegarandeerde uitkering kan het immers nodig zijn de premie te verhogen als het rendement tegenvalt. Die mogelijkheid bestaat niet als de opbouw premievrij geschiedt.

2.7

De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden is of voor het pensioen in eigen beheer andere voorwaarden golden. De man heeft het pensioen bij [C] afgekocht en er heeft een waardeoverdracht plaatsgevonden. De reden daarvoor was volgens de verklaring van de man dat hij van mening was dat de ingelegde premies onvoldoende rendeerden. Uit niets volgt dat de man heeft beoogd met het onderbrengen van het pensioen in eigen beheer iets te veranderen aan de voorwaarden. Uit de correspondentie met de Belastingdienst volgt ook niet dat hierover discussie is geweest. Dit zou anders zijn geweest in het geval er sprake was van een kapitaalovereenkomst. De holding was immers verplicht om van het kapitaal een pensioenvoorziening te houden die voldeed aan Hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964. Dat volgt ook uit artikel 6 van de pensioenovereenkomst. Ten tijde van de overdracht in 2007 voldeden kapitaalovereenkomsten daar niet aan. Alleen al daarom is het aannemelijk dat de pensioenaanspraken van de man op vergelijkbare voorwaarden zijn voortgezet. Van het van [C] ontvangen bedrag zijn beleggingen gedaan. Aan de portefeuille is door de jaren heen niets veranderd en ook na de waardeoverdracht bleef de opbouw premievrij. In de jaarstukken van de onderneming is een en ander niet op deze wijze verantwoord. Dit blijkt ook uit de brief van [I] van 6 december 2018 (productie 4 memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep Gelet op al deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de vrouw ten onrechte meent dat zij recht heeft op een deel van de aanspraken op basis van een gegarandeerde uitkering. Ten hoogste is sprake geweest van een streefbedrag.

2.8

De man heeft verklaard dat hij heeft voldaan aan het vonnis van de rechtbank op basis van het uitgangspunt dat sprake is van een beschikbare-premieregeling. De vrouw heeft in hoger beroep gevorderd dat het hof de man zal veroordelen om te bewerkstelligen dat het aan de vrouw toekomende deel van de door de man opgebouwde pensioenaanspraken gebaseerd op een aanspraak van € 7.313,- per jaar en een nabestaandenuitkering van € 10.238,- per jaar zullen worden afgestort bij een externe pensioenverzekeraar. Omdat de door haar berekende aanspraken zijn gebaseerd op een veronderstelde kapitaalovereenkomst, althans een gegarandeerde uitkering, waarvan het bestaan gelet op de gemotiveerde betwisting door de man niet is komen vast te staan, is het hoger beroep ongegrond. Dat de man te weinig zou hebben betaald als sprake is van een beschikbare-premieregeling is niet gesteld. Gelet hierop dient het incidenteel hoger beroep ongegrond te worden verklaard. Vanwege de intrekking van het principaal hoger beroep zal het hof volledigheidshalve de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

2.9

Partijen hebben over en weer veroordeling van de ander in de proceskosten in beide instanties gevorderd. Zij hebben echter geen grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot compensatie van de kosten in eerste aanleg. Het hof ziet dan ook geen aanleiding het vonnis op dat punt te vernietigen. In het feit dat deze procedure voortvloeit uit het voormalige huwelijk van partijen ziet het hof aanleiding ook in hoger beroep de kosten te compenseren als hierna te melden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in principaal en incidenteel hoger beroep:

in principaal hoger beroep:

3.1

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

in incidenteel hoger beroep:

3.2

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 17 oktober 2018;

3.3

compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, M.H.H.A. Moes en R.A. Eskes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021.