Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2021:2716

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
25-03-2021
Zaaknummer
21-001647-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte ten aanzien van meerdere beledigingen, waaronder richting ambtenaren in functie en ten aanzien van mishandeling van een ambtenaar in functie, tot een voorwaardelijke taakstraf van dertig uren subsidiair vijftien dagen hechtenis en een geldboete van

€ 1.400,- subsidiair 28 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001647-19

Uitspraak d.d.: 24 maart 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 26 maart 2019 met parketnummer 18-231852-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten met de twee ad informandum gevoegde feiten tot een geldboete van € 1.400,- en een voorwaardelijke taakstraf van dertig uren subsidiair vijftien dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. W.G. ten Have, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte ten aanzien van de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten met de twee ad informandum gevoegde feiten veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren subsidiair dertig dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 18 november 2018 te en in de gemeente [gemeente] opzettelijk (een) ambtena(a)ren, te weten [naam1] , buitengewoon opsporingsambtenaar bij [naam2] en/of [naam3] , toezichthouder bij [naam2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door die [naam1] de woorden toe te voegen: "kankerhoer" en/of "kankerslet", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door die [naam3] de woorden toe te voegen "kankermarokkaan" en/of "kankermoslim", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of, door (meermalen) te spugen op de schoenen, althans in de richting van die [naam3] , althans een feitelijkheid van gelijke beledigende aard;

2.
hij op of omstreeks 18 november 2018 te en in de gemeente [gemeente] , [naam1] , buitengewoon opsporingsambtenaar bij de [naam2] en op dat moment in functie heeft mishandeld door een (gevuld) bierblikje tegen het hoofd van die [naam1] te gooien;

3.
hij op of omstreeks 18 november 2018 te en in de gemeente [gemeente] opzettelijk [naam4] , in zijn tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "Ik vind jou een kankeridioot", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.
hij op of omstreeks 18 november 2018 te en in de gemeente [gemeente] , opzettelijk (een) ambtena(a)r(en),te weten [verbalisant1] , hoofdagent van politie eenheid Noord-Nederland en/of [verbalisant2] , hoofdagent van politie eenheid Noord-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, (meermalen) mondeling heeft beledigd, door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: "vieze vuile pedofiele kankeragenten" en/of "jullie vieze kankeragenten, ik hoop dat jullie kinderen verkracht worden" en/of "Heil Hitler!, Duitsland uber alles", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof heeft de nummering van de tenlastegelegde feiten uit het vonnis van de politierechter overgenomen.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder feit 2 tenlastegelegde mishandeling. In de aangifte staat dat [naam1] geen pijn had. In de vordering van de benadeelde partij heeft [naam1] aangegeven dat zij wel pijn had. Het is onvoldoende toetsbaar of sprake is van letsel bij [naam1] .

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 2 wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen en verwerpt daarom het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 18 november 2018 te en in de gemeente [gemeente] opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam1] , buitengewoon opsporingsambtenaar bij [naam2] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd door die [naam1] de woorden toe te voegen: "kankerhoer" en "kankerslet"

en

[naam3] , toezichthouder bij [naam2] , in zijn tegenwoordigheid mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door die [naam3] de woorden toe te voegen "kankermarokkaan" en "kankermoslim" en door meermalen te spugen op de schoenen, althans in de richting van die [naam3] ;

2.
hij op 18 november 2018 te en in de gemeente [gemeente] , [naam1] , buitengewoon opsporingsambtenaar bij de [naam2] en op dat moment in functie, heeft mishandeld door een gevuld bierblikje tegen het hoofd van die [naam1] te gooien;

3.
hij op 18 november 2018 te en in de gemeente [gemeente] opzettelijk [naam4] , in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "Ik vind jou een kankeridioot";

4.
hij op 18 november 2018 te en in de gemeente [gemeente] , opzettelijk ambtenaren, te weten [verbalisant1] , hoofdagent van politie eenheid Noord-Nederland en [verbalisant2] , hoofdagent van politie eenheid Noord-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, meermalen mondeling heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "vieze vuile pedofiele kankeragenten" en "jullie vieze kankeragenten, ik hoop dat jullie kinderen verkracht worden" en "Heil Hitler!, Duitsland uber alles".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening

en

eenvoudige belediging.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich (inbegrepen twee door verdachte erkende ad infofeiten) schuldig gemaakt aan zes strafbare feiten. Verdachte heeft een buitengewoon opsporingsambtenaar van [naam2] , een toezichthouder van [naam2] , twee politieagenten en nog een persoon beledigd. Verdachte heeft zeer beledigende bewoordingen gebruikt, die als discriminatoir kunnen worden geduid, en waarbij verdachte voorts heeft verwezen naar het naziregime van de Tweede Wereldoorlog. Voorts heeft verdachte diezelfde buitengewoon opsporingsambtenaar van [naam2] mishandeld. Daarnaast heeft verdachte de kleding van de medewerkers van [naam2] beschadigd en een ophoudkamer van de politie (tijdelijk) onbruikbaar gemaakt, welke laatste twee feiten ad informandum zijn gevoegd op de inleidende dagvaarding, door verdachte zijn erkend en hiermee zijn afgedaan.

Door aldus te handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de personen die hij heeft beledigd. Daarbij komt dat verdachte het door de buitengewoon opsporingsambtenaar en politieagenten belichaamde openbaar gezag niet heeft gerespecteerd. Verdachte heeft de eer en goede naam van de door hem beledigde personen aangetast. Door de buitengewoon opsporingsambtenaar van [naam2] te mishandelen heeft verdachte geen respect getoond voor haar lichamelijke integriteit, terwijl zij haar werk deed. Uit de vordering benadeelde partij blijkt dat zij pijn en letsel heeft opgelopen.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 februari 2021 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, onder andere voor bedreiging.

Ter zitting in hoger beroep en uit het dossier is gebleken dat de tenlastegelegde feiten zijn gepleegd na fors alcoholgebruik door verdachte. Verdachte heeft ter zitting van het hof aangegeven dat hij begrijpt dat dit geen excuus mag zijn. Verdachte heeft daar voorts aangegeven dat hij een behandeling voor zijn alcoholverslaving heeft afgerond bij [naam5] . Hij ging, en gaat nu nog steeds, zij het digitaal vanwege de maatregelen rondom COVID-19, naar bijeenkomsten van de AA. Binnenkort heeft verdachte een intakegesprek bij GGZ Interventie met betrekking tot de bij verdachte bestaande trauma’s. Hij woont in [woonplaats] en heeft een baan.

Het hof heeft vastgesteld dat verdachte het inzicht heeft dat zijn gedrag volstrekt onacceptabel was en dat hij zich hiervoor schaamt. Hij heeft om dergelijk gedrag in de toekomst te voorkomen hulp gezocht voor zijn alcoholverslaving en ook zijn achterliggende problematiek. Na de hier bewezenverklaarde strafbare feiten is verdachte niet opnieuw met politie en justitie in aanraking geweest. Een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden die zien op behandeling is daarom hier niet (meer) op zijn plaats.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een geldboete van € 1.400,-, subsidiair achtentwintig dagen hechtenis en een voorwaardelijke taakstraf van dertig uren subsidiair vijftien dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [naam1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 150,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering onvoldoende inhoudelijk betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 36f, 57, 63, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.400,00 (duizend vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [naam1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam1] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam1] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 november 2018.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. J.G. Idsardi, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 24 maart 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.