Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2722

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
21-003600-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming; vordering tot ontneming afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003600-19

Uitspraak d.d.: 24 maart 2021

Tegenspraak

Ontnemingszaak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2019 met het parketnummer 16-659286-17 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, inzake

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

ingeschreven op het (post)adres: [postadres] , [plaats] ,

hierna te noemen: de betrokkene.

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde beslissing hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 10 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal

inhoudende dat het gerechtshof de beslissing van de politierechter zal vernietigen,

het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene zal vaststellen op een bedrag van

€ 11.091,99 en - rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn - diens terugbetalingsverplichting zal vaststellen op een bedrag van € 11.000,-.

Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

De beslissing waartegen het hoger beroep is gericht

Bij de hierboven genoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vastgesteld op een bedrag van € 19.800,65 en - rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn - diens terugbetalingsverplichting vastgesteld op een bedrag van € 17.800,-.

Het gerechtshof verenigt zich niet met die beslissing zodat die beslissing behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Beoordeling

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 24.051,15 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van 24 maart 2021 veroordeeld ter zake van het aanwezig hebben van hennep.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is niet gebleken dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende.

In een bedrijfspand dat werd gehuurd door de vriendin van de betrokkene is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In die hennepkwekerij is aangetroffen een in groei staande teelt van honderdtwintig hennepplanten, alsmede de restanten van een andere

- kennelijk recent voltooide - hennepteelt in dat pand, in de vorm van honderdzeventig potten met afgeknipte hennepplanten erin.

De betrokkene heeft aanvankelijk - in zijn verhoor bij de politie - verklaard dat hij als enige persoon verantwoordelijk is voor de hennepteelt in het bedrijfspand. De betrokkene heeft in het politieverhoor ontkend dat er hennep door hem is geoogst. Volgens de betrokkene is er in het bedrijfspand weliswaar een hennepteelt aanwezig geweest die oogstrijp was, maar die hennepteelt is recent, buiten zijn medeweten, door één of meer voor hem onbekende anderen geoogst en weggenomen (“geript”).

De betrokkene heeft nadien - ter terechtzitting in hoger beroep - ontkend dat hij betrokken is geweest bij het telen en oogsten van hennep en heeft betwist dat hij enige opbrengsten uit hennepteelt heeft genoten. Hij heeft enkel erkend dat hij voor twee - met name door hem genoemde - andere personen hennepplanten aanwezig heeft gehad in het bedrijfspand.

In de aan deze ontnemingszaak verwante strafzaak is door de verdediging vrijspraak bepleit van het (mede)plegen van het telen van hennep, op nader in de pleitnota in die strafzaak genoemde gronden. Het gerechtshof heeft dat bewijsverweer gehonoreerd in de strafzaak.

Uitgangspunt voor het gerechtshof is daarom dat er geen concrete aanwijzingen zijn voor de betrokkenheid van de betrokkene bij het telen en deels oogsten van hennep. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de betrokkene voor het telen van hennep in het bedrijfspand door anderen of het aanwezig hebben van hennepplanten in het bedrijfspand voor anderen enige financiële vergoeding heeft ontvangen.

De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 24 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. Dam en Van Gorkom zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.