Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2721

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
21-003599-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van hennepteelt; door de politie is - ondanks het aantreffen en veiligstellen van sporen in de hennepkwekerij en ondanks contra-indicaties in het verhoor van de verdachte voor diens verhaal dat hij als enige persoon verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij - geen nader onderzoek verricht naar de mogelijke betrokkenheid bij de hennepkwekerij van anderen dan de verdachte. Het gerechtshof acht de lezing van de verdachte dat hij anderen de gelegenheid heeft geboden een kwekerij in zijn bedrijfspand te exploiteren niet onaannemelijk, te meer daar de verdachte heeft aangegeven door wie hij is benaderd. Tevens vrijspraak van diefstal van elektriciteit; veroordeling voor aanwezig hebben van hennep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003599-19

Uitspraak d.d.: 24 maart 2021

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2019 met het parketnummer 16-659286-17 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

ingeschreven op het (post)adres: [postadres] , [plaats1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 10 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde telen van hennep, alsmede de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het gerechtshof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel zal toewijzen.

Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde telen van hennep, alsmede de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toegewezen.

Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat het gerechtshof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de politierechter. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met

3 april 2015 te [plaats2] , althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 120, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 15 november 2014 tot en met

3 april 2015 te [plaats2] , althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Het gerechtshof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdedigingsbelang.

Vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde diefstal van elektriciteit

De verdachte heeft zowel in zijn verhoor bij de politie als ter terechtzitting in hoger beroep ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan diefstal van elektriciteit. De verdediging heeft vrijspraak van dit feit bepleit, op de volgende gronden:

“Op pag. 89 van het dossier staat immers duidelijk vermeldt dat er géén sprake was van een illegale aansluiting, conform de verklaring van client. In de aangifte wordt slechts gesteld dat dat de hoofdzekering was verzwaard en de originele verzegelingen waren verbroken (geweest) en vervangen door (voor de inspecteur) ongekende verzegelingen. Door het verbreken van de verzegelingen kan het telwerkhuis verwijderd worden en kan het telwerk op elke willekeurige stand gezet worden. Maar het enkele feit dat het kan betekent uiteraard niet dat het ook is gebeurd! Daarvoor is geen enkele (aanvullende) aanwijzing aangetroffen (zoals gebruik van een magneet o.i.d.) noch is er enige aanwijzing in het dossier (laat staan bewijs) wanneer de originele zegels zijn vervangen.”.

Het gerechtshof onderschrijft dit bewijsverweer volledig en acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs voor het onder 1 ten laste gelegde feit

In een bedrijfspand dat werd gehuurd door de vriendin van de verdachte is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. In die hennepkwekerij is aangetroffen een in groei staande teelt van honderdtwintig hennepplanten, alsmede de restanten van een andere

- kennelijk recent voltooide - hennepteelt in dat pand, in de vorm van honderdzeventig potten met afgeknipte hennepplanten erin.

De verdachte heeft aanvankelijk - in zijn verhoor bij de politie - verklaard dat hij als enige persoon verantwoordelijk is voor de hennepteelt in het bedrijfspand. De verdachte heeft in het politieverhoor ontkend dat er hennep door hem is geoogst. Volgens de verdachte is er in het bedrijfspand weliswaar een hennepteelt aanwezig geweest die oogstrijp was, maar die hennepteelt is recent, buiten zijn medeweten, door één of meer voor hem onbekende anderen geoogst en weggenomen (“geript”).

De verdachte heeft nadien - ter terechtzitting in hoger beroep - ontkend dat hij betrokken is geweest bij het telen en oogsten van hennep. Hij heeft enkel erkend dat hij voor twee - met name door hem genoemde - andere personen hennepplanten aanwezig heeft gehad in het bedrijfspand. De verdediging heeft vrijspraak van het telen van hennep bepleit, op nader in de pleitnota aangevoerde gronden.

Het gerechtshof acht dat bewijsverweer gegrond. Kort en krachtig: door de politie is - ondanks het aantreffen en veiligstellen van sporen in de hennepkwekerij, ondanks contra-indicaties in het verhoor van de verdachte voor diens verhaal dat hij als enige persoon verantwoordelijk is voor de hennepkwekerij en ondanks het indringende verzoek van de verdachte aan de politie om onderzoek te doen naar zijn verhaal over het “geript” zijn van de hennepkwekerij - geen nader onderzoek verricht naar de mogelijke betrokkenheid bij de hennepkwekerij van anderen dan de verdachte.

Daarnaast is ook in hoger beroep geen enkel nader onderzoek verricht of initiatief daartoe door het openbaar ministerie ondernomen, niettegenstaande de omstandigheid dat de verdachte op 8 maart 2021 schriftelijk de namen van twee personen die volgens hem verantwoordelijk zijn voor de hennepkwekerij bekend heeft gemaakt aan het openbaar ministerie en aan het gerechtshof.

Uitgegaan dient daarom te worden van hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, te weten dat hij enkel hennepplanten aanwezig heeft gehad in het bedrijfspand, voor anderen.

Dit dient te leiden tot vrijspraak van het telen van hennep en bewezenverklaring van het aanwezig hebben van hennep, zoals hieronder nader aangeduid.

De bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 3 april 2015 te [plaats2] opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan [adres] een hoeveelheid van 120 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het gerechtshof hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit strafbare feit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde strafbare feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte - puur voor het geldelijk gewin - een bedrijfspand ter beschikking heeft gesteld voor het gebruik als hennepkwekerij. Hennep is een stof die - éénmaal in het maatschappelijk verkeer gebracht - schadelijk kan zijn voor de gebruikers daarvan. Het gebruik van de op lijst II van de Opiumwet voorkomende middelen - de hennepproducten - brengt risico's mee voor de gezondheid van gebruikers en veroorzaakt mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving. De verdachte heeft daaraan door zijn handelen bijgedragen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

15 mei 2019, waaruit - in combinatie met hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard - volgt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van het aanwezig hebben van hennep en dat die veroordeling onherroepelijk is;

 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof de door de raadsman bepleite oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.

Gelet op al het bovenstaande acht het gerechtshof uit een oogpunt van normhandhaving en speciale preventie passend en geboden de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van één jaar.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] NV

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van materiële schade ten bedrage van € 1.742,08. Daarnaast is de wettelijke rente gevorderd. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht geheel toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

De benadeelde partij dient in verband met de vrijspraak van de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit, op welk feit de vordering betrekking heeft, niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van de strafzaak door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen

14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] NV

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] NV niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. G.A. Versteeg, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. P.L.M van Gorkom, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 24 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. Dam en Van Gorkom zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.